Nederland bèta-land

Zelden is het toekomstperspectief voor studenten in de exacte wetenschap zo boeiend geweest. Als íets blijkt uit het onderzoek van De Groene Amsterdammer naar de te verwachten doorbraken in de bèta-wetenschap, dan is het wel dat toegenomen rekenkracht van computers en steeds betere apparatuur leidt tot een enorme databerg, waarin jonge wetenschappers kunnen – en moeten – grasduinen om de problemen van onze tijd op te lossen.

Medium commentaar21 2012 beta

Veel van die vragen gaan dwars door de grenzen van oude disciplines heen: biologie en chemie om voedselvraagstukken op te lossen, natuurkunde en wiskunde toegepast op het milieu, scheikunde voor de geneeskunde. Werk aan de winkel, kortom, voor nieuwe onderzoekers die worden opgeleid om voorbij hun eigen vakgebied te denken. Daan Frenkel, hoofd van de chemiefaculteit van de Universiteit Cambridge, zegt terecht: ‘In de komende eeuw kunnen we ons geen geestelijke gemakzucht ­permitteren.’

Waarom dan toch dat continue tekort aan bèta-wetenschappers in Nederland? Het past niet bij de ambitie, maar kennelijk wel bij de onderwijscultuur: talig en sociaal, puzzelen en rekenen komen op de tweede rang. Zeker, het aantal studenten exacte wetenschappen – natuurwetenschappen, informatica, techniek, industrie en bouwkunde – steeg tussen 1990 en 2011 met 2695 studenten naar een kleine veertigduizend. Maar het totaal aantal studenten steeg veel harder, zodat er relatief steeds minder bèta-studenten zijn: 20,4 procent in 1990 naar slechts 16,5 procent vorig jaar.

In de afgelopen jaren is door politiek, bedrijfsleven én (techni­sche) universiteiten herhaaldelijk opgeroepen hier iets aan te doen. De fme, de ondernemersorganisatie van de technische industrie, stelde deze week voor om het collegegeld voor technische studies af te schaffen. Eerder werd al – door het Platform Bètatechniek en in een Masterplan – gesuggereerd om de technische opleidingen beter te financieren en de studiefinanciering voor bèta-studenten in de masterfase te behouden. Allemaal goede suggesties. Maar het kabinet knikt beleefd en doet niet veel. De bedragen die uiteindelijk beschikbaar zijn gesteld blijven zeer beperkt en de oplossing moet komen uit zaken die geen geld kosten: ‘ambities’ en ‘heldere profilering’ en ‘meer samenwerking’.

Van de politiek zal het dus niet komen. Het is aan het bedrijfsleven en de wetenschap zélf. Hun belangen zijn nauw met elkaar ­verbonden. Beide hebben behoefte aan zo veel mogelijk goede bèta-studenten: het bedrijfsleven om een dreigend kwaliteitsverlies van het personeelsbestand tegen te gaan, universiteiten om een rol te ­blijven spelen bij het oplossen van de grote wetenschappelijke enigma’s van deze tijd. Ze moeten dus de handen ineenslaan.

Bedrijven moeten de portemonnee trekken, beurzen uitdelen en onderzoek betalen. Ze zullen moeten accepteren dat geduld een schone zaak is en dat het rendement niet van tevoren vast te stellen is. Wetenschappers moeten de boer op om hun vak te verkopen, aan toekomstige studenten, het publiek en aan de private sector. En ze moeten luisteren naar Daan Frenkel uit Cambridge als hij zegt: ‘Ik verwerp het onderscheid tussen “nuttige” en “nutteloze” vakgebieden. Het enige onderscheid dat ik accepteer is tussen baanbrekend onderzoek en lopendebandproductie.’ Met andere woorden: bedrijfsleven en wetenschap moeten ophouden kunstmatig een tegenstelling te creëren tussen toegepast en fundamenteel onderzoek.

Beeld: Milo