Nederland en de nieuwe politionele acties

In 1969 gaf J. E. Hueting met zijn optreden het startsein tot een nationaal Indie-debat. Pas afgelopen zaterdag onthulde Hueting in een interview in De Stem zijn eigen aandeel in de oorlogsmisdaden. Uit zijn onthullingen kan men concluderen dat Onze-Jongens-Overzee dan wel geen deel uitmaakten van een moordmachine a la de SS, maar dat er wel jongens onder waren die zich individueel tot een moordmachine hebben opgefokt.

Het eerste voorval dat Hueting beschrijft, deed zich voor toen hij oog in oog kwam te staan met een gewonde tani. ‘Ik wou hem doodschieten maar toen weigerde mijn pistool’, aldus Hueting. Tijdens een tweede voorval ontlaadde een korporaal uit zijn peloton, als enige levend teruggekeerd van een patrouille, zijn woede door zijn mitrailleur leeg te schieten op een hut in de kampong. Hueting: 'Ik heb toen, geloof ik, ook twee mensen afgemaakt.’ Een derde voorval deed zich voor toen Hueting als pelotonscommandant met enige gevangenen terugkeerde van een patrouille. Langs de weg wachtten ze op de truck die hen kwam ophalen. De chauffeur sprong met zijn mitrailleur uit de cabine, zei 'God, ik heb nooit met dat ding geschoten’ en schoot de gevangenen neer. Of deze voorvallen nu ook in de Excessennota zijn terug te vinden, vroeg de interviewer. Hueting: 'In die nota komt niks voor van wat ik heb verteld.’
Hueting zit er niet mee: 'Voor mezelf heb ik de gemoedsrust dat ik het er niet slecht heb afgebracht.’ Over veteranen die aan soortgelijke ervaringen een trauma hebben overgehouden, zegt emeritus-hoogleraar psychologie Hueting: 'Ik heb de grootste minachting voor die koketteerders met hun trauma’s.’ Hueting schaart zich achter degenen die vinden dat niet zij maar de politici moeten worden aangesproken op de in Indie bedreven wandaden.
De politieke leiders van die dagen hebben inderdaad heel wat verantwoordelijkheid op zich geladen. Het is echter al te gemakkelijk om alle verantwoordelijkheid maar op hen af te schuiven. In de gedachtengang van regering en parlement hadden de Nederlandse troepen die naar Indie werden uitgezonden, zich daar als ordebewaarders te gedragen. De militairen waren niet alleen gebonden aan het internationale oorlogsrecht, maar hadden zich ook te houden aan het Nederlandse Politiebesluit, waarvan artikel 10 luidde: 'Hulp verlenen aan hen die deze behoeven.’ Orders van generaal Spoor en van de troepencommandanten prentten de militairen in dat ze tot taak hadden de bevolking te beschermen tegen wat zij als extremistische benden beschouwden.
Er is alle reden de Excessennota van 1969 met nader onderzoek uit te breiden om na te gaan of deze inderdaad slechts het topje van de ijsberg laat zien en om vast te stellen waarom de misdaden die aan het licht zijn gekomen, zo licht zijn bestraft. Nader onderzoek is echter niet alleen vanuit historisch oogpunt van belang. Het heeft ook een actuele betekenis. Nu na de val van de Muur de Navo meer en meer verandert van een strijdmacht in een politieapparaat en Nederland zijn bijdrage daaraan moet leveren, is het zinvol vast te stellen hoe het Nederlandse leger destijds in de gedaante van een politiemacht is opgetreden.
De auteur was Tweede-Kamerlid voor de PvdA ten tijde van de Excessennota.