Verdeeld land Suggesties voor vreemdelingenbeleid

Nederland, Balkanland

Ga eens maanden hangen in Spangen en Delfshaven en je begrijpt: de opkomst van Geert Wilders is niet zo gek, de natuurlijke grenzen van het immigratiebeleid zijn bereikt.

ONLANGS MELDDEN alle kranten dat 58 procent van de Turkse Nederlanders vindt dat er te veel migranten zijn. Dat geeft toch wel te denken. Allochtonen die zeggen dat er te veel allochtonen zijn. Toen hij nog minister was, verklaarde Eberhard van der Laan dat de toestroom van laagopgeleide ‘importbruiden’ onze spankracht te boven gaat. Ook dat klonk zorgwekkend. Ons schoolsysteem begint te kraken in zijn voegen - lees het dramatische verslag dat onderwijsjournalist Anja Vink publiceerde in haar boek Witte zwanen, zwarte zwanen. Toen ze zelf nog als docent werkte ontdekte ze dat in haar derde klas vmbo bijna de helft van haar leerlingen niet behoorlijk kon lezen en schrijven en kon worden bestempeld als 'functioneel analfabeet’. In de derde klas vmbo! Autochtonen verlaten massaal de stadswijken zodra hun eigen straat door de instroom van migranten radicaal begint te kantelen. In Het land van aankomst schrijft Paul Scheffer: 'Het moet toch te denken geven dat in een tamelijk ontspannen en open samenleving als die van Nederland een wrokkige opstand van burgers zo snel om zich heen kon grijpen.’ En zich dus kan vertalen in 24 zetels voor de Partij voor de Vrijheid.
Kent onze spankracht grenzen? Niet alleen materiële en bestuurlijke maar ook psychologische grenzen? En dat niet alleen bij de absorptie van importbruiden maar eigenlijk bij alles? In 2009 werden we geconfronteerd met een economische crisis. In dat jaar van afnemende spankracht nam de toestroom van migranten uit de Derde Wereld juist toe. Wordt het niet tijd om een adempauze in te lassen? Het vreemdelingenbeleid is de afgelopen jaren aangescherpt. Toch heeft dat kennelijk onvoldoende soelaas geboden. Er zijn uiteraard ook natuurlijke grenzen aan dat beleid. Zo kunnen we moeilijk de vereiste minimumleeftijd voor importbruiden op vijftig jaar gaan stellen. We moeten, denk ik, hoe vervelend ook, op zoek naar nieuwe, aanvullende maatregelen.

EERDER DIT JAAR publiceerde ik een boek over segregatie in ons eigen land. Nou ja, eigenlijk ging het boek - Café Mogadishu: Omzwervingen door het andere Nederland - over de islam en moslimmigranten. Maandenlang zwierf ik door wijken als Spangen en Delfshaven in Rotterdam, de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam en de Schilderswijk, de Laak en Transvaal in Den Haag. Wat mij met name opviel waren de scherpe scheidslijnen die nu door onze steden lopen. De Randstad begint in dat opzicht steeds meer op de Balkan te lijken, met dien verstande dat bij ons de sociaal-culturele verschillen schriller zijn dan daar.
Een stad als Den Haag bestaat nu eigenlijk uit twee steden, uit twee werelden, met elk eigen gedragscodes en consumptiepatronen en vooral ook eigen 'waarden en normen’. Neem de Hoefkade, de bonte, kilometerslange straat die als een slagader door die 'andere’ stad loopt. De horeca - inclusief mijn geliefde Café Mogadishu - is er van het begin tot het einde alleen voor mannen. De enige uitzondering is de Arbil. Daar heeft de eigenaar, een Koerdische vluchteling uit de Noord-Iraakse stad Arbil, in de eetzaal een soort tuinschutting geplaatst. Boven het poortje staat met sierlijke letters 'familiehoek’. Ongehinderd door gulzige mannenblikken kunnen moslima’s daar van hun maaltijd genieten. Zo is dat ook in Saoedi-Arabië geregeld. Daar zijn zelfs in Amerikaanse ketens als Burger King en McDonald’s tot aan de kassa schuttingen geplaatst om mannen en vrouwen gescheiden te houden. De onlangs opgeheven Luchroom Beer bij de ingang van de Haagse Markt bood een andere oplossing: de moslima’s aten buiten. De bestellingen werden door een raam uitgeserveerd. Dus wij, mannen, zaten knus binnen en de vrouwen aten - staand - buiten.
De afstand die nu tussen mannen en vrouwen in grote delen van Den Haag de rigueur is, komt nog scherper tot uiting bij wat ik in mijn boek het 'Nieuwe Kijken’ noem. Ik doel daarmee op de vrome, zedige, op de grond gerichte blik waartoe de imams de moslimzusters - en niet te vergeten de moslimbroeders - regelmatig oproepen. Het is een manier van kijken die niet goed aansluit bij onze nogal brutale Hollandse volksaard. In de moskee wordt gewaarschuwd dat Satan zit te wachten op dat fatale moment waarop een vrouw zich laat gaan en haar blik toch de blik van een man kruist. In een stuk of tien Haagse wijken is dat Nieuwe Kijken inmiddels de dominante norm; het wordt door moslima’s gebruikt als een soort virtuele boerka: in de publieke ruimte scheiden zij zich ermee af van de 'ander’.
Veel migranten zijn naar ons land gekomen niet vanwege maar ondanks onze Hollandse waarden en normen; niet vanwege onze zondige levensstijl, maar ondanks onze zondige levensstijl; niet omdat de vrouwen hier vrijgevochten zijn, maar ondanks die vrijgevochtenheid; niet vanwege onze haram etenswaar en boulevardbladen en alcohol en reclames, maar ondanks dat alles. Bijna overbodig waarschuwt de website van de Amsterdamse El Ouma-moskee de gelovigen om toch vooral weg te blijven op feestelijkheden - verjaardagsfeesten, Sint-Maarten, Sinterklaas, Kerstmis, jubilea - van niet-gelovigen. 'Hoe kunnen we ze feliciteren met het feit dat ze ongehoorzaam zijn aan Allah?’
Onze steden bieden migranten de ruimte om zich vrijwel volledig aan dat vunzige leven te onttrekken. Vanaf de kruising van de Vaillantlaan met de Hoefkade kun je een uur lang stevig doorstappen - bijvoorbeeld via de Laak en de Spoorwijk naar de Molenwijk of via het Transvaalkwartier en de noordzijde van het Zuiderpark naar Bouwlust - zonder dat 'andere’ Den Haag te verlaten. De parallelle samenleving is wat omvang betreft het kritische punt waarop aanpassing aan Nederlandse waarden en normen misschien nog voor de hand lag al lang gepasseerd. Is dat erg? Op zich niet. Zeker vanuit een ethisch standpunt is het bestaan van een meervoudig Nederland te verdedigen. Heeft niet een ieder het recht zijn of haar leven naar eigen inzicht in te richten? Er is echter een complicatie: in een land waar weinig cohesie en solidariteit zijn en waar de mensen geen gedeelde geschiedenis hebben en geen - zelfs maar vage - consensus over de toekomst kan de boel gemakkelijker ontsporen.

VOOR HET MINISTERIE van Buitenlandse Zaken heb ik enkele jaren in Kosovo en Bosnië gewerkt. Ik ben daardoor redelijk goed bekend met Mostar en ook met de Noord-Kosovaarse stad Mitrovice, twee steden waar, gescheiden door een rivier, aan de ene kant christenen wonen en aan de andere kant moslims. In beide steden vierde segregatie hoogtij en in beide steden is zwaar gevochten. Ik weet het, de conflicten op de Balkan kunnen niet worden gereduceerd tot godsdienstoorlogen. Daarvoor zijn ze veel te complex. Maar toch speelden cultureel-religieuze aspecten vaak een grote rol. Niet voor niets waren in Kosovo juist moskeeën en kerken en kloosters geliefde doelwitten. Soms waren op de Balkan de scheidslijnen voor een buitenstaander niet eens zichtbaar, maar bleken ze wel degelijk te bestaan en als het ware in het collectieve geheugen van de lokale bevolking te zijn geformatteerd.
Dat merkte ik in de Macedonische stad Tetova, even ten zuiden van Kosovo. In het voorjaar van 2001 brak er een burgeroorlog uit. Gelukkig kon die brand met internationale bijstand nog net op tijd worden geblust. Op 16 maart 2001, de eerste dag waarop het misging, was ik toevallig in Tetova. Toen ik er ’s ochtends vanuit Pristina arriveerde, was het er vredig. Er werd druk gewinkeld en de cafés zaten vol. Goh, wat een leuk stadje, dacht ik nog. Enkele uren later werd er volop geschoten, vooral vanuit de heuvels boven de stad. Tetova bleek een mozaïek te zijn van enerzijds moslim-Albanese en anderzijds christelijke Slavische enclaves. Iedereen moest opeens van straathoek naar straathoek rennen, dekking zoekend in portieken en steegjes. Voor enkele dagen was Tetova een Sarajevo. Maar in de geschiedschrijving over de woelige Balkan zal 'Tetova’ gelukkig hooguit een voetnoot zijn.
Op de Balkan zijn ook steden met een gemengd moslim-christelijke bevolking waar het wél goed ging. Bijvoorbeeld Novi Pasar, de hoofdstad van de Servische provincie Sandzjak. De Sandzjak ligt als een buffer tussen Bosnië en Kosovo. Toen er in Bosnië gevochten werd, bleef het in de Sandzjak rustig. En toen er enkele jaren later in Kosovo gevochten werd, bleef het opnieuw in de Sandzjak rustig. Ook in Afrika zijn gebieden waar moslims en niet-moslims vrijwel wrijvingsloos naast elkaar leven. Rwanda, Burundi, Kenia, Oost-Congo en Tanzania zijn goede voorbeelden. Maar meer in het algemeen geldt dat het helaas makkelijker is om gebieden te noemen waar het de afgelopen decennia misging. Libanon. Irak. Nagorni-Karabach en Georgië, Tsjetsjenië, Dagestan op de Kaukasus en het onverwachte, bloedige conflict tussen christenen en moslims op de Molukken. Of neem de Kristallnacht die volgde op de uitroeping van de sharia-wetgeving in Soedan. Die gebeurtenis leidde tot een exodus van Armeniërs, Grieken en Kopten. Ze hadden al generaties lang in Soedan gewoond. Met hun hotelletjes, bars, winkels en restaurants vormden ze een klein, maar niet onbelangrijk segment van de Soedanese middenstand. Ze spraken Arabisch en hadden zich geïntegreerd. Maar ze wisten na die nacht dat er voor hen geen plaats meer was.

IN NEDERLAND BLIJFT optimisme bestaan over de integratie en over de inpassing van de islam in onze samenleving. En op een aantal punten - kennis van de Nederlandse taal, participatie in het hbo - gaat het met de integratie ook inderdaad de goede kant op; lees maar Hoezo mislukt? De nuchtere feiten over de integratie in Nederland van journalist Frans Verhagen. Maar met name bij de absorptie van een assertieve, wereldwijd opbloeiende islam kunnen vraagtekens worden gezet. Dat roept de vraag op: en als het nu eens níet lukt? Wat dan?
Onlangs schreef de Amerikaanse econoom Kenneth Rogoff een boek onder de titel This Time Is Different. Het gaat niet over de islam en over integratie, maar over de jongste economische crisis. Hij beschrijft de nonchalance van de Wall Street-bankiers en van zijn collega-economen, die de broosheid van het nieuwe financieel stelsel met zijn ingewikkelde constructies wegwuifden. Debt default swaps - hoezo riskant? Alles was door mathematici doorgerekend en alle denkbare risico’s waren afgedekt. En ging het ook niet zo bij de internetzeepbel? De voorspelde beurswaarde van World Online was gelijk aan die van Unilever. Als je eraan twijfelde, was je een beetje zielig. Zo lijken nu ook veel mensen in de integratiebranche in de ban te zijn van This Time Is Different-denken. Ze vinden, vermoed ik, dat wij in West-Europa gewoon anders zijn. We zijn hier geen Balkan en al helemaal geen Kaukasus.
Waarschuwingstekens als de opkomst van de PVV en de geruisloze, maar massale uittocht van autochtonen uit de steden worden door hen en door 'de politiek’ meestal gebagatelliseerd. Slechts op ongewone momenten - bijvoorbeeld direct na de moord op Theo van Gogh - lijkt te worden erkend dat het zelfs langs de band van een toch relatief klein incident tot een enorme clash tussen autochtoon en allochtoon Nederland had kunnen komen. Slechts weinigen kwamen ervoor uit dat zij zich ook lang voorafgaand aan die moord al ongemakkelijk voelden. Een van hen was de uit Somalië gevluchte schrijfster Yasmine Allas. Op een herdenkingsbijeenkomst voor Van Gogh sprak zij de woorden: 'Als je uit een oorlogsland komt, dan weet je wat haat en onverdraagzaamheid in een samenleving teweeg kunnen brengen. Als ervaringsdeskundige ruik je de veenbrand nu eenmaal eerder.’
Willen we de grenzen opzoeken van wat onze samenleving aankan? Of kiezen we ervoor om pas op de plaats te maken? Ons land is gevoelsmatig zeker niet overbevolkt. Dat wordt wel bewezen door de migratie vanuit de oostelijke provincies richting drukke Randstad. Het valt niet te ontkennen: we houden van vol. Maar het huidige tekort aan sociale cohesie zou een goede reden kunnen zijn om zekerheidshalve toch maar een adempauze in te lassen. Om te proberen instroom en uitstroom van migranten in evenwicht te brengen. Veel van de problemen in onze steden hebben te maken met tweede en derde generatie allochtonen. Daar kunnen we niet meer omheen. Maar de netto instroom is wél iets waaraan nog te sleutelen valt.
Hoogleraar sociologie Han Entzinger wees er ooit op dat de - op het toppunt zestigduizend - gastarbeiders de basis vormden voor een Turkse en Marokkaanse gemeenschap van gezamenlijk meer dan zeshonderdduizend mensen. Een relatief kleine instroom kan dus verderop voor een gigantische demografische verschuiving zorgen. Het toelatingsbeleid is de afgelopen jaren aangescherpt. Maar het heeft onvoldoende soelaas gebracht. Er lijkt ook weinig rek meer te zitten in het huidige instrumentarium. We zouden dus nieuwe wegen moeten bewandelen. Veel opties zijn er niet. Toch zou ik - zeker nu een nieuw kabinet geformeerd moet worden - met twee suggesties willen komen.

Steun bij uitburgering
Veel migranten verlaten ons land weer. Volgens nieuwe gegevens van het CBS is 35 procent na zes jaar weer weg. Marokkanen zijn relatief honkvast, maar van de Chinezen is na zes jaar bijna de helft weer vertrokken. Voor velen is Nederland dus meer draaideur dan 'land van aankomst’. Bijna allen vertrekken op eigen kracht. Dat was ook het geval bij bijvoorbeeld de Somalische vluchtelingen, die zich enkele jaren geleden massaal hebben 'uitgeburgerd’. Van de vijftigduizend Somaliërs die hier ooit waren zit nu meer dan tweederde in Engeland. Ook zij deden dat op eigen kracht. Engeland bood betere kansen. Het was in hun ogen minder bureaucratisch, iets wat de van nature ondernemende Somaliërs goed zint.
Als zo veel mensen zonder steun vertrekken, moet er ook een hele categorie migranten zijn die met een beetje steun hetzelfde zouden doen. Er zit een vreemde kronkel in ons beleid. Migratie wordt door Den Haag gezien als iets wat bij mondialisering hoort. Maar zodra migranten hun eerste stap op Nederlandse bodem zetten, zeggen we ze, misschien niet met zoveel woorden maar wel door ons handelen: vanaf nu is het verder afgelopen met je geglobaliseer. Het idee dat Nederland voor sommigen misschien helemaal niet het allerbeste en geschiktste land is, komt bij ons niet eens op. Je moet de Nederlandse taal leren, zeggen we ze. Dit ondanks het feit dat Nederlands in de wijde wereld onbruikbaar is. Je moet voor Nederland kiezen, zeggen we ze. Maar hoe is het destijds eigenlijk allemaal gegaan? Zo'n migrant in spe praat in een theehuis in Nairobi met een mensensmokkelaar. Die zegt: ik kan Canada voor je doen voor zoveel en Finland kost x en Nederland kost y. En dan blijkt dat Nederland een paar duizend euro goedkoper is. Een goede deal. Dus wordt het Nederland. De 'keuze’ voor juist ons land is dus vaak flinterdun.
Tijdens mijn omzwervingen door het andere Nederland ben ik veel mensen tegengekomen die hier verpieteren. Ze zochten een nieuw leven, maar liepen in een fuik. Vandaar dat ik wil suggereren om een deel van het geld dat voor inburgering wordt aangewend - en dat dus vaak sowieso wordt verspild (Nederland/draaideur) - te kanaliseren naar uitburgering. En dat we proberen mensen die hier al enige tijd geleden zijn gearriveerd en nu langzamerhand wel zeker weten dat zij hier nimmer wortel kunnen of willen schieten verder te helpen.

Uittreding - voor tien jaar -
uit het Vluchtelingenverdrag
Technisch gezien is de tijdelijke opzegging van het Geneefse Vluchtelingenverdrag eenvoudig: een brief aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Artikel 44 bepaalt dat er een opzegtermijn is van twaalf maanden. Politiek gezien ligt het natuurlijk moeilijker. Er wordt in Brussel - weliswaar niet erg voortvarend - gewerkt aan een Europees asielbeleid en daar zou de tijdelijke sluiting van het IND-loket niet met gejuich worden ontvangen. Er zouden ook problemen komen met tal van respectabele organisaties, die vinden dat in beginsel iedereen hier asiel moet kunnen aanvragen. De overgrote meerderheid van de asielzoekers - het waren er in de afgelopen twee decennia zo'n 450.000 - is in feite arbeidsmigrant. Er bestaat nu eenmaal geen goede internationale regeling voor arbeidsmigratie.
Een goede kennis van mij is asielzoekster in België. Ze komt uit Afrika, uit het Grote Merengebied, en verblijft al een half jaar in een asielzoekerscentrum met tweehonderd anderen. Volgens haar zijn hooguit acht à tien van hen 'echte’ vluchtelingen. En de rest? Tja, die zitten er dus om andere redenen. De Belgische rechter zal er uiteindelijk wellicht anders over oordelen, maar die krijgt meestal weer niet de verhalen te horen die mijn Afrikaanse kennis wél opvangt. In ons land zal het weinig anders zijn.
Ik ken in het internationaal recht geen ander juridisch instrument dat zo fraudegevoelig is en tóch zo hardnekkig wordt verdedigd. Trouwens ook voor al diegenen die - volkomen begrijpelijk - slechts op zoek naar werk en een beter leven naar ons land komen, kan dat oneigenlijke beroep op het Vluchtelingenverdrag penibel zijn en allerlei gewetensvragen oproepen. Zij moeten hun identiteitspapieren doorspoelen, ze moeten een 'alias’ aannemen en ze moeten hier verder met een levensverhaal dat niet hun échte levensverhaal is. 'Ik heb meegemaakt hoe mijn moeder voor mijn eigen ogen werd gelyncht. Dat beeld zal ik nooit meer kwijtraken…’ - terwijl moeder gewoon nog lerares is in Bujumbura of Kinshasa. Dan is er ook altijd het risico dat je wordt 'gesnapt’. Neem de leden van de Borana-stam die nu als 'erkende vluchtelingen’ in Nederland zijn. De Borana zijn nomaden uit het grensgebied tussen Ethiopië en Kenia. Zij spreken een taal die verwant is aan het Somalisch en, veel belangrijker, hun gelaatstrekken lijken op die van de Somaliërs. Dus konden ze hier vrij eenvoudig asiel krijgen. Maar ze zullen in ons land voor altijd op hun qui-vive moeten zijn.
De opvang van asielzoekers is een dure zaak. Veel van het geld komt echter niet bij de doelgroep terecht. We gebruiken het namelijk voor onszelf. Zo staat op de rijksbegroting voor 2010 in het kapittel inzake de IND een kostenpost van ruim 89 miljoen voor 'Hoofdproduct Asiel’ en van 22 miljoen voor 'Hoofdproduct Voorbereiding Terugkeer’ (sic!). Over tien jaar gerekend kost dus alleen al de afhandeling van asieldossiers binnen die organisatie ruim een miljard euro. Zo'n bedrag steekt schril af bij de armoede van de vluchtelingenkampen in de Derde Wereld. Daar staan vrouwen en kinderen uren in de rij voor een jerrycan water. Er wordt gegeten wat wordt gedistribueerd: rijst, meel, spijsolie, melkpoeder en suiker. Jaar in, jaar uit.
Waarom de besparingen op 'tien jaar geen asiel’ niet ten goede laten komen aan vluchtelingenkampen in de Derde Wereld? Ik zou er zelfs blij mee zijn. Met name in de jaren negentig heeft Nederland naar verhouding veel meer mensen opgevangen dan de meeste andere Europese landen. Dat maakt het makkelijker om te zeggen: sorry, we willen op adem komen en doen nu tien jaar niet meer mee. Ook de - weliswaar weinige - echte vluchtelingen zouden in casu dus tevergeefs aankloppen? Ja. Ook zij zouden zich in een ander land dienen aan te melden. Er zijn geen rechtstreekse verbindingen tussen Nederland en landen als Somalië, Irak en Afghanistan. Vrijwel altijd gaat de reis door een reeks andere landen. Afghanen die de Istanbul-route volgen, passeren minimaal acht landen voordat zij bij ons de grens over komen. Zij zouden hun asielaanvraag dus voortaan, of althans gedurende de adempauze, iets eerder in de landenketen moeten indienen.
Een tijdelijke uittreding uit het Geneefse Vluchtelingenverdrag is natuurlijk een verre van elegante stap. Maar zij zou mijns inziens wel helpen om ons land weer in balans te krijgen, zeker als ook de al bestaande regels rond migratie streng worden toegepast en er bovendien, parallel aan inburgering, ook pro-actief aan uitburgering wordt gewerkt. De door Paul Scheffer gesignaleerde 'wrokkige opstand van burgers’ heeft zich vertaald in de grote opkomst van de PVV. Maar ik wil liever een land dat iets van zijn 'maakbaarheid’ herwint. Een land waar de mensen tevreden zijn in plaats van boos.

Robbert van Lanschot werkt in deeltijd voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel. Zijn boek Café Mogadishu verscheen dit voorjaar bij Mets