Nederfilm

Twee cameramannen in gesprek. Zegt de een tegen de ander: ‘Film wordt in Nederland klein gehouden.’ Vervolgens is het hek van de dam. Ze dromen hardop van massascènes met twintigduizend figuranten en effecten en trucages die de grootsheid nog vergroten. Ze waren misschien gekomen om elkaar tegen te spreken, maar hun groteske verbeeldingen liepen synchroon.

Het is na te lezen in het augustusnummer van Skrien. Ik heb daar meer in gelezen. Augustus is een goede leesmaand. Her en der door het blad verspreid werd er meer over de Nederlandse film beweerd. Veel treurigheid natuurlijk - want wie durft er op een kerkhof vrolijk te doen - maar ook onverbeterlijk optimisme. Een producent draagt als oplossing aan dat er betere films moeten worden gemaakt. Het staat er echt. Alsof iedere film niet gewoon de beste moet zijn. Een andere producent is eerlijker. Die vindt gewoon dat er duurdere films moeten worden gemaakt. En wat dure films zijn kun je lezen in die keurig uitgeschreven mop van die twee cameramannen.
Ook grappig en nog eerlijker is het stukje van columnist Wim Verstappen. Het is zijn laatste bijdrage. Hij heeft niets meer te melden over het kleine of het grote van de Nederlandse film. Voor hem ligt het opmerkelijk eenvoudig. Er moet meer geld komen en Nuis lijkt daartoe niet bij machte. Verstappen vindt het zielig, maar kan er niets meer over zeggen. Ik voel met hem mee. Meer geld is nooit weg, maar dat is geen bijzondere bewering. Dit neemt niet weg dat menig ander dan Verstappen met graagte de oplossing blijft verkondigen. En dat cameramensen om meer werk vragen en distributeurs om meer beschikbare bioscoopdoeken.
Meer geld. Meer films. Meer werk. Meer doeken. En wat is er dan op die doeken te zien? En wie gaan daar naar kijken? Dat komt vanzelf, beweert dan een filmmaker. Eerst het aanbod. Dan de vraag. Er moet van alles meer komen en dan bloeit de Nederlandse film vanzelf. Ik kom hier zo op terug. Eerst iets over een paar andere artikelen. Bijvoorbeeld over een interview met Aurelio Grimaldi. Grimaldi komt aan het woord over zijn laatste speelfilm. Om het simpel te zeggen gaat die film over het seksleven van Pasolini. Grimaldi wordt aangesproken als een deftige en belangrijke Italiaanse regisseur. Ik zal geen kwaad woord over Grimaldi zeggen. Ik vind Grimaldi een geweldige filmmaker, maar in eigen land is hij een marginale figuur. Een paria. Een vreemde provinciaal die vanuit het verre Palermo goedkope en controversiële films maakt. Die ook nog rare kitscherige videodocumentaires maakt voor de lokale omroep. Die romans schrijft die hij vervolgens zelf verfilmt. Die homofilms maakt zonder homo te zijn en die als keurige burgerman het leven in de goot verfilmt. Grimaldi is in Italië spraakmakend, maar verre van gevestigd. Zeker niet deftig.
Ook niet deftig is Kitano Takeshi. Ook een favoriet die in Skrien met veel respect wordt aangesproken. Kitano maakt meesterlijke Japanse gangsterfilms. De beste zijn die waarin hij zelf meespeelt. Alleen hij kan lopen zoals je denkt dat een Japanse gangster lopen moet. Ik vind Kitano een geweldige filmmaker, maar in eigen land wordt hij niet beschouwd als cineast. Hij is een populaire televisiekomiek die zo nu en dan ook wat vreemde films maakt. Een soort uit de hand gelopen hobby.
Terug naar het grote of kleine in de film van Nederland. Voor een bloei van de Nederlandse film is meer nodig dan geld. Er zijn ook Grimaldi’s nodig en Kitano’s. Filmmakers die liever provinciaalse verhalen vertellen over kleine criminaliteit dan lang stil te blijven staan bij het ontbreken van twintigduizend figuranten. Ik besef heel goed dat je zelfs met tien Grimaldi’s en tien Kitano’s nog geen Nederlandse filmindustrie hebt. Maar beseffen de mensen die roepen om meer geld wel dat het zonder een Grimaldi of een Kitano eigenlijk niet zo nodig hoeft? Ken je die mop van die twee cameramannen?