Nederland en Srebrenica: de processen

Nederland komt er maar niet vanaf. De affaire-Srebrenica staat op het punt een nieuwe en uiterst pijnlijke episode in te gaan.

Het Hollandse thuisfront had al vakanties geboekt toen op 6 juli 1995 de Bosnisch-Servische eenheden van generaal Ratko Mladic de aanval inzetten op het dal rond Srebrenica. Dutchbat, het Nederlandse VN-bataljon dat er gelegerd was, zou spoedig worden afgelost. Het ministerie van Defensie werd overspoeld met angstige vragen van familieleden en koos voor een ‘afhoudende lijn’, staat in het Niod-rapport Srebrenica, een ‘veilig’ gebied. Daar kwam niets van terecht. Weinig gebeurtenissen zijn uiteindelijk zo grondig overhoop gehaald als de verwikkelingen die julidagen rond de Bosnische enclave. Nederlandse Unprofor-militairen moesten er 25.000 vluchtelingen beschermen.

Beelden van Dutchbatters die toekijken hoe vrouwen en kinderen en later ook mannen worden afgevoerd, gingen de wereld rond. Vooral de Servische propagandaopnamen van de Nederlandse overste Thom Karremans, die wordt geïntimideerd door Mladic en zich vervolgens lachend een presentje in de hand laat drukken (‘is this for my wife?’) waarna de Bosnisch-Servische generaal hem uitzwaait als hij met zijn manschappen vertrekt naar veiliger oorden, zetten Nederland te kijk. Buiten het oog van de camera en het blikveld van Dutchbat werden zesduizend Bosnjakken, voornamelijk mannen in de weerbare leeftijd, geëxecuteerd. Vijftienhonderd werden vermoord terwijl ze met een groep van vijftienduizend door de bossen probeerden te vluchten.

Vijf maanden later was de oorlog voorbij en begonnen de Serven met het uitwissen van de sporen van hun misdaad. De massagraven werden geopend en de lijken ruw gedumpt in kleinere graven, soms tientallen kilometers verwijderd van de executieplaats. Dat maakt identificatie moeilijk. Tot nog toe is de identiteit van zo’n vijftienhonderd lichamen vastgesteld.

Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie kreeg in november 1996 de opdracht om een historisch onderzoek te verrichten naar de gebeurtenissen vóór, tijdens en na de val van Srebrenica. Pas in april 2002 werd het rapport gepubliceerd. Twee keer werd de verschijning uitgesteld, de laatste keer tot grote woede van premier Wim Kok. Vijf dagen na de publicatie trad hij af, waarna zijn kabinet hem volgde. Kok was in 1995 eveneens premier. Met zijn aftreden nam hij politieke verantwoordelijkheid voor de ramp. Hij wees er echter nadrukkelijk op dat Nederland niet de schuld op zich nam.

De affaire-Srebrenica was daarmee niet afgedaan, hoe graag Nederland dat ook wilde. Er volgde zaak op zaak. In 2004 veroordeelde het Joegoslavië Tribunaal generaal Radislav Krstic, Mladic’ baas, tot 46 jaar wegens genocide. In 2007 verklaarde ook het Internationaal Gerechtshof de massamoord tot genocide en oordeelde dat Servië niet genoeg had gedaan om die te voorkomen. In Servië zelf werden vier voormalige leden van de paramilitaire eenheid ‘de Schorpioenen’ tot een totaal van 58 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Op een video-opname was te zien hoe zij Bosnjakse mannen doodschoten. Zes van hen moesten knielen, de handen op de rug gebonden, en werden van achter door het hoofd geschoten. Het waren de eerste en vooralsnog enige beelden van de executies. De videoband was jarenlang te huur in een videotheek in het stadje waar de moordenaars woonden.

Al die jaren hing de vraag in de lucht in hoeverre Nederland medeaansprakelijk was, want het waren Nederlandse militairen die tot taak hadden de enclave te beschermen. In Nederland was en is het gevoelen algemeen dat individuele Dutchbatters geen blaam trof. Zij werden slecht voorbereid en slecht bewapend op pad gestuurd naar een onverdedigbaar gebied. In Srebrenica kwamen ze terecht in een uitzichtloze oorlogssituatie en de Servische deportatie overviel hen.

Van Dutchbat-zijde is steeds gezegd dat werd meegewerkt aan de deportatie om mensen te redden. Het was bloedheet, er was geen water en geen voedsel. Als de duizenden vluchtelingen te lang in Potocari zouden blijven ‘zou het probleem zichzelf oplossen’, zoals plaatsvervangend Dutchbat-commandant majoor Rob Franken het verwoordde. Er zaten vijfduizend vluchtelingen op de veilige basis. Nog eens duizenden bevonden zich daaromheen, onbeschermd. Toen de Servische bussen arriveerden, ontstond volgens ooggetuigenverklaringen van vluchtelingen, opgenomen in het Niod-rapport, een run op de voertuigen. Iedereen wilde weg. De veiligheid van de vluchtelingen was een verantwoordelijkheid van Dutchbat, maar zij verhinderde niet dat de weerbare mannen van de vrouwen en kinderen werden gescheiden. Of dat de Nederlandse militairen is aan te rekenen, is een van de vele controverses in de kwestie-Srebrenica. Vast staat dat hen werd opgedragen mee te werken aan het afvoeren van de vluchtelingen. De vraag is echter of dat gebeurde vanuit de Nederlandse bevelslijn of die van Unprofor. (zie … )

Veel Dutchbatters hebben te lijden onder de gevechtservaringen en de machteloosheid van die dagen. Veertig procent van hen heeft na terugkeer psychische hulp nodig. In november 2005 stelde de bestuursrechter een Dutchbatter in het gelijk die Defensie verantwoordelijk en aansprakelijk hield voor zijn psychische schade. Hij wilde erkend zien dat Defensie militairen zonder een goede analyse van de risico’s, met een te beperkt mandaat en met onvoldoende middelen naar Srebrenica had gestuurd. Defensie ging daarmee niet akkoord. De zaak is inmiddels aangeland bij de Centrale Raad van Beroep, het hoogste beroepsorgaan in het ambtenarenrecht.
In juli van dit jaar deed de Haagse rechtbank uitspraak in een geruchtmakende zaak die was aangespannen namens zesduizend nabestaanden, onder meer verenigd in de stichting Moeders van Srebrenica. De zaak liep stuk op de immuniteit van de Verenigde Naties. De volkenorganisatie kan niet worden vervolgd, oordeelde de rechtbank, want dan zouden nationale rechters zich met internationale vredesmissies kunnen bemoeien.

Tegen deze achtergrond wees de Haagse rechtbank woensdag 10 september opnieuw vonnis, nu in het proces van Hasan Nuhanovic en de familie Mustafic tegen de Staat der Nederlanden. Ook die zaak ketste af, dit keer op de bevelsstructuur. Dutchbat stond onder bevel van de VN, dus kan Nederland niet verantwoordelijk gehouden worden.

Nu ook deze zaak, waarbij in een civiele procedure een collectief werd aangeklaagd, is gestrand, verwachten juristen dat nabestaanden een beroep zullen gaan doen op het internationaal strafrecht. Zij zullen dan individuele Nederlandse militairen aanklagen. Dat zou betekenen dat de affaire-Srebrenica een nieuwe, uiterst pijnlijke periode ingaat.