Hoofdcommentaar: Democratie

Nederland blijft abnormaal

Twee verkiezingen binnen nog geen jaar. Dat is in Nederland niet eerder voorgekomen. Twee dermate drastisch uiteenlopende stembusuitslagen in acht maanden evenmin. Deze Italiaanse toestanden zijn op zichzelf al reden voor reflectie.

Vanaf 6 mei 2002 stond Nederland ondersteboven. De journalist Gerard van Westerloo hing die eerste nacht naar eigen zeggen «kotsend» boven de wc-pot. Negen dagen na de moord op Pim Fortuyn had diens LPF met 26 zetels alle records — van D66 in 1967 tot bejaardenpartijen in 1994 — gebroken. Maar op 22 januari 2003 leek de normalisering al weer in aantocht. Het gechicaneer van CDA en PvdA in de formatie voltrok zich in alle rust, zoals voorheen.

Nu rijst de vraag welke houding het meeste hout snijdt. De panische van na de moord op Fortuyn of de onderkoelde van nu? Afgaande op de herdenkingsartikelen in kranten en de programma’s op radio en televisie is het antwoord niet eenduidig. In de ene bijdrage wordt vastgesteld dat Fortuyn ingevroren taboes heeft laten ontdooien en Nederland heeft gedwongen de boel buiten de ijskast op te ruimen. In andere wordt betoogd dat het oude establishment op vertrouwde wijze slechts wat schikt en plooit, zodat de continuïteit gewaarborgd blijft. Beide diagnoses zijn ten dele waar. Toch klopt er geen bal van.

De opmars van en de moord op Fortuyn hebben Nederland wel degelijk ergens rond de hartstreek geraakt. Was het maatschappelijk verkeer voor zijn entree in de politiek een vorm van beweging met de handrem aan, sinds Fortuyn is het rijden in de hoogste versnelling. «Ik zeg wat ik denk» is in brede kring het vanzelfsprekende adagium geworden. Hypocrisie, ooit het lakmoes van een burgerlijke samenleving die liever niet te veel kwetst, is geen deugd meer maar wordt gezien als bedrog van de achterkamertjes.

Nederland hunkert naar echte leiders, naar mannen die de vermolmde elite opzijschuiven en een nieuwe vestigen die de noden van het volk van a tot z ledigen. De machtsgreep van de benoemde burgemeester Ivo Opstelten ten koste van de gekozen Rotterdamse gemeenteraad illustreert dat. Opstelten, intussen ook host van een talkshow bij de lokale omroep waarin hij zijn beleid uitvent, is de enige echte baas in het bolwerk van Fortuyn. Dat het vervolg op Fortuyns parool — «ik doe wat ik zeg» — her en der minder uit de verf is gekomen, is van later zorg. De houding van minister Heinsbroek na de val van Balkenende I sprak boekdelen. Toen de weerstand te gecompliceerd werd, zat hij weer op het gazon. Want echte leiders worden gevraagd, niet gekozen. Zo makkelijk maakte Fortuyn zich er niet vanaf. In deze delta vol salonrevolutionairen stroomt weinig water. Het is slechts een kwestie van tijd voordat deze sloot weer kan gaan stinken. We staan erbij en kijken ernaar.

In zijn recente boek Niet spreken met de bestuurder waarschuwt Gerard van Westerloo daarvoor. Als verslaggever is Van Westerloo al lang onovertroffen. Tegenwoordig wil hij ook als analyticus pars pro toto staan voor het brede gemoed in Nederland. Twee weken geleden heeft Van Westerloo in NRC Handelsblad een informele dagvaarding betekend om de democratie voor de kadi te slepen.

De democratie wordt in diens requisitoir vertegenwoordigd door vier subsidiaire categorieën. De politieke partijen die zich «hebben getransformeerd tot banenmachines voor hun eigen getrouwen». De volksvertegenwoordigers die «de publieke verdedigers zijn geworden van het door bestuurders en ambtenaren gevonden compromis». De «opeenvolgende regeringen» die de «beslissende debatten voeren in de achterafkamertjes van de werkelijke macht». En de pers die een verlengstuk is van «opgemelde politiek-bestuurlijke brij die de democratie zoniet vermoord dan toch zwaar lichamelijk letsel toegebracht heeft». Nederland is geen dictatuur maar de democratie is er wel een «illusie». In navolging van Nescio smijt Van Westerloo uit: «Straf de verantwoordelijke autoriteiten. Als het kan een beetje hardhandig.»

Als dat inderdaad het perspectief is voor de democratie in Nederland, dan ziet het er somber uit voor zowel «opgemelde» beklaagden in het strafbankje als voor de klagers die zich via de dagvaarding van Van Westerloo civiel hebben gevoegd.

Het gaat er niet om dat deze diagnose onjuist is. De massa democratie, die zich na de invoering van het algemeen kiesrecht met vallen en opstaan heeft ontwikkeld totdat ze in de jaren zestig wegens gebrek aan individuele bevrediging in de vuile wind kwam te staan, is de laatste decennia uit het spoor van de maatschappelijke werkelijkheid gaan lopen. Het gaat om iets anders. Is representatieve democratie niet altijd vergeven geweest van illusies die juist nuttig waren omdat ze tenminste perspectief boden op burger vrede?

Kortom, waarom speelt die vijfde subsidiaire categorie (de burgerij die zich sinds 1918 en niet zonder strijd laat representeren) geen rol in de dagvaarding? Omdat deze opvatting over democratische verhoudingen gemakzuchtig is. Ze suggereert dat elk democratisch tekort uitsluitend te wijten is aan de uitvoerders en dat de opdrachtgevers geen enkele blaam treft. Omdat deze houding misleidend is. Ze maskeert dat de meeste maatschappelijke problemen niet alleen het resultaat zijn van wanbeheer door de vermaledijde Melkerts maar ook het gevolg zijn van de keuzes die vrije burgers voor zichzelf opeisen en anderen niet gunnen.

Een tribunaal biedt geen soelaas. Het wordt tijd voor een begin van een strategie die de burgers niet louter bevestigt in hun wrok, maar prikkelt tot een beetje wroeging.