De laatste paar nazi’s die tegen de lamp liepen, verschenen schuifelend achter een rollator of hangend in een rolstoel en met een geheugen als een zeef in de rechtszaal. Ze zaten na het vonnis hun straf niet meer uit, daarvoor waren ze te oud. De meeste nazi’s die op internationale opsporingslijsten stonden, konden niet worden getraceerd en de grote meerderheid aan kleine en grote oorlogsmisdadigers van het Derde Rijk wist levenslang onder de radar te blijven.

‘We gaan ze niet allemaal vinden, natuurlijk niet’, zei de Amerikaanse nazi-jager Neal Sher eind jaren zeventig. ‘Maar dát er op hen wordt gejaagd, heeft een enorme psychologische impact op hun gevoel van veiligheid.’ Net als Simon Wiesenthal wist hij dat het voor de rechter slepen van nazi’s een moeizame weg betekende. Het is als zoeken naar een naald in een hooiberg, zei hij in interviews. En bovendien niet ongevaarlijk en zonder weerstand, want er stonden reputaties op het spel die raakten aan politieke belangen.

Sher was geen overlevende van de holocaust, hij werd twee jaar na de oorlog geboren en groeide op in een gemeenschap waar een stilzwijgen over de gruwelen van de kampen hing. Maar ook gonsde het van geruchten over gevluchte nazi’s die onder valse voorwendselen het Amerikaanse paspoort hadden bemachtigd. Dat zinde hem als jonge topadvocaat niet, en hij besloot gerechtigheid voor de slachtoffers tot zijn missie te maken. In 1979 zette hij de Office of Special Investigations (osi) op, een afdeling van het Amerikaanse ministerie van Justitie die zich bezighield met het systematisch opsporen van oorlogsmisdadigers.

Er werd niet pas gehandeld naar aanleiding van toevallige tips. Een team van juristen dook in de registers van de immigratiedienst om actief te zoeken naar verdachte antecedenten. Vervolgens werden de Duitse archieven uitgeplozen om bewijsmateriaal te verzamelen. Tien jaar later kwam daar een schatkamer aan materiaal bij toen ook de archieven achter het IJzeren Gordijn toegankelijk werden.

Met zijn aanpak boekte Sher succes; hij wist 69 kopstukken op te sporen. Op persconferenties somde hij droog de feiten op waarvan iemand werd beschuldigd, terwijl de wereldpers aan zijn lippen hing. Met zijn knappe verschijning en een scherp juridisch inzicht groeide hij uit tot een populaire gast in talkshows, waar hij erop hamerde dat verdachten in een democratische rechtsstaat recht hebben op een zo eerlijk mogelijk proces – een uitgangspunt dat haaks stond op dat van de junta’s in Zuid-Amerika, waar het wemelde van gevluchte nazi’s die konden rekenen op bescherming van de politieke elite.

Maar Amerika had ook lange tijd klonten boter op het hoofd. Terwijl meteen na de oorlog de top in de beklaagdenbank van Neurenberg zat, wisten de meesten tussen de mazen van het net van de Koude Oorlog te ontglippen. Foute rechters, artsen, wetenschappers, industriëlen, ze waren nodig voor de wederopbouw van de Bondsrepubliek en konden in hun vaderland ongemoeid carrière maken of via Italië met behulp van het Vaticaan vluchten naar Noord- en Zuid-Amerika.

Met zijn aanpak had Sher succes; hij spoorde 69 oorlogsmisdadigers op

In De rattenlijn (2020) beschrijft de Brit Philippe Sands, hoogleraar internationaal recht, hoe zowel de Amerikanen als de Russen in competitie met elkaar al eind jaren veertig van het jagen overgingen op het rekruteren van bruikbare nazikopstukken voor hoge functies bij de geheime dienst, in de wapenindustrie of de atoom- en ruimtewetenschap. Pas na de zaak-Eichmann begon de publieke aandacht zich te richten op de duistere doopceel van individuen en kwam er een groeiende roep om vervolging.

Sher ving in Amerika geen kleine vissen. Zoals aartsbisschop Valerian Trifa, die in Boekarest een pogrom op joden had geleid. Of Arthur Rudolph, een Duitse raketgeleerde bij de nasa die had verzwegen SS’er te zijn geweest. Zij verloren hun Amerikaanse staatsburgerschap en werden uitgeleverd aan Duitsland, waar de berechting vervolgens niet bijster vlot verliep. Sommigen wachtten hun lot niet af en pleegden zelfmoord.

De naam van Neal Sher zal vooral verbonden blijven met John Demjanjuk, die als automonteur in Cleveland werkte en er in 1979 van werd beschuldigd de beruchte beul van Treblinka met de bijnaam Ivan de Verschrikkelijke te zijn – wat later een vergissing bleek toen er nieuw bewijsmateriaal uit de kgb-archieven opdook dat aantoonde dat het ging om een andere Ivan.

Demjanjuk werd in 2011 alsnog schuldig bevonden. Nu niet op basis van een specifieke moord, maar op diens aangetoonde aanwezigheid als kampbewaker in Sobibor. Zijn langlopende proces toonde dat rechters zich niet door emoties moeten laten meeslepen, getuigenverklaringen niet altijd betrouwbaar zijn en altijd gestaafd moeten worden met ondersteunend bewijs.

Minstens zo sensationeel was zijn ontmaskering van Kurt Waldheim in 1986, die tot dan toe zijn naziverleden had weten te verdoezelen. Deze kwestie toonde andermaal aan hoe een hoge nazi had kunnen zwijgen. Oostenrijk werd na de oorlog niet gezuiverd, en voor zijn benoeming tot VN-secretaris-generaal rammelde al dan niet bewust de screening voor de periode 1940-1945.

Na ruim vijftien jaar hield Sher ermee op. Hij vond zijn baan belastend en vaak ook frustrerend. Maar hoe taai het ook was, hij heeft de wereld laten zien dat het een plicht is tegenover de slachtoffers om zo veel mogelijk uitvoerders en handlangers van moordpartijen, zoals nu de IS-strijders en de beulen van het Assad-regime, actief op te sporen. Hun geen rust te gunnen en niet te wachten totdat ze hoogbejaard zijn.