Neder-islam

DE VRAAG OF DE islam in Nederland zich ontwikkelt tot een zuil of zelfs tot een ‘Nederlandse islam’ heeft jarenlang alleen wetenschappers en extreem-rechtse demagogen beziggehouden. De moslims zelf, voornamelijk laaggeschoolde gastarbeiders die vroeg of laat wilden terugkeren, waren niet geïnteresseerd of hadden geen tijd voor theologische disputen. Sinds 1980 raakte het debat in een stroomversnelling.

De Turken en Marokkanen lieten hun families overkomen en manifesteerden zich openlijker als moslims. Er ontstonden islamitische scholen, omroepen, winkels, bibliotheken, videotheken, sportclubs en imamopleidingen. Een en ander riep weerstanden op waarvan extreem-rechts dankbaar gebruik maakte, terwijl sociale wetenschappers en ambtenaren almaar ambitieuzere integratiemodellen bedachten.
Rond 1990 leek de hysterie de overhand te krijgen. Het electorale succes van extreem-rechts, de Luzern-rede van Frits Bolkestein en de daaropvolgende debatten over vijfde kolonnes, mislukte integratie en de fatwa tegen Salman Rushdie resulteerden in een golf van anti-islamitische sentimenten. Opeens schreven commentatoren, van G.B.J. Hiltermann tot Gerrit Komrij, dat moslims niet in Nederland thuishoorden. ‘Het was alsof alles ineens gezegd kon worden’, schrijft Will Tinnemans in zijn monumentale studie over mediterrane migranten De gouden armband (1994); 'alsof de opgekropte haat jegens moslims als pus uit een opengesprongen zweer kwam.’ Het aantal moskeebranden, bedreigingen en geweldplegingen tegen islamitische doelen steeg en er ontstond een lobby om 'onaangepaste’ moslims ofwel te deporteren, ofwel te dwingen tot integratie - wat dat ook mocht betekenen. In 1992 refereerden zelfs regeringsdocumenten openlijk aan een vijfde kolonne. In het eerste openbare jaarverslag van de BVD werd de vrees uitgesproken dat conflicten in de islamitische wereld zullen 'overslaan’ naar Nederland.
Sindsdien is de storm enigszins geluwd. In de praktijk bleek geweldpleging door moslims in Nederland vooral een politieke achtergrond te hebben, zoals de animositeit tussen Turken en Koerden of de activiteiten van de Iraanse geheime dienst op Nederlands grondgebied. Van een overslaan van religieuze conflicten is geen sprake, ook niet uit aanpalende brandhaarden. In zijn jongste jaarverslag noemt de BVD de vrees dat de Algerijns-islamitische terreur zich van Frankrijk naar Nederland uitbreidt niet gerechtvaardigd. De Turkse Milli Görüs-beweging wordt in het verslag zelfs geprezen omdat zij tijdens de gewelddaden tegen Alevieten in Turkije en bij de oprichting van het Koerdische parlement in Den Haag tot kalmte en verdraagzaamheid opriep. Alleen de dungezaaide kaplançi’s, de volgelingen van de in 1995 overleden 'zwarte imam’ Çemalettin Kaplan uit Keulen, kunnen volgens de dienst voor problemen zorgen. Verder waarschuwt het verslag tegen 'onjuiste beeldvorming of overspannen dreigingsinschattingen’.
DE WAARHEID IS inderdaad ontnuchterend. De islamitische 'volksverhuizing’ waartegen Janmaat en Bolkestein waarschuwen, wil maar niet op gang komen. Islamitische vakbonden blijken niet levensvatbaar en de spaarzame islamitische splinterpartijen stellen zich enkel verkiesbaar bij (deel)raadsverkiezingen, en dan nog zonder veel succes.
Zelfs als alle islamieten in Nederland zich zouden verenigen in een monolitische zuil, is hun numerieke invloed te verwaarlozen. In 1994 berekende het Sociaal en Cultureel Planbureau dat islamieten van alle geloofsrichtingen in het jaar 2020 ongeveer drie procent van de Nederlandse bevolking zullen uitmaken. Om precies te zijn: nog geen drie procent, en dan zijn alle niet-praktizerende islamieten en niet-islamitische migranten uit moslimlanden meegeteld. Dat is evenveel als de gereformeerden of de volgelingen van de 'paracultuur’, de CBS-benaming voor gebedsgenezers, New Age-aanhangers en andere zweefkezen met een hypotheek op de eenentwintigste eeuw.
Bovendien is er geen wettelijke grond voor een inperking van de rechten van moslims, omdat de islam krachtens de grondwet vrijheid van godsdienst geniet. De overheid is verplicht om islamieten te steunen bij het oprichten van scholen, omroepen en gezondheidscentra en bij activiteiten die het algemeen belang dienen, zoals taalcursussen en geestelijke bijstand in het leger of de gevangenis. Alleen bínnen dit kader mag de overheid streven naar integratie en activiteiten verbieden die nu eenmaal aan geen enkele burger zijn toegestaan, zoals het besnijden van meisjes of het plaatsen van vliegtuigbommen - daden waarvan de koran overigens ook in de jongste druk met geen woord rept.
Voor de vereniging van alle islamieten in één zuil zijn de nationale, theologische en sociale verschillen ook veel te groot. De meeste Turkse moskeeën zijn verbonden met het Turkse Directoraat voor Godsdienstzaken, het Diyanet, dat imams en koranleraren naar Nederland uitstuurt en betaalt. De bemoeienis van de Turkse ambassade en Diyanet-functionarissen maakt dit netwerk tot een specifiek Turkse aangelegenheid. De Turkse moskeevereniging Milli Görüs zet zich daarentegen juist af tegen deze staatsislam.
De meeste Marokkaanse moskeeën opereren weer onder Marokkaanse regie, omdat koning Hassan wordt gezien als directe afstammeling van Mohammed en 'bevelhebber der gelovigen’. Groeperingen als het Komitee Marokkaanse Arbeiders Nederland (KMAN) hebben weer niets op met Hassan, die zij beschouwen als een ordinaire moordenaar. Daarnaast leven en werken er in ons land Javaanse moslims, Marokkaanse soefi’s, leden van de Surinaams/Pakistaanse World Islamic Mission en talloze andere groeperingen die hun eenheid zoeken in afzondering.
EEN STROMING DIE in geen enkele zuil past, is de Alevitische islam. Alevieten zijn voorstanders van de scheiding van kerk en staat en van gelijkwaardigheid van de seksen. Ze gaan niet naar de moskee, geloven niet in de goddelijke openbaring van de koran en 'kijken met één oog’, wat wil zeggen dat voor hen alle godsdiensten één en dezelfde god aanbidden.
Naar schatting veertig procent van de 200.000 in Nederland wonende Turken zijn Alevieten, maar zij zijn niet als zodanig herkenbaar omdat ze geen kledingregels aanvaarden, geen ramadan houden en hun kinderen naar openbare scholen sturen. Een groot deel van hen is naar Nederland gekomen om te ontsnappen aan de politieke en religieuze onderdrukking in Turkije. Drie jaar geleden pleegden Turkse fundamentalisten een aanslag op een hotel in Sivas waar de Alevitische schrijver Aziz Nesim, de vertaler van de Duivelsverzen in het Turks, een lezing zou houden. Daarbij vielen 37 doden, een gebeurtenis die Alevieten niet snel zullen vergeten.
Het huidige netwerk van mosliminstellingen lijkt in geen enkel opzicht op de katholieke, protestantse en socialistische zuilen van weleer. Het is een lappendeken van etnische en politieke clubs die hoogstens voor de vorm - dat wil zeggen voor het innen van subsidies - samenwerken. Zonder de belangstelling van de overheid zouden de diverse 'koepels’ als los zand uit elkaar vallen. Er is geen islamitische begeleiding van de wieg tot het graf, geen geestelijk toezicht op de vrijetijdsbeoefening, zelfs geen islamitische geitenfokvereniging.
De Nederlandse vrees voor islamitische verzuiling is zwaar overtrokken, zo blijkt uit een grote overzichtsstudie getiteld Nederland en zijn islam die over twee weken bij uitgeverij Het Spinhuis verschijnt: 'Met het schema van de Hollandse verzuiling in het achterhoofd zouden we islamitische dag- en weekbladen verwachten, eigen vakbonden en standsorganisaties, politieke partijen, woningbouwcorporaties, kraamklinieken en andere gezondheidsinstellingen, eigen middelbare scholen, universiteiten en hogescholen, en misschien zelfs islamitische emigratiestichtingen. Echter, niets van dat alles.’
MEDE-AUTEUR en inspirator van het onderzoeksproject, de Amsterdamse hoogleraar Rinus Penninx, ziet op Nederlandse bodem hooguit een 'gekerstende islam’ ontstaan. Penninx: 'Ik verwacht dat de islam de structuur van de Nederlandse georganiseerde godsdiensten zal overnemen. Moslims zullen zich organiseren in kerkgenootschappen binnen het kader van onze traditionele wet- en regelgeving, inclusief de scheiding van kerk en staat. De eerste generatie is nog sterk gebonden aan moskee-organisaties uit het land van herkomst, maar een groot deel van de tweede generatie voelt zich al thuis in zelfstandige Nederlandse organisaties.’
Behalve de praktische bezwaren is er de principiële vraag naar het nut van een Nederlandse moslimzuil. Een groot voorstander van zo'n zuil was drievoudig premier Ruud Lubbers. Nog in 1992, twee jaar na Bolkesteins rede, hield hij vol dat eigen instellingen op ieder gebied de moslims de mogelijkheid boden om zich 'volwaardiger Nederlander’ te voelen. 'Dat wordt dan een eenzaam zuiltje’, spotte Hans van Mierlo een paar weken later in een redevoering op het D66-congres. Volgens Van Mierlo ging Lubbers’ parallel met de katholieke emancipatie rond de eeuwwisseling niet op. De Nederlandse zuilen zijn nu juist verdwenen omdat ze in de moderne samenleving de emancipatie van hun leden belemmerden: 'Alleen de toppen van de zuilen spraken met elkaar. De onderkant integreerde helemaal niet. En nu dat systeem niet meer bestaat, zouden de moslims via een eigen zuil moeten emanciperen?’
Daar komt bij dat de verzuilde katholieken van weleer allemaal Nederlands spraken en dus beschikten over het belangrijkste middel voor hun emancipatie. Op Nederlandse scholen leren islamitische kinderen zo snel mogelijk Nederlands, op islamitische scholen leren ze het eerder af. Uit enquêtes onder moslims blijkt dat twee derde van hen geen prijs stelt op islamitische scholen.
Het enige reële gevaar bestaat in een mentale gettovorming van moslims onder invloed van een uitdijend islamitisch onderwijs en van moskeebewegingen die greep op de jeugd krijgen. In de koepelorganisatie van de dertig islamitische scholen in ons land, de ISNO, doen zich zulke verschijnselen al voor. Het streven van de ISNO reikt veel verder dan de bedoeling om de islam in het onderwijs te integreren, schrijft de Amsterdamse onderwijskundige Metin Alkan. De koran is superieur aan de grondwet zodat, aldus een ISNO-brochure, 'moslims niet kunnen kiezen welke onderwerpen uit de Islam zij wel of niet wensen na te leven. De Islam is een totale levenswijze. Het is daardoor niet mogelijk om over regels te onderhandelen. Dit zou de Islam veranderen en dat is niet toegestaan.’ De bekrompen curricula, kledingvoorschriften en andere regels voor de rond 5500 leerlingen en hun leerkrachten (scheiding van jongens en meisjes, verbod op muziek, dans en tekenen) wettigen de vrees dat hier kleine fundamentalistjes worden gekweekt die volkomen geïsoleerd van de Nederlandse samenleving komen te staan. Zulke indoctrinatie is niet in het belang van de samenleving of van de leerlingen zelf. Hoe gevoelig het ook ligt, de onderwijsinspectie zal vroeg of laat de bezem door deze scholen moeten halen.
HETZELFDE RISICO is aanwezig bij islamitische 'inkeerbewegingen’ zoals Milli Görüs, een autoritaire, pan-Europese beweging die het 'westerse materialisme’ en de democratie afwijst, ook al beloofde de Nederlandse leiding in een recent gesprek met Frits Bolkestein zich netjes aan de regels van de rechtsstaat te zullen houden. Leider van de Milli Görüs, die in Nederland ongeveer 40.000 aanhangers heeft en veertig moskeeën beheert, is de Turkse premier en aanvoerder van de fundamentalistische Welvaartspartij Necmettin Erbakan, die in 1989 in Arnhem verklaarde: 'De Europeanen zijn ziek. Wij beschikken over het medicijn. Heel Europa wordt islamitisch. Wij zullen Rome veroveren.’ Ook de Nederlandse Milli Görüs-secretaris, Ali Yöksel, is een gevaarlijke gek die vorig jaar in Brussel uitriep: 'Democratie is slechts een uitvinding van de mens, een westerse dwaling. In Algerije, Bosnië en Koeweit zien we wat die democratie teweegbrengt. Wij kiezen voor een systeem dat gebaseerd is op de wet van Allah.’
Penninx beschouwt zulke oprispingen vooral als een teken van groeiend zelfbewustzijn onder Turkse jongeren in Europa. Toch ziet hij ook gevaarlijke kanten: 'Vanuit het perspectief van migranten is het verklaarbaar dat ze via zulke bewegingen hun invloed willen maximaliseren. Maar voor de cohesie van de samenleving is het funest, omdat de sterke sociale controle in strijd komt met de individuele vrijheden die in Nederland wettelijk zijn vastgelegd. En het komt de beeldvorming over moslims ook niet ten goede.’
Elk land krijgt de islam die het verdient, luidt de slotsom van Nederland en zijn islam. Ontsporingen zoals die van Milli Görüs mag het Nederlandse volk zich ook aantrekken. De anti-islamitische stemming aan het begin van de jaren negentig is mede debet aan het succes van zulke bewegingen, vooral onder jongeren die er maatschappelijk houvast aan ontlenen.
Maar de invloed van de Nederlandse omgeving is niet enkel negatief. Dat bewijst de pas opgerichte Landelijke Islamitische Vrouwen Organisatie (LIVO), die de kwart miljoen moslimvrouwen in Nederland wil bundelen. 'Ik hoop dat jullie een feministische interpretatie van de koran uitwerken, zoals dat ook met de bijbel is gedaan’, zei het VVD-kamerlid Cherribi tijdens de feestelijke oprichting. Dat waren de initiatiefneemsters vast van plan, en ze zijn niet de enigen. In maart organiseerden moslimvrouwen onder de noemer Moslima in het Amsterdamse Soeterijntheater een goedbezochte serie lezingen en theatervoorstellingen waarin de 'vrouwelijke’ visie op de koran centraal stond. Binnenkort start Moslima een serie debatten en workshops met islamitische geestelijken.
Arme imams. Hebben ze eindelijk de gelovigen bijeengebracht in hun gesubsidieerde moskee en dan klopt - inshallah - de feministische islam aan de poort.
Op 26 november om 20.00 uur vindt naar aanleiding van het boek Nederland en zijn islam een discussie plaats in De Rode Hoed in Amsterdam.