HOLLANDSE VERLICHTING

Nederland als centrum van de wereld

Jonathan Israel Radicale Verlichting: Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden
Van Wijnen, 944 blz., € 69,50

Toen Jonathan Israel in 2001 zijn volumineuze en ontzagwekkende Radical Enlightenment publiceerde, gaven nogal wat Nederlandse recensenten schroomvallig blijk van een zeker intellectueel patriottisme. Heel lang had immers het beeld bestaan dat de Republiek in de enorme intellectuele revolutie die zich in de zeventiende en achttiende eeuw had voltrokken vooral een passieve rol had gespeeld. Dankzij de veelgeroemde vrijheid en tolerantie – die bij nader inzien ook hun beperkingen kenden – was ons land een veilige haven geweest voor belangrijke denkers die elders in de problemen kwamen met kerkelijke en/of wereldse overheden. Descartes, Locke en anderen konden hier hun controversiële en revolutionaire theorieën uitwerken. Allerlei boeken die elders als subversief werden beschouwd, werden hier gedrukt en vonden een weg naar de rest van Europa.
Akkoord, met Spinoza had Nederland een denker van internationaal formaat geleverd, maar volgens hedendaagse maatstaven was hij een allochtoon van de tweede generatie en bo vendien zou zijn werk pas veel later op waarde worden geschat. Verder speelde Nederland in de Verlichting geen be langrijke rol. Dat was toch in de eerste plaats een zaak van de Franse philo sophes geweest, die trouwens vooral hadden voortgebouwd op het werk van Engelsen als Newton en Locke.
Maar ineens was Israel daar, met zijn stelling dat het begin van de Verlichting al rond 1650 moest worden gedateerd en dat het epicentrum van deze culturele aardbeving zich in de Republiek der Verenigde Nederlanden had bevonden. Reeds voor zijn dood in 1650 werden de denkbeelden van Descartes op de Ne derlandse universiteiten heftig bediscussieerd, en nadat de ontberingen aan het hof van de koningin van Zweden hem fataal waren geworden, begon het cartesianisme hier een ware triomftocht. De filosofische consequenties van Descartes’ methodologie werden in de kwart eeuw hierna zichtbaar in het werk van Spinoza. Diens werk was niet alleen al zo radicaal dat de hele verdere Verlichting niet méér was dan een uitwerking, en vaak afzwakking, van Spinoza’s denkbeelden, ook laat Israel zien dat zijn werk nog bij zijn leven immense invloed uitoefende.
De uitgever van de Nederlandse vertaling van dit ongelooflijk belangrijke boek heeft het belang van Nederland voor de Verlichting nog eens extra onderstreept. Zo is de redelijk neutrale ondertitel, Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750, veranderd in de enigszins naar de jaren dertig ruikende werftekst: Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden. Hoewel het stofomslag van deze vertaling, die veel meer illustraties bevat dan het origineel en waarin gelukkig alle Nederlandse citaten in de oorspronkelijke bewoording zijn weergegeven, op het eerste gezicht op de editie van Oxford University Press lijkt, is er ook hier een significant verschil. Staan op die editie, onder de indringende ogen van Spinoza, portretjes afgebeeld van Tschirnaus, Leibniz, Descartes, Newton, Diderot en Locke, op de Nederlandse uitgave zijn deze vervangen door Nederlanders als Wittichius, Beverland, Bekker, Nieu wentijdt, ’s-Gravesande en de in Rotterdam werkende Bayle.
Hiermee wordt Israels nadruk op het belang van Nederland eigenlijk buiten proportie opgeblazen en kijkt de lezer vermoedelijk vreemd op wanneer hij in de loop van het boek uitvoerige hoofdstukken tegenkomt over Leibniz, Newton en Locke, het Engelse deïsme, Diderot en de Verlichting in Italië, Spanje, Portugal, Duitsland en de Baltische staten. De kracht van het boek schuilt nu juist in het feit dat Israel zo’n breed terrein bestrijkt en zich met groot gemak door de gehele Europese Republiek der Letteren be weegt. Hij benadrukt zelfs dat nationale grenzen nauwelijks een rol speelden en dat historici die onderscheid maken tussen bijvoorbeeld Franse, Engelse, Schotse, Boheemse en andere «Verlichtingen», het bij het verkeerde eind hebben. Er waren volgens hem slechts twee Verlichtingen: de gematigde, die zocht naar een compromis tussen ratio en geloof, en de radicale, die stelde dat die twee onverenigbaar waren.
Iedereen die sinds 2001 over Israels meesterwerk heeft geschreven, heeft zich gehaast duidelijk te maken dat het hier om een ongelooflijke prestatie gaat, dat het belang van dit boek nauwelijks overschat kan worden. Vooral de duizelingwekkende eruditie van de auteur, die over een ongeëvenaarde kennis van de primaire bronnen beschikt, doet iedereen deemoedig in het stof knielen. Maar uiteraard is ook dit boek niet boven alle kritiek verheven.
Zo wees de Renaissance-kenner An thony Grafton (Times Literary Suplement van 9 november 2001) erop dat aan het feit dat Israel zich vooral op primaire bronnen heeft gericht ook een nadeel kleeft. Zijn toon is namelijk uiterst polemisch en hij zet zich duidelijk af tegen allerlei oudere interpretaties van de Verlichting, zonder echt met de betreffende auteurs in discussie te gaan en de lezer inzicht te verschaffen in de debatten die onder historici zijn gevoerd. Bovendien geeft hij volgens Grafton niet aan welk verband er is tussen de sinds de vijftiende en zestiende eeuw opkomende filologie en bijbelkritiek en de Verlichting. De aanval op de autoriteit van talloze sacrosancte geschriften begon immers niet met Spinoza.
In zijn The Enlightenment and Religion (Manchester University Press, 2003) heeft S.J. Barnett kritiek op de grote rol die Israel toekent aan het deïsme als beweging die zorgde voor de verspreiding van radicale Verlichtingsdenkbeelden. Hij is de Europese deïsten gaan tellen en kwam tot de conclusie dat er weinig waren en dat zij zo sterk van elkaar verschilden dat onmogelijk van een deïstische beweging kon worden gesproken. Hij maakt duidelijk dat de kerken er belang bij hadden de invloed van het deïsme te overdrijven, en dat veel historici hier in zijn getrapt.
De grote Hobbes-kenner Noel Malcolm (Aspects of Hobbes, Oxford University Press, 2002) heeft zich verzet tegen de wijze waarop Israel de betekenis van Spinoza heeft onderstreept, ten koste van onder meer zijn eigen held. Hij laat zien dat Israel Hobbes ten onrechte afschildert als veel minder radicaal in filosofisch opzicht, en dat feitelijk alleen op grond van het feit dat Hobbes geen radicale democraat was. Ook de invloed van Hobbes op de intellectuele debatten van zijn tijd wordt door Israel enigszins gebagatelliseerd.
Bovendien stelt Malcolm de vraag of het scherpe onderscheid tussen een radicale en gematigde Verlichting wel zo gelukkig is. Doordat hij het vage begrip «moderniteit» koppelt aan de radicale variant van de Verlichting wekt hij de indruk dat de radicalen de voorhoede vormden en de rest er een beetje achteraan sukkelde en nog slechts wat achterhoedegevechten leverde. Hierdoor lijkt het erop alsof gematigde Verlichters als Locke, Newton en Voltaire weliswaar hun belang hebben gehad, maar dat ze op een belangrijk punt toch de boot hebben gemist. Israel biedt hier ruimte aan een nogal ahistorische benadering van de Verlichting. En dat terwijl er tegenwoordig door velen toch al met een zwaar anachronistische bril naar de Verlichting wordt gekeken en een karikatuur van het zeventiende- en acht tiende-eeuwse den ken wordt gezien als het fundament van de westerse beschaving.
Uit het interview in De Groene van 17 december 2004 bleek duidelijk dat Israel weigert te erkennen dat de Verlichting ook schaduwzijden heeft gehad en dat het uitsluitend de radicale Verlichtingsdenkers zijn die ons heden nog iets te zeggen hebben. Er zijn vanaf de achttiende eeuw tal van critici geweest die hebben gewezen op de beperkingen en gevaren van het rationalisme, de universalistische pretenties en het radicale individualisme van de Verlichting. Dit waren niet alleen rabiate vijanden van de Verlichting als Joseph de Maistre en Juan Donoso Cortés, die terugverlangden naar het klerikale en monarchistische absolutisme van het ancien régime, maar ook denkers die waren gevormd door de Verlichting, zoals Edmund Burke, Giambattista Vico en Immanuel Kant. Isaiah Berlin heeft erop gewezen dat die laatste categorie denkers doorhad dat het filosofisch monisme van Spinoza de werkelijkheid net zozeer vertekent als veel religieuze dogma’s dat doen. Daarom waren zij voorstanders van het pluralisme, de erkenning dat er in het leven diverse einddoelen kunnen bestaan, die niet allemaal compatibel zijn. Dat Berlin dergelijke critici onder één noemer, die van de Contra-Verlichting, probeerde te brengen was echter een wat minder gelukkige keuze. Hiermee werd immers een tegenstelling ge suggereerd die in werkelijkheid veel min der scherp was. Het is de verdienste van het onlangs verschenen boek van Louis Dupré, The Enlightenment and the Intellectual Foundations of Modern Culture (Yale University Press, 2004), dat het allerlei critici van de radicale Verlichting waar Israel zo op focust expliciet betrekt bij zijn beschrijving van de intellectuele ontwikkelingen die zich vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw vol trokken.
Dit alles neemt echter niet weg dat iedereen die mee wil praten over onze «leidcultuur» en onze «westerse be schaving» onverwijld het magistrale boek van Israel moet lezen.