Nederfilm

Het is bekend. Treinreizen is geen pretje. Niet alleen moet je instappen waar je niet bent en uitstappen waar je niet wilt zijn, maar je moet je smalle bankje delen met iemand die je niet kent of wilt kennen en luisteren naar antwoorden waar je niet om hebt gevraagd. En na het december/januari-nummer van Rails (ja, de treinglossy met ‘het tweeduizend-gulden-per-uur-interview’ met Harry Mulisch) kan ik daaraan toevoegen: in de trein moet je lezen wat je nooit had willen weten.

Behalve het prijzige vraaggesprek met de majestueuze schrijver bevat het glimblad een groepsinterview met de grote hoop van de Nederlandse film. Vijf jonge veelbelovende filmmakers zijn opgetrommeld om te poseren voor een leuk bedoelde foto op de cover en om tijdens een gezellig etentje van gedachten te wisselen over wat volgens de aanstormende cineasten de beste films aller tijden zijn.
Aan tafel zaten Eddy Terstall (Hufters & Hofdames), Jean van de Velde (All Stars), Mike van Diem (Karakter), Paula van der Oest (Nieuwe Moeder) en Robert-Jan Westdijk (Zusje). Over maar liefst twaalf pagina’s zijn de oppervlakkige algemeenheden van de filmhistorisch analfabete filmmakers uitgesmeerd. Ik geloofde soms mijn ogen niet tijdens het lezen. Uit het veld geslagen over de vervlogen hoop op een betere Nederlandse film in de toekomst waarin dit gezelschap het in de filmwereld voor het zeggen krijgt, vergat ik in Rotterdam uit te stappen.
Als verdoofd herlas ik in de stationsrestauratie van Dordrecht het kringgesprek. De smaak van de jonge filmmakers bleek op een deprimerende manier doorsnee te zijn. De Nieuwe Moeder riep direct aan het begin van het gesprek dat het moest mislukken, en dat blijkt achteraf haar enige zinnige opmerking te zijn geweest. Ze verschuilt zich achter de films die ze niet heeft gezien: ‘Ik heb ET niet eens gezien, misschien vind ik dat wel de beste film.’
Ze zegt het zonder spoor van ironie. Bijna alle andere films die door haar en ook door de heren filmmakers worden genoemd, zijn overbekend en, naar blijkt, toch maar weinig begrepen. Niemand kan alles zien, dus wat zou je je druk maken om de films die je nog niet kent? Alleen een film die als met een bijtend zuur in je hersenpan is geëtst, kan kans maken op de status 'beste aller tijden’.
Het gesprek lijkt verdacht veel op de conversatie van een verjaarsvisite met mensen die beroepsmatig niets met film te maken hebben. Er worden overbekende titels genoemd (van Una giornata particolare tot Once Upon a Time in the West en van Turks fruit tot One Flew Over the Cuckoo’s Nest). De verhaaltjes van films worden naverteld en er wordt wat gemopperd op films die niet zouden 'kloppen’. En ze lijken zich te generen voor de Nederlandse film. Alsof ze er niet bij horen. Nergens een vonk passie. Nergens een glimp inzicht in de magie van film en de vele verborgen schatten die zijn begraven op de minder toegankelijke terreinen van de filmgeschiedenis.
Ik viel in slaap. In een onrustige droom verscheen de bende van Hufter, All Stars, Karakter, Nieuwe Moeder en Zusje. In koor werd er geroepen: 'En wat vind jij dan de beste film?’
Zwetend werd ik wakker terwijl ik Pentimento prevelde. Vanuit een resterende flard van de droom hoorde ik de Nieuwe Moeder nog net roepen: 'Van wie is die obscure Italiaanse film?’ 'Frans Zwartjes’, zei ik toen luid en duidelijk. Ik wilde haar nog naroepen: 'Waarom zou je je moeten schamen voor een Nederlandse film of filmmaker?’ Maar de Nieuwe Moeder was al buiten gehoorsafstand. Weer was ik Rotterdam voorbij. In de woonplaats van de zwarte meester stapte ik weer over voor mijn ultieme poging om Rotterdam te bereiken.
Als Mulisch dit filmmakersinterview van tevoren had kunnen lezen, als hij had kunnen bevroeden met welke onnozele halzen hij de pagina’s zou moeten delen, had hij geen tweeduizend gulden per uur gevraagd voor zijn interview, maar zeker twee miljoen.