De nieuwe gastarbeiders

Nederland, goed voor je cv

Steeds meer Zuid- en Oost-Europese jongeren brengen hun meest productieve jaren door in Nederland. Omdat ze niet beantwoorden aan het cliché van de gastarbeider worden ze nauwelijks opgemerkt.

De 26-jarige architecte Lenka Rezbarikova is een van de ‘meer dan vijftig werknemers van ruim tien nationaliteiten’ van het gerenommeerde bureau De Architecten Cie., zetelend aan de Keizersgracht in Amsterdam. Twee jaar geleden kwam ze hier werken en na een paar tijdelijke contracten verwierf ze een paar maanden geleden het felbegeerde vaste contract. Ze komt niet bepaald uit een internationaal milieu. Haar ouders spreken enkel Slowaaks en werkten nooit in het buitenland. Zij studeerde in Tsjechië, leerde tijdens haar studie vier buitenlandse talen, liep via het Erasmus-uitwisselings­programma stage in Nederland en keerde daar na haar studie terug. Ze schat de kans fifty-fifty dat ze lang in Nederland blijft. ‘Ik hou van het leven hier, van de levensstijl en de vrijheid’, zegt ze. ‘In de architectuur behoort Nederland bij de top en ik heb een vaste baan. Maar ik ben jong en ik zou nog graag in andere landen werken, in Zweden of Denemarken, of misschien Chili of Mexico. En over tien jaar misschien terug naar huis.’

Rezbarikova is niet uniek: ze maakt deel uit van de grootste immigratiegolf in Nederland sinds decennia. Gestimuleerd door de Europese integratie, Ryanair en EasyJet, de Erasmus-uitwisselingsprogramma’s, de economische crisis in delen van Europa, de grote verschillen in loonniveau en veranderingen in levensstijl en levensverwachtigen, komen tienduizenden jonge immigranten jaarlijks naar Nederland. Vrijwel alle aandacht wordt getrokken door Oost-Europese gastarbeiders in de traditionele zin van het woord, die hier komen voor fysieke arbeid en die in rechtse media opduiken als een horde moe-landers die – volgens een recente krantenkop – een ‘brandend spoor van ellende’ trekken door ons land.

De toevoer van die groep maskeert de snelle groei van een nieuw type gastarbeider: jonge, hoogopgeleide Europeanen, vaak uit het zuiden en oosten, die zijn opgegroeid in een unie zonder binnengrenzen en die in de meest productieve jaren van hun leven naar Nederland komen vanwege de mogelijkheden die ons land hun biedt. Deze nieuwe gastarbeiders worden nauwelijks als zodanig herkend. Volgens officiële definities zijn het geen immigranten, want ze komen uit de Europese Unie. En belangrijker: ze voldoen niet aan het stereotype van wat een gastarbeider is. Toch zijn deze jongeren precies de ‘hoogwaardige’ immigranten voor wie een trits aan demografen en economen sinds de jaren negentig een lans breekt: jong, hoogopgeleid, mobiel en zelfredzaam.

‘Het beeld van de “nieuwe gastarbeider” klopt inderdaad’, zegt emeritus-hoogleraar migratiestudies Han Entzinger. ‘Ze zijn nog niet dominant in aantallen, maar hun aantal groeit sterk. Een steeds groter deel van onze immigranten komt vanuit Europa, er zijn meer vrouwen bij en steeds meer hooggeschoolden. Als je optimistisch bent, zie je de Europese eenwording nu eindelijk op gang komen. Nadat er decennia over is gepraat, plannen en vergezichten zijn opgesteld, groeit nu een generatie op voor wie een Europees leven normaal is. Ze reizen veel, hebben door de Erasmus-uitwisselingen ervaring opgedaan in het buitenland, ze vliegen met goedkope tickets het continent over, willen in verschillende landen werken en hebben een horizon die over de grens ligt. De economische crisis versterkt die ontwikkeling. Voor Nederland is dat natuurlijk mooi: met deze groep immigranten voorzie ik vooral winst en totaal geen problemen.’

Tien, twaalf jaar geleden werd met algemene instemming besloten dat Nederland geen immigratieland was en dat ook nooit moest zijn. Bij de grote verschuiving van de nationale consensus die toen plaats had onder politici en de intellectuele elite hoorde onder meer het idee dat migratie in principe slecht en bedreigend was. Zeker als het ging om ‘gelukzoekers’: mensen die hier kwamen om banale zaken als werk en kansen.

Maar ondanks alle opwinding van het debat van toen lag al vast dat een nieuwe toevoer van arbeidsmigranten zou plaatsvinden. Ook het stereotype van de nieuwe gastarbeider was al bekend: heette die in het verleden Achmed, de gastarbeider van de toekomst heette Jakub. Al jaren eerder was namelijk vastgelegd dat in 2004 de burgers van tien nieuwe, Oost-­Europese lidstaten het recht op vrij verkeer zouden krijgen in de hele Europese Unie, inclusief toegang tot de arbeidsmarkt in andere landen.

Nederland wierp nog wel een paar tijdelijke hordes op, maar al direct in 2004 begonnen de Europese gastarbeiders te komen, vooral Polen, al snel met meer dan tienduizend per jaar. Zowel in 2011 als vorig jaar kwamen er volgens het cbs ruim achttienduizend: de grootste migratiegolf uit één land sinds de Surinamers die na de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975 kwamen; meer dan de zeventienduizend Turken in hun ‘topjaar’ 1980.

En er waren wel meer bijzonderheden aan de immigratie van de afgelopen jaren. Dit is, om te beginnen, de grootste immigratiegolf ooit: in 2011 kwamen volgens het cbs 163.000 mensen naar Nederland. Omdat het gepaard ging met de grootste emigratie ooit, bleef het ‘netto saldo’ bescheiden. De stroom uit de ‘grote’ immigratielanden Turkije, Marokko, de Antillen en Suriname is zozeer opgedroogd dat Nederland daar nu een negatief migratiesaldo mee heeft. Ook de vier grote ‘asielzoekerslanden’ Somalië, Irak, Iran en Afghanistan staan samen rond de nul. De trek naar Nederland komt nu uit Oost-Europa, vooral Polen.

Adrian Minsfeld (32) is in alles de typische Poolse immigrant volgens die officiële statistieken. En in uiterlijk: gedrongen, kort blond haar, joviaal. Hij deed een opleiding elektrotechniek in Polen, kwam al in 2004 naar Nederland en vestigde zich na een paar keer heen en weer gaan permanent. Hij rijdt met zijn bestelbus naar zijn klussen in en rond Amsterdam en op zijn scooter naar sociale afspraken. ‘Ik werkte in het begin voor een Pool die mij en een paar anderen per klus betaalde’, zegt hij. ‘Het was een slechte deal voor mij en na drie jaar ging ik weg en begon mijn eigen bedrijf. Ik doe renovatie en vloeren en heb bijna altijd genoeg werk. Mijn vrouw beviel in Polen van mijn zoon en toen hij zeven maanden was kwamen ze hierheen. Zij zoekt nu ook werk, mijn zoon gaat hier naar school. Ik wil hier blijven en een huis kopen. Voorlopig lukt dat nog niet, maar dat is mijn doel.’

Je zou immigranten als Minsfeld ‘nieuwe gastarbeiders oude-stijl’ kunnen noemen. Zij zijn met velen. Volgens het cbs hebben tachtigduizend Polen zich in een gemeente geregistreerd, maar hun totale aantal is groter. De meeste experts gaan ervan uit dat er op elk willekeurig moment rond de tweehonderd­duizend Polen en andere immigranten uit Midden-Europa in Nederland zijn, een constant veranderende groep vanwege het seizoenswerk en de pendelmigratie.

Het is ‘moderne migratie’, in de terminologie van het aan de Universiteit van Amsterdam gelieerde SEO Economisch Onderzoek. De migranten komen van dichterbij dan eerdere gastarbeiders, zowel in geografische als in culturele zin. Ze hebben bijna altijd werk en leggen een kleiner beslag op collectieve middelen. De economische winst van hun aanwezigheid is groot: volgens De economische bijdrage van tijdelijke arbeidsmigranten, een rapport van het seo, strijkt alleen al de staat achttienhonderd euro per jaar per Europese gastarbeider op aan extra belastinginkomsten. Bij tweehonderdduizend mensen is dat een winst van 364 miljoen euro voor de schatkist in 2012. Daar is de winst van extra economische activiteit, extra bestedingen en een lager prijspeil nog niet bij meegerekend.

En het seo rekent dan ook nog met de grootste groep arbeidsmigranten in het achterhoofd, de groep die over de A12 Nederland binnenrijdt. Een veel grotere economische winst voor Nederland ligt bij een ander soort arbeidsmigratie. Migratiedeskundigen pleiten er al jaren voor: dat Nederland zich ontwikkelt tot een magneet voor hoogopgeleide, ervaren en getalenteerde migranten die hier komen werken in kennis­intensieve sectoren, waar de arbeidsproductiviteit het grootst is, waar het meeste geld wordt verdiend en die het grootste bij-effect hebben op de rest van de economie.

In Den Haag wordt er op ambtelijk niveau regelmatig over gefantaseerd, over die nieuwe, jonge mens die naar Nederland komt voor de internationale, creatieve banen die hier zijn, de vrije levensstijl, die zich in een internationaal milieu bewegen, die veel reizen en via internet contact houden met elkaar, die het verblijf in Nederland niet zien als monumentaal afscheid van het thuisland maar als deel van een buitenlands avontuur. Een samenhangend beleid om dergelijke immigratie te bevorderen is nooit van de grond gekomen. Maar toch gebeurt het steeds vaker: arbeidsmigratie via Schiphol.

Twee maanden terug stapte Catarina Brito uit het vliegtuig. Ze is een 37-jarige consultant die voor een grote internationale bank werkte in vijf landen op drie continenten. ‘Mijn partner werkt voor een multinational en kreeg een mogelijkheid in Nederland’, zegt ze. ‘Ik had een baan in Portugal, maar wilde graag opnieuw in het buitenland werken. Alles in Portugal staat stil en ambitieuze mensen stromen het land uit. De meeste van mijn vrienden hebben Portugal al verlaten. Niet altijd omdat ze werkloos waren, maar ook omdat ze zichzelf wilden ontwikkelen. Portugese bedrijven zijn nu in zichzelf gekeerd, net als het hele land. Het is ook niet verstandig om in je eigen land te blijven. Ik geloof dat de arbeidsmarkt mondiaal is en dat de concurrentie om werk steeds groter wordt. Als je ambitieus bent, moet je blijven investeren in vaardigheden die mondiaal inzetbaar zijn.’

Ook Brito is niet alleen: tussen 2007 en nu verdriedubbelde volgens officiële cijfers de immigratie van Italianen, Spanjaarden en Grieken; de grote sprong van Portugezen begon twee jaar eerder. De meesten van hen zijn jong en hoogopgeleid. Volgens het cbs komen de Zuid-Europeanen met zo’n duizend per maand naar Nederland. De werkelijke cijfers liggen ongetwijfeld hoger. Ten eerste omdat immigratie door Europese jongeren pas wordt geregistreerd als ze zich inschrijven bij hun gemeente, en veel jongeren doen dat niet. Ook gaan veel immigranten na een aantal maanden weer terug.

Opleiding en werkervaring, ten slotte, worden alleen geturfd in spaarzame veldonderzoeken. Zoals een onderzoek van de Erasmus Universiteit dat concludeerde dat één op de tien Oost-Europese gastarbeiders hoogopgeleid was. Zij woonden vooral in de grote steden, waren meestal jonger dan dertig en waren (in tegenstelling tot de laagopgeleide gastarbeiders) merendeels vrouw. De Roemenen sprongen eruit: een kwart van alle Roemeense immigranten in de steekproef deed hoogopgeleid werk. Migratiedeskundigen gaan ervan uit dat de hoogopgeleiden een dikke meerderheid vormen onder de Zuid-Europese migranten.

Als je de schattingen van het opleidings­niveau van Oost- en Zuid-Europeanen met een natte vinger extrapoleert naar de totale immigratie kom je op een instroom van zo’n twaalfduizend hoogopgeleide Zuid- en Oost-Europeanen per jaar. Dat is een grove schatting, maar als hun immigratiecijfer inderdaad rond dat aantal ligt, dan is dat twee derde van de instroom uit Polen, waar zoveel om te doen is in de media en de politiek. Of om een ander perspectief te geven: het is meer dan de instroom van Marokkanen in hun ‘topjaar’.

De optelsom van dit alles – van de veld­onderzoeken, de incomplete cijfers, de schattingen van het opleidingsniveau, de vele berichten over de uitstroom van hoogopgeleide jongeren uit Zuid-Europa, en het groeiende aantal Zuid-Europeanen dat werkzaam is bij internationale bedrijven en reageert op vacatures in de kenniseconomie – maakt dat veilig kan worden geconcludeerd dat de migratiestroom van jonge, hoogopgeleide Europeanen naar Nederland een feit is. Verhuld, weliswaar, achter een grotere groep gastarbeiders van traditionele snit, maar daarom niet minder reëel.

Wie zich een tijdje onderdompelt in kringen van nieuwe migranten komt overal crisis­vluchtelingen tegen die dat beeld illustreren. Zoals de opgewekte Catalaan Raül Orús Pérez (34), astronoom en ingenieur bij Estec, een onderzoeksbureau voor ruimtevaart bij Noordwijk. ‘Ik zag geen toekomst in Spanje’, zegt hij. ‘Nadat ik gepromoveerd was, kon ik in Spanje eigenlijk alleen maar bij een universiteit aan de slag. Maar om daar in deze tijden een baan te krijgen heb je heel goede connecties nodig of moet je politiek actief zijn. Er bestaan voor jonge mensen alleen nog tijdelijke banen of stages. Werkgevers hebben zoveel keuze dat ze soms niet eens betalen. Ze zeggen: “Het is goed voor je dat je hier meeloopt, want je werkt aan je cv.” De sfeer onder jongeren is dramatisch. Ik ben blij dat ik weg kon.’

Het zal dan ook niet verbazen dat Orús zo lang mogelijk in Nederland wil blijven. ‘Ik geniet van het leven hier. Het werk dat ik nu doe, kan ik eigenlijk alleen doen in Nederland, Duitsland en de VS. Ik heb een internationale groep vrienden, en Amsterdam is een fantastische stad om jong te zijn, vanwege het nachtleven, de theaters en de cultuur. Ik moet wel elke dag met de trein en de bus naar Noordwijk.’

In de vorm van jonge, dynamische mensen als Rezbarikova en Orús biedt de nieuwe immigratie een prachtig plaatje voor Nederland: een mix van een paar mooie Europese idealen, een flinke dosis kenniseconomie, wat anti-vergrijzingsmiddel en een vleugje van Charles Landry’s Creative City. En belastingcenten. Maar zoals vaak is ook in dit geval het plaatje te mooi om waar te zijn. Het is namelijk niet alleen in Zuid-Europa crisis. Ook Nederlandse jongeren hebben moeite om aan werk te komen, terwijl zij de taal beheersen, op maat gesneden diploma’s hebben, een netwerk en een ouderlijk huis om vanuit te kunnen zoeken. De nieuwe gastarbeiders uit Oost- en Zuid-Europa missen die voordelen. Velen ondervinden dat hier weliswaar nog kennisintensieve, inventieve en dynamische banen beschikbaar zijn, maar ze zien ook dat er een keerzijde is. Om die banen moet gevochten worden.

Neem Catarina Brito, de ambitieuze consultant uit Portugal: ‘Ik begon al met zoeken naar een baan toen ik nog in Portugal was. Maar ik heb hier een flinke achterstand. Ik heb geen netwerk in Nederland. Ik hoor het van veel expats: ze zeggen dat je zeker moet rekenen op een half jaar zoeken. En dat je ook niet zeker weet of je op hetzelfde niveau kunt werken als thuis.’

De nieuwe gastarbeiders komen daarom vaak met een zak spaargeld, komen achter hun partner aan die hier al werkt, gaan inwonen bij vrienden of familie of proberen op andere manieren goedkoop door de eerste tijd te komen, terwijl ze zoeken naar werk. De migranten met het meeste doorzettingsvermogen, geluk of vernuft breken door de begrenzingen heen. De anderen rest de terugkeer.

Iemand uit de eerste groep is Adelina Popescu, een 24-jarige financieel analist bij Oracle. ‘Ik wist in Roemenië al wat ik wilde en ik heb me daar vanaf het begin op gefocust’, zegt ze. ‘Ik wilde studeren op een _liberal arts-_college en die zijn er in Oost-Europa nauwelijks. Het lukte me om binnen te komen bij University College Utrecht. Ik ben toen vanaf het begin stages gaan zoeken en baantjes gaan nemen. Zo kwam ik na mijn studie beslagen op de arbeidsmarkt en lukte het me om een baan te vinden. Veel studiegenoten verkeken zich daarop. Ze realiseerden zich te laat dat je naast je studie kunt werken en stages lopen om een voorsprong te krijgen.’

Ze onderscheidt onder haar Roemeense vrienden en kennissen die naar West-Europa komen twee categorieën. ‘De eerste groep doet hier een opleiding: zij blijven in ieder geval één tot twee jaar. Als ze geen vast werk vinden, gaan ze meestal terug naar huis. De tweede groep heeft de opleiding in Roemenië gedaan en zij zijn hier meestal korter. Het lukt ze meestal niet om ertussen te komen. Of ze doen werk dat onder hun niveau ligt.’ Nu het Adelina Popescu gelukt is om haar plek te vinden in Nederland, staat ze open voor een verblijf in een ander buitenland, maar wil ze in principe nooit meer terug naar Roemenië. Vanwege het niveau van het werk dat ze hier kan doen en vanwege de levensstijl – precies de twee redenen om hier te blijven die de Erasmus Universiteit noemt voor vrijwel alle hoogopgeleide immigranten. Terugkeer naar het geboorteland? Misschien later. Eerst meer Nederland, en misschien nog meer van de wereld.

Juist omdat de in Nederland opgeleide immigranten beter in de Nederlandse economie blijken te passen, wil bijvoorbeeld de Sociaal-­Economische Raad dat Nederland zich inspant om meer buitenlandse studenten hierheen te halen. En ze dan ook van tevoren te vertellen in welke beroepen Nederland een arbeids­tekort heeft en in welke een overschot. Er komen jaarlijks 56.000 buitenlandse studenten naar Nederland. Maar dat is te weinig, vindt de ser. ‘Het is belangrijk voor de welvaart, de economie en het hoger onderwijs dat Nederland internationaal talent weet te werven en te binden’, schrijft de raad.

Maar het aanvullen van de Nederlandse arbeidstekorten met immigranten, en zeker het aanmoedigen dat zij blijven, blijft een broos politiek punt. Het publieke debat zit nog steeds in een boosheidskramp. Men blijft hardnekkig weigeren om over migranten te denken als verschillende groepen. In 2004 schreef toenmalig staatssecretaris Mark Rutte nog aan de Tweede Kamer: ‘Vrij verkeer van werknemers draagt bij aan een betere allocatie van arbeid en daarmee aan de welvaart van Nederland.’ Als premier houdt hij zich liever op de vlakte.

In economisch opzicht is die anti-immigratiekramp totaal onterecht. Nederland was vanaf de jaren vijftig lange tijd een immigratieland voor gastarbeiders en die gingen ook bijna allemaal weer weg. De in economisch opzicht laagwaardige immigratie van de jaren tachtig en negentig was juist het gevolg van het gegeven dat na 1973 arbeidsmigratie onmogelijk werd, en dat buitenlanders dus alleen via gezins­hereniging, asiel en illegale immigratie Nederland in konden komen. Maar dat verandert niets aan het feit dat immigratie een politieke no-go area geworden is.

‘Het thema van immigratie blijft een heel negatief stigma houden, terwijl er maar beperkt sprake lijkt van verdringing van Nederlanders door laagopgeleide arbeidsmigranten, en terwijl de hoogwaardige immigratie nu inderdaad op gang lijkt te komen’, zegt emeritus hoogleraar Han Entzinger. ‘De burgemeesters die om maatregelen roepen tegen Oost-Europese immigranten krijgen wel veel aandacht. Die problemen zijn ook reëel, maar het is de andere kant van de arbeidsmarkt. De hoog- en laagopgeleiden zijn beide deel van de immigratie van nu. Jammer genoeg wordt alles in de politiek op één hoop gegooid. En de dominante houding is nog steeds: grenzen dicht.’

In Duitsland, dat een groter probleem heeft met vergrijzing en arbeidstekorten dan Nederland, was die houding lang hetzelfde. Maar dat begint nu om te slaan, zelfs binnen de conservatieve regering. Berlijn trok onlangs 140 miljoen euro uit voor taaltrainingen in Oost-Europa, gevolgd door stages in Duitsland. De minister van Sociale Zaken noemde de ‘nieuwe kwaliteit van immigratie’ een ‘godsgeschenk’. De voorzitter van de Duitse werkgevers zei dat ‘we buitenlanders moeten laten weten dat we ze urgent nodig hebben en dat ze welkom zijn’. Ook de praktijk verandert: afgelegen gemeenten werven met glanzende brochures arbeiders uit Bulgarije en andere landen, zoals eens Nederlandse bemiddelaars dat deden in Anatolië.

De mobiliteit van jonge Europeanen wordt in Duitsland sowieso een stuk explicieter gewaardeerd dan in Nederland. De nieuwe Bondspresident Joachim Gauck roemde onlangs in zijn eerste grote toespraak de Europese oriëntatie van jongeren: ‘Lieve scholieren in de zaal’, sprak hij, ‘jullie hebben je eerste zakgeld in euro’s gehad, jullie schoolreizen gaan naar Londen, Warschau en Madrid, jullie doen Erasmus- en Leonardo-uitwisselingen, jullie feesten samen en gaan naar muziekfestivals. Jullie zijn werkelijk meer Europa dan alle, alle generaties voor jullie.’

Zo enthousiast is Nederland nog lang niet. Maar ze komen toch, de astronomen, architecten, consultants en al die andere nieuwe gastarbeiders. Voor steeds meer jonge Europeanen begint de grote wereld in Nederland.