Verlenging Uruzgan-missie

Nederland heeft al ja gezegd

Wie denkt dat het kabinet nog nee gaat zeggen tegen de verlenging van de militaire missie in Uruzgan, heeft het mis. Het parlement en de achterbannen mogen straks alleen nog ja zeggen.

Als er in de regeringspartijen cda, pvda en ChristenUnie of hun achterbannen kamerleden of gewone partijleden zouden zijn die denken nog echt mee te kunnen praten over de verlenging van de militaire missie in de Afghaanse provincie Uruzgan of zelfs menen dat ze daar nog nee tegen kunnen zeggen, dan moeten zij uit de droom worden geholpen. Die missie gaat ook na augustus 2008 door. Daar stuurt het kabinet al maanden op aan, alle mooie woorden dat er nog niets besloten is ten spijt.

Natuurlijk, formeel ligt er nog geen kabinetsbesluit. Dat kan het kabinet volhouden, al wordt het dan een typisch Haags woordenspelletje. Maar kijk even mee naar wat minister-president Jan Peter Balkenende zei op 2 februari 2006. Dat was de dag waarop het parlement ja zei tegen het sturen van de huidige militaire missie naar Uruzgan.

Balkenende had tijdens dat debat een woordenwisseling met sp-fractievoorzitter Jan Marijnissen. Deze wierp de minister-president voor de voeten dat het consulteren van het Nederlandse parlement een formaliteit was, lees: een wassen neus, en dat er volgens hem kamerleden waren die vóór de missie stemden om internationale blamage te voorkomen. Balkenende antwoordde toen: ‘Als wij contact hebben met onze bondgenoten om te bezien of voldaan kan worden aan de voorwaarden die Nederland heeft gesteld, doen wij dat niet in de trant van: wij zullen wel zien wat er gaat gebeuren.’ Oftewel: vanaf het moment dat Nederland voorwaarden aan de uitzending van Nederlandse troepen was gaan stellen, had Nederland feitelijk al ja gezegd. Alleen als aan die voorwaarden niet was voldaan, had Nederland nog nee kunnen zeggen.

Dat patroon van toen is zich nu, bij de verlenging van de missie, aan het herhalen: Nederland is gaan onderhandelen over de voorwaarden. Vanaf de eerste minuut dat het huidige kabinet die weg insloeg, en dat was al vóór de zomer, gold niet meer wat Balkenende op diezelfde avond van de 2e februari 2006 óók heeft gezegd: ‘Over twee jaar zal de Nederlandse inzet worden overgenomen door andere Navo-landen.’

Zelfs over de inhoud van de voorwaarden waaronder de missie wordt verlengd, kunnen de regeringsfracties in het openbaar straks niet meer meepraten. Want die voorwaarden en de constatering dat eraan is voldaan, zullen in één en hetzelfde kabinetsbesluit naar buiten komen. Wij willen graag, zo zal het kabinet schrijven, dat er zo’n vierhonderd tot vijfhonderd militairen worden geleverd door andere landen en het zal daar direct aan toevoegen dat enkele Navo-partners en Georgië, dat graag lid van de Navo wil worden, dat aantal hebben toegezegd. Dat sluit vervolgens precies aan bij de analyse van de Commandant der Strijdkrachten Dick Berlijn dat Nederland de missie met zo’n twaalfhonderd man kan voortzetten, ongeveer vijfhonderd minder dan nu.

Wederom is er dan een in Den Haag steeds terugkerend politiek spel gespeeld: eerst wijst het kabinet de Tweede Kamer én de Nederlandse bevolking erop dat het nog te vroeg is om te praten over een eventuele verlenging van de missie omdat er nog geen kabinetsbesluit ligt, en vervolgens kan er – als dat besluit er wél is – gezien de internationale toezeggingen nog slechts ja tegen worden gezegd. Daardoor komen andere, soms principiële vragen niet aan bod. Welke andere Navo-landen nemen het over? Zijn die er niet, waarom dan niet? Hoe wordt bij een eventuele verlenging geregeld dat het nu echt voor een bepaalde termijn is? Of wil het Nederlandse parlement zo’n einddatum niet, omdat de opbouw van een land niet aan een termijn te binden is? Wat komt er van het opbouwwerk terecht?

Dat zijn dan alleen nog maar vragen over de missie zelf. Maar ook over hoe die missie zich verhoudt tot wat er elders in de wereld gebeurt, wordt door deze herhaalde handelswijze van het kabinet in het Nederlandse parlement niet indringend gepraat.

De operaties in Afghanistan zijn niet los te zien van de uitzichtloze strijd in Irak. Als die laatste niet zoveel menskracht, materieel en geld van de Verenigde Staten had verslonden, had de eerste, eerder gestarte operatie mogelijk een beter resultaat gehad. Zo is bondgenoot Nederland indirect toch nog betrokken bij de oorlog in Irak. Blijft Nederland wederom zo’n hondstrouwe bondgenoot als president George Bush van de VS besluit ook Iran te gaan bombarderen?

Balkenende zal zeggen dat die laatste vraag prematuur is. Maar voor de strijd tegen het internationaal terrorisme is het belangrijk verder te kijken dan Uruzgan. Wouter Bos, destijds nog pvda-fractievoorzitter en oppositieleider en nu vice-premier, zei op 2 februari 2006 dat van een klein land niet verwacht kan worden dat het altijd en overal helpt. Maar van een klein land dat veel helpt, kan wel verwacht worden dat het zijn invloed op bondgenoten meer laat gelden dan het bedelen om bijstand bij een Navo-missie.