Het gepolariseerde prostitutiedebat

‘Nederland heeft een roze bril op’

De een ziet prostitutie als een vorm van uitbuiting, de ander noemt het ‘sekswerk’ en ziet het als empowerment. De overheid moet optreden tegen misstanden. Maar ‘beleid maken dat recht doet aan beide uitgangspunten is moeilijk’.

Peeskamer in Amsterdam © Mark van der Zouw / de Beeldunie

Lijkt uw beroep op dat van een sekswerker? Drie studenten van de Hogeschool Leiden namen de vraag letterlijk. Ze spraken met sekswerkers en schrokken ervan dat zij hun beroep bij voorkeur verzwijgen, uit angst voor afkeurende reacties. Ze ontwikkelden een filmpje voor Spot 46, informatie- en adviespunt voor seksuele dienstverlening in de regio Haaglanden, waarin ze een aantal mensen vragen stellen over hun vak, over de ambities, vaardigheden, flexibiliteit, sociale interactie die erbij komen kijken en het aantal uren. Dan is het voor de kijker een kwestie van ‘wie van de drie?’, spot de sekswerker. De studenten hopen het stigma dat op het beroep rust te verminderen met de ‘verrassende’ uitkomst van hun quiz: de sekswerker is niet de vrouw met lang haar, maar de vlotte jongen. Op de website kun je de overeenkomsten tussen je eigen baan en sekswerk testen. Tussen een Groene-journalist en een sekswerker bestaan ‘zeer veel overeenkomsten’.

Jongerenbeweging Exxpose uit Utrecht, opgericht door ‘vier jongeren die zijn geraakt door het onrecht dat zich afspeelt in de prostitutie in Nederland’, christelijk geïnspireerd maar politiek onafhankelijk, maakte ook een filmpje. Het hoort bij hun campagne Ik ben onbetaalbaar en de petitie die vraagt om nieuw beleid. ‘Ik maak me een beetje zorgen’, zegt een mannenstem in spoken word-achtige voice-over terwijl we kijken naar beelden van peeskamers. Hij maakt zich zorgen om de prostituees die niet in de positie verkeren dat zij klanten en seks kunnen weigeren. Burgemeester Eberhard van der Laan komt in beeld en maakt de berekening van zesduizend prostituees in Amsterdam en het laagste percentage dat het werk onvrijwillig verricht. Hij zegt: ‘Ik weet niet hoe vaak het gebeurt, maar dat het zeshonderd keer op zijn minst gebeurt, dat weten we allemaal. En per dág.’

We weten het allemaal. Inmiddels steunden vijftigduizend mensen de petitie die pleit voor strafbaarstelling van prostitueebezoek in Nederland, de veelbesproken maar niet onomstreden wetgeving uit Zweden dat als eerste land ter wereld zijn pijlen richt op de klant. Het is Exxpose niet alleen om vrijwillige of onvrijwillige prostitutie te doen. De voice-over zegt ook: ‘Betalen voor seks is niet normaal’ en de petitietekst luidt: ‘Door het kopen van seks, ook wel prostitutie genoemd, wordt de waardigheid van de prostituee en de bezoeker ontnomen. Het kopen van een seksuele dienst zou dan ook strafbaar moeten worden gesteld. Ik verzoek de Tweede Kamer dit voorstel te bespreken en hier een standpunt over in te nemen.’ Geen baan als alle andere.

Het mag geen verbazing wekken dat Nederlandse jongeren zijn verdeeld: zij zijn de erfgenamen van een traditie van vrijzinnigheid, opgegroeid in een cultuur die bekendstaat om tolerantie en opgevoed met progressieve waarden. Maar om zich heen zien zij een totaal veranderde wereld, met nieuwe mensen, nieuwe netwerken, de macht van het internet. Met een legalisatiewetgeving die bij invoering in het jaar 2000 als vooruitstrevend gold, maar inmiddels onder druk staat door niet-behaalde resultaten, inzichten uit het buitenland en een verschuivende publieke opinie. Het raamgebied van de Wallen in Amsterdam staat midden in dit krachtenveld, als bastion van een vorm van vrijheid waar bijna niemand zich nog in kan vinden.

Op 3 juli vindt in de Tweede Kamer een algemeen overleg plaats met als onderwerp mensenhandel en prostitutie, twee zaken die voor de een hand in hand gaan en voor de ander los van elkaar gezien moeten worden. Het Nederlandse debat over prostitutie wordt gevoerd met horten en stoten, in de media, in de politiek, op symposia en bijeenkomsten. Idealisten en deskundigen staan er tegenover elkaar, politici, activisten, feministen, hulpverleners, columnisten, onderzoekers en (belangenverenigingen voor) sekswerkers spreken er langs elkaar heen.

Letterlijk, want de ene groep spreekt over ‘prostitutie’ en de andere over ‘sekswerk’, een term die in 1978 door kunstenaar en activist Carol Leigh als ‘sex work’ werd gemunt en vanaf de jaren tachtig wordt gebruikt door de strijders voor de rechten van, inderdaad, sekswerkers. Zij willen het ‘stigma’ op sekswerk wegnemen door verdergaande legalisering en daarmee normalisering, zoals sinds 2003 bij wet bestaat in Nieuw-Zeeland, waar anderen de ‘mythe’ van prostitutie willen doorprikken, met passende maatregelen, zoals sinds 1999 gebeurt in Zweden. De een ziet prostitutie als een vorm van uitbuiting, de ander sekswerk als empowerment. Dat de legalisering zoals die in 2000 hier is ingevoerd niet tot de gewenste resultaten heeft geleid, daar zijn beide partijen het over eens.

Wat opvalt is hoe het onderscheid tussen meningen over prostitutie en feiten over misstanden in de prostitutie nauwelijks wordt gemaakt. Het is een strijd tussen verhalen vanachter het raam en cijfers op papier, de eerste immer willekeurig, de tweede per definitie incompleet. Wie geen cijfers kan overleggen, vertelt een zwak verhaal, wie ze wel noemt, neemt al gauw leugens in de mond. Want ronde cijfers zijn er niet. Er zijn cijfers aangevuld met schattingen en de afgelopen jaren lijkt het erop dat meer slachtoffers van seksuele uitbuiting buiten beeld bleven, aldus Herman Bolhaar, de Nationale Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, in de Slachtoffermonitor 2013-2017 (2018).

Het komt dus aan op het vertellen van een overtuigend verhaal, in lijn met de cijfers die er wel zijn. Maar betogen zijn er vooralsnog voornamelijk op gericht om de andere kant van het eigen gelijk te overtuigen, of vaker nog ongelijk in de schoenen te schuiven, met argumenten die niet zelden ideologisch zijn ingegeven. De seks die met het onderwerp gemoeid gaat, strooit zand in de ogen. Peter van Dalen, Europarlementariër voor toen nog de Christenunie/SGP, bepleitte in aanloop naar de Europese verkiezingen een Europees pooierverbod, een maatregel die in het Nederlandse regeerakkoord is opgenomen, en sprak over seksuele uitbuiting als ‘grensoverschrijdend kwaad’. Maar de eerste zin uit het standpunt over prostitutie van de sgp gaat niet over prostitutie, maar over seks: ‘Seksualiteit komt alleen tot haar recht binnen de trouw en geborgenheid van een huwelijk.’

Aan de andere kant van het spectrum klinken stemmen die aan elke discussie voorbijgaan. In ‘Mama doet sekswerk. Deze vrouwen zouden willen dat die kop geen clickbait was’ (De Correspondent, 29 mei) komen drie sekswerkers met kinderen aan het woord. Miriam vertelt hoe sekswerk haar een betere moeder heeft gemaakt en Wini zegt: ‘Normaal doen over sekswerk begint bij normaal doen over je eigen moeder en de seks die zij heeft. Betere seks dan jijzelf vermoedelijk; sommige dingen worden echt beter met de tijd. Koop volgend jaar eens tepelkwastjes voor Moederdag.’ Over welk standpunt als progressief geldt, zijn de meningen verdeeld.

Het is een woensdagavond in april aan de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam. Toeristen trekken langs de ramen, politie kijkt toe vanaf de brug. De deuren van het Leger des Heils staan open, naast een rood licht dat schijnt vanuit een souterrain. Over de vrouw achter het raam zou ik niets kunnen zeggen: ik zag haar niet omdat ik niet naar haar keek, een twijfelachtige vorm van respect betuigen. Per-Anders Sunesson, de Zweedse ambassadeur voor het bestrijden van mensenhandel, komt er spreken over de filosofie achter de Zweedse wetgeving. Vanaf 1 januari 1999 stelt die de klant strafbaar voor het kopen van seks, maar niet degene die de seks aanbiedt. De wet geldt als een succesverhaal en werd door andere landen in bepaalde vorm overgenomen, waaronder Ierland en Noord-Ierland, IJsland, Noorwegen, Canada, Frankrijk en Israël.

Door sekswerkers bij monde van de Nederlandse belangenvereniging Proud wordt de regelgeving echter afgeraden, het succes ervan wordt door sommige wetenschappers ontkracht en ook mensenrechtenorganisaties waaronder Amnesty International en Human Rights Watch zijn tegen, net als Mama Cash, het fonds voor feministisch activisme. In Nederland is het nordic model gesprek van de dag door de petitie van Exxpose, die een dag eerder was aangeboden in Den Haag.

De Korpszaal, met een foto van Majoor Bosshardt aan de muur, vult zich met hulpverleners, buurtbewoners, ten minste één (voormalig) sekswerker. Jolanda de Boer is aanwezig, voormalig officier van justitie in Amsterdam met de portefeuille mensenhandel, en Warner ten Kate, de landelijk officier van justitie mensensmokkel en mensenhandel. Anne Kuik, Tweede Kamerlid voor het cda, een partij die zich als voorstander van het Zweedse model heeft uitgesproken. Op de stoel naast mij neemt een medewerker van de International Justice Mission plaats, een organisatie die tot doel heeft slavernij in al haar vormen wereldwijd uit te bannen. De avond begint met een bijdrage van kunstenaar Jimini Hignett. We luisteren naar een aflevering van The Prostitution Monologues, een huiveringwekkend verhaal, opgetekend uit de eerste hand. Ik tel zo’n zestig vrouwen en een tiental mannen in de zaal, laatkomers nemen plaats op het balkon.

Het is Sunessons eerste bezoek aan Amsterdam en dus ook aan de Wallen, waar hij al over hoorde sinds hij jong was. Hier rondlopen maakte hem echter ‘misselijk’, hij kon amper kijken naar de ramen en naar de mannen die er naar binnen gingen, want hij weet wat er zich achter afspeelt: ‘Dit is geen Pretty Woman.’ Hij draagt een speld van een hart op de revers van zijn jasje, een teken van solidariteit met de slachtoffers van mensenhandel, en vertelt hoe de Zweedse wetgeving voortkwam uit een maatschappelijk vraagstuk: genderongelijkheid en geweld tegen vrouwen. De overheid stelde daar een onderzoek naar in en zo kwam de kwestie van prostitutie op tafel. ‘Het werd duidelijk dat veel geweld gericht was tegen vrouwen in de prostitutie’, zegt hij, ‘en ook dat mannen die financiële macht gebruikten om toegang te kopen tot vrouwenlichamen niet bevorderlijk zijn voor de gendergelijkheid.’

In een volgend onderzoek sprak men met de mensen in de prostitutie en met de klanten. Sunesson vat samen: ‘Dit waren geen sterke, ondernemende vrouwen die een keus hadden gemaakt tussen het worden van buschauffeur, leraar, dokter of wat dan ook, en die ervoor kozen om in de prostitutie te werken. Nee, dit waren vrouwen die dachten dat ze niets anders konden, die een laag zelfbeeld hadden.’ De resultaten van het onderzoek ontketenden een maatschappelijk debat met de wet als uitkomst, die vrouwen als slachtoffers benadert en het verkeerd vindt hen te criminaliseren, maar hen in plaats daarvan wil helpen. Sunesson: ‘Het model legt de schuld bij degene bij wie de schuld volgens mij hoort: de persoon die misbruik maakt van iemand anders kwetsbaarheid.’

Raam op de Wallen in Amsterdam © Robin Utrecht / HH
Wat opvalt is hoe het onderscheid tussen meningen over prostitutie en feiten over misstanden in de prostitutie nauwelijks wordt gemaakt

Na zijn betoog wacht een peloton van kritische vragen en steunbetuigende opmerkingen. Journalist en schrijver Renate van der Zee, organisator van de avond, trapt af en gooit hem kritiek uit het Nederlandse debat voor de voeten. Twee maanden later vertelt ze me hoe ook zij haar twijfels heeft over het Zweedse model, en na de avond met de ambassadeur nog meer, omdat er niet van bewezen kan worden dat het de oplossing is. Maar ze heeft toch meer op met de Zweedse visie dan met de Nederlandse. ‘De Zweden hebben het lef om de man aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid. Dat is in Nederland totaal afwezig.’

Van der Zee is net terug uit Washington D.C. waar ze sprak op de Coalition to End Sexual Exploitation Global Summit. Een citaat uit haar speech deelde ze op sociale media: ‘Je kunt prostitutie niet normaliseren. Gewoonweg omdat het kopen van seks geen normale handeling is. Het is een uiting van diepe ongelijkheid tussen vrouwen en mannen, arm en rijk en zwart en wit. Je kunt deze ongelijkheid niet normaliseren, net zoals je slavernij niet kunt normaliseren.’ Maar er was een tijd dat zij er anders tegenaan keek. Ze vertelt hoe zij, ‘net als veel Nederlanders’, dacht dat Nederland een vooruitstrevend beleid voerde, een beleid om trots op te zijn. Als feministisch journalist was ze geïnteresseerd in de vrijheid van vrouwen, ze schreef boeken over incest en eerwraak, en toen kwam ze uit bij gedwongen prostitutie. Vrijwilligerswerk bij een opvanghuis voor slachtoffers deed haar blik veranderen.

Van der Zee zegt ‘ongelukkig’ te zijn met het gepolariseerde debat en het erg te vinden ‘dat we elkaar aan het verketteren zijn’. Haar fundamentele visie op prostitutie is dat het een consequentie is van ongelijkheid, maar beide kanten hebben in haar ogen iets zinvols te melden. ‘Het gaat er alleen om: wat is je uitgangspunt? Als je uitgaat van vrouwen die blij zijn om in de prostitutie te werken, dan moeten we het hebben over hoe zij een hypotheek kunnen afsluiten, een bankrekening openen, enzovoort. Als je uitgaat van vrouwen die het zwaar hebben in de prostitutie, of die gemanipuleerd of gedwongen zijn, moeten we mannen ontmoedigen om seks te kopen en inzetten op betere vervolging van mensenhandelaren.’ In werkelijkheid zit er tussen de ‘happy hooker’ en het ‘aan de verwarming geketende slachtoffer’ een groot grijs gebied, en het liefst zou Van der Zee uitgangspunten met elkaar verenigen en zorgen voor een goed gesprek. Maar: ‘In Nederland wordt met een roze bril naar prostitutie gekeken. En ik ben degene die zegt: jongens, jullie hebben een roze bril op. Dat wordt mij kwalijk genomen.’

Ze ergert zich aan oppervlakkige stukken die verschijnen in de kwaliteitspers, zoals onlangs dat stuk in De Correspondent, en aan vooringenomen onderzoek. In haar boek Prostitutie: De waarheid achter de Wallen (2013) valt op hoe ze zelf schreef over prostituees, maar klanten ‘hoerenlopers’ noemde. Van der Zee: ‘Ik praat nu anders: ik spreek over vrouwen in de prostitutie en over sekskopers. Ik ben voortdurend bezig mijn denkbeelden aan te passen.’ Ik vraag haar of dat ook geldt voor haar standpunt in het debat. ‘Ik twijfel altijd, als je dat niet doet, ben je niet integer. Ik vind dat je alles wat je leest, in de media en in onderzoek, moet wegen. Door wie heeft deze persoon zich laten informeren, wat weet ik er zelf van?’

Of er ruimte bestaat voor een middenpositie? ‘Beleid maken dat recht doet aan beide uitgangspunten is moeilijk. Als je prostitutie diepgravend bestudeert, kom je erachter dat er geen zaligmakende oplossing is. Dat is de waarheid.’ Ze wil zich nu inzetten voor meer capaciteit en kennis bij de politie en betere informatieverstrekking, en dat is tenminste realiseerbaar.

Ze deelt mijn observatie dat de Korpszaal voornamelijk gevuld was met vrouwen en dat het vooral vrouwen zijn die zich uitspreken over de kwestie, en dat mannen praten vanuit een partijprogramma. Dat geldt voor alle geweldszaken met vrouwen, zegt ze. Daar zit het probleem: ‘Het kan Nederlandse mannen gewoon niets schelen.’

Precieze cijfers over het Zweedse model heeft Sunesson die avond niet. Hij wijst kritiek van de hand en spreekt over de grote budgetten voor onderzoek die beschikbaar zijn om andere standpunten te ondersteunen. Hoge cijfers van verkrachting hebben een oorsprong in de brede definitie van verkrachting in het land. Hij herhaalt dat prostitutie schadelijk is voor een maatschappij die streeft naar gendergelijkheid. Prostitutie is met de wet niet verdwenen, maar een belangrijk resultaat voor hem is dat de mentaliteit van de Zweden veranderde. Nog maar weinig Zweden vinden seks kopen oké. Maar als hem gevraagd wordt wat de personen die voor de wetgeving werkzaam waren in de prostitutie in Zweden zijn gaan doen, kan hij daar geen antwoord op geven. Dat was hem nog nooit gevraagd, en in Nederland nu al twee keer.

Officier van justitie Ten Kate krijgt het laatste woord: ‘Prostitutie zoals het zou moeten zijn, bestaat niet’, zegt hij. Hij nodigt uit tot een brede discussie.

‘Ik ben een sekswerker. Ik ben gay. Ik ben een vrouw. Dít is intersectionaliteit. Het is zo simpel als dat. Mijn leven raakt aan vrouwenrechten, lgbtqi-rechten en arbeidsrechten. Mijn leven raakt aan dat van jou.’ Met deze woorden begon Velvet December, sekswerker en medewerker van Proud, haar toespraak tijdens de Women’s March eerder dit jaar. Ze stelt er onder meer dat de happy hooker en het arme slachtoffer niet een en dezelfde zijn, ‘wij zijn een veelvoud van mensen, met een spectrum aan motivaties’, en dat sekswerk werk is. ‘Ik bied mijn diensten aan, maar mijn lichaam blijft altijd van mij. Ik verkoop het niet, je kunt het niet houden. Sekswerk is werk.’ Ze sluit af met: ‘Zeg me, hoe is jullie ontkenning van onze arbeidsrechten, onze mensenrechten, en het spreken over onze rug, iets anders dan schaamteloze misogynie en transfobie. Intersectionaliteit, jullie intersectionele feminisme, is geen modewoord. Het staat in relatie tot de realiteit die zich voor jullie neus afspeelt. Niets over ons zonder ons!’

In nog geen twintig jaar kantelde het feminisme in Nederland 180 graden. Joyce Outshoorn, emeritus hoogleraar vrouwenstudies aan de Universiteit Leiden, is de samensteller van The Politics of Prostitution: Women’s Movements, Democratic States and the Globalisation of Sex Commerce (Cambridge University Press, 2004). In het hoofdstuk over Nederland zet ze het publieke en politieke debat uiteen dat leidde tot de legalisering, beter gezegd de opheffing van het bordeelverbod, in 2000. De geschiedenis gaat terug tot de Zedelijkheidswet van 1911 (‘tot bestrijding van de zedeloosheid en beteugeling van de speelzucht’), toen protestantse en feministische bewegingen tegen gereguleerde prostitutie in opstand kwamen.

Wat volgde was een eeuw lang gedogen omdat afschaffen niet effectief was gebleken. Outshoorn beschrijft hoe het bordeelverbod de seksuele revolutie van de jaren zestig overleefde terwijl andere stukken uit de Zedelijkheidswet, waaronder anticonceptie, homoseksualiteit en abortus, sneuvelden. Vanaf de jaren zeventig groeide de seksindustrie in Nederland echter explosief en kwam vanuit de gemeenten de vraag tot opheffing, zodat er gereguleerd kon worden. Begin jaren tachtig kwam het onderwerp opnieuw onder de aandacht van feministen, en die namen eveneens positie in voor het opheffen van het bordeelverbod.

Het leidt in de jaren tachtig en negentig tot een politiek steekspel waarbij ‘vrouwen’ alle hoeken in worden geduwd. Ze worden onderverdeeld in Nederlands en afkomstig van buiten de EU, overeenkomend met de ‘mondige prostituee’ en het uitgebuite slachtoffer. Prostitutie is vanaf dan vrijwillig of onvrijwillig en binnen deze kaders is geen plek voor de combinatie vrijwillige prostituee van buiten de EU.

De feministen zijn verenigd in werkgroepen, zij leveren de politiek het benodigde onderzoek aan en weten prostitutie in de politiek in het framewerk van ‘sekswerk’ te krijgen. De Rode Draad, de Stichting tegen Vrouwenhandel en het Clara Wichmann Instituut, allemaal opgericht midden jaren tachtig, zijn gesprekspartner. In de politiek zijn het met name vrouwelijke Kamerleden op links die met de materie aan de slag gaan, de ‘femocrats’.

Uitkomst is, na bijna twintig jaar discussie, de opheffing van het bordeelverbod. Uit de memorie van toelichting bij de wet: ‘Hoe men ook aankijkt tegen het verschijnsel van prostitutie, dat het bestaat is een gegeven, ook voor de overheid. Dat vraagt om een realistische benadering zonder moralisme.’

Outshoorn spreekt over ‘de zeer succesvolle Nederlandse case van staatsfeminisme’, maar vraagt zich in de conclusie (uit 2004) wel af: ‘Zal het erkennen van prostitutie als werk de business opschonen, de positie van prostituees verbeteren en het werk gezond en veilig maken? Of zal het leiden tot nieuwe vormen van staatscontrole en voortdurende interventie van de onderwereld?’

‘Heb je wel door dat het hele debat gaat over vrouwen? Er zijn veel andere mensen werkzaam in sekswerk, mannen en transseksuelen’

Het georganiseerde feminisme ebde weg en de seksindustrie veranderde. De politiek verschoof naar rechts, er kon niet meer over prostituees van buiten de EU worden gesproken met de toestroom van vrouwen uit Roemenië en Bulgarije, landen die allebei in 2007 tot de EU toetraden.

Het zijn ontwikkelingen die hun weerslag hadden op het prostitutiebeleid. In hun bijdrage aan Feminism, Prostitution and the State: The Politics of Neo-Abolitionism (Routledge, 2017) schetsen de onderzoekers Silke Heumann, Sara Vida Coumans, Tamar Shiboleth en Marieke Ridder-Wiskerke een analyse van hoe het ‘neo-abolistische’ gedachtegoed in Nederland voet aan de grond kreeg, een stroming die vindt dat prostitutie moet worden tegengegaan, maar die de aandacht vestigt op de afnemer: de klant. De idealen van de legalisatie liepen geleidelijk in de soep en in 2003 kwam een discussie op gang over een ‘kaderwet’, door sekswerkersorganisaties ingestoken als een manier om om te gaan met de veranderende seksindustrie en het reguleren van sekswerkersrechten, maar in de politiek onder invloed van christelijke partijen omgedoopt tot Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp) – nog altijd in de maak. De teugels werden aangehaald.

Welk standpunt geldt nu nog als feministisch? De Britse Julie Bindel is journalist en mengt zich in debatten wereldwijd. Haar boek The Pimping of Prostitution: Abolishing the Sex Work Myth (2017) is een zeer vlammend, en zeer eenzijdig, verhaal dat zich richt tegen de ‘sex workers’ rights’-beweging, zoals ze die consequent tussen haakjes zet. Je leest er gesprekken met en ervaringen van sekswerkers, ook uit Nederland, een stortvloed van cijfers, een lijst met uitspraken van klanten die je maag doen omdraaien.

Windel noemt zichzelf een radicale feminist, voortkomend uit het verzet tegen geweld van mannen tegen vrouwen. In haar boek maakt ze het onderscheid tussen de ‘neoliberal “choice” feminists’, ook wel ‘fun feminists’ genoemd, en haarzelf. Ze schrijft: ‘Door de jaren heen ben ik ervan beschuldigd een christelijke moralist te zijn, een preuts persoon en een mannen-hatend monster. (…) Een ding kan ik met zekerheid zeggen uit alles wat ik heb geleerd over de wereldwijde seksindustrie: die is gebouwd op de exploitatie van vrouwen door mannen, en zou niet kunnen bestaan zonder de geïnstitutionaliseerde onderdrukkingen van gender, ras en klasse. Ik zou graag een eind zien aan prostitutie omdat het zowel een oorzaak als een consequentie is van de onderwerping van vrouwen onder de handen van mannen en ik ben, tenslotte, een feminist.’

De discussie maakte in honderd jaar tijd een ronde, een stoelendans waarbij de feministen van plek wisselden, het perspectief radicaal kantelde, en zij nu weer als bondgenoten naast de (christelijke) conservatieven hebben plaatsgenomen.

Afwerkplek bij de Bornholmstraat in Groningen © Kees van de Veen / HH

Voor elk standpunt lijkt een passend onderzoek beschikbaar, maar meer wetenschappelijk onderzoek betekent niet automatisch meer bruikbare kennis. Lorraine Nencel is universitair hoofddocent sociologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze doet onderzoek naar sekswerk in vier continenten en onderzoek naar het onderzoek naar sekswerk. In haar bijdrage aan Prostitution Research in Context: Methodology, Representation and Power (Routledge, 2017) analyseert Nencel wat het betekent om samen met sekswerkers onderzoek te doen en hun ervaringen centraal te stellen. Veel onderzoekers schrijven over sekswerkers zonder met hen samen te werken, met als gevolg onderzoek dat de positie van sekswerkers verder marginaliseert en stigmatiseert.

Ik vraag haar hoe je gedegen onderzoek kunt doen naar een onderwerp zo ongrijpbaar als dit. ‘Ik ben van mening’, zegt ze, ‘dat het belangrijk is om steeds de verschillende facetten te laten zien. Om te praten en samen te werken met sekswerkers, om hun verhalen op te tekenen en negatieve ervaringen niet uit de weg te gaan, maar te bekijken hoe deze in relatie staan tot wetgeving en structurele ongelijkheid. Veel onderzoek wordt gebruikt ter ondersteuning van het abolitionistische standpunt dat sekswerk reduceert tot geweld. Dat gaat gepaard met sweeping statements en weinig bewijsvoering.’ Bovendien stoort ze zich aan onderzoek dat mensenhandel en sekswerk in één adem noemt: het zijn twee verschillende dingen. ‘Steeds meer onderzoek laat zien dat het überhaupt onmogelijk is om statistisch onderzoek te doen naar mensenhandel. Uitspraken over gedwongen sekswerk variëren van vijf tot negentig procent, wat heb je aan die kennis, zelfs als de waarheid in het midden zit? Dwang wordt door verschillende onderzoeken en in verschillende landen anders gedefinieerd. Soms gaat het dan om “vermoede” slachtoffers en niet om feitelijke aangiften.’

Waar volgens Nencel bijvoorbeeld geen rekening mee wordt gehouden, zijn migranten die zelf kiezen voor slechte arbeidsomstandigheden, voor uitbuiting, als dat betekent dat ze later op eigen benen kunnen staan. Om recht te doen aan die realiteit zou uitbuiting in de seksindustrie moeten worden onderzocht als deel van het onderzoek naar arbeidsuitbuiting en niet als iets wat daarbuiten valt. Dat zou wel degelijk bijdragen aan de discussie. Nencel: ‘Natuurlijk is er geweld. Er zijn risico’s verbonden aan sekswerk. Het is ook niet dat ik denk dat er geen echte slachtoffers bestaan van mensenhandel; die bestaan wel. Maar er zijn daar veel grijze gebieden tussenin. Het is gecompliceerd en het debat geeft geen ruimte voor de nuances die net zo belangrijk zijn in dit verhaal. Goed onderzoek laat de nuances zien, de uitbuiting en ook de goede verhalen, waar mensen werken die tevreden zijn of klachten hebben over de arbeidsomstandigheden in de reguliere sector.’

Iets anders waar volgens Nencel meer onderzoek naar gedaan moet worden, zijn de normen en waarden rond de seksualiteit. ‘De onderliggende vraag in dit debat is: wat is goede seks? Als iemand geld betaalt of ontvangt voor seks, wordt dat gezien als slechte seks, die gepaard gaat met geweld. Als je ervan uitgaat dat meerdere vormen van seks mogelijk zijn, zonder een morele uitspraak daarover te doen, ga je anders kijken naar de klant en anders naar de sekswerker.’ En, vraagt ze dan, heb je wel door dat het hele debat gaat over vrouwen? ‘Er zijn veel andere mensen werkzaam in sekswerk, mannen en transseksuelen. Een deel van het huidige debat laat geen ruimte over voor hun situatie, hun stigmatisering, de problemen waar zij tegenaan lopen.’

Op de Wallen komt het prostitutiedebat tot een kookpunt. Dat is waar de problematiek zichtbaar wordt, of liever, waar prostitutie zichtbaar wordt en de problematiek alsnog verborgen blijft. De toekomst van dit gebied raakt aan meer dan de toekomst van prostitutie alleen: de reputatie van het land staat op het spel. Zoals Joop van Riessen, oud-hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie, zei tegen at5: ‘Je blijft af van de Wallen alsof het de bankkluizen van de Nederlandsche Bank zijn, want daar kom je níet aan.’

‘Bijna helft Amsterdammers vindt de Wallen niet meer kunnen’, kopte HetParool op 26 januari van dit jaar. Samen met at5 had de krant een vragenlijst over het Wallengebied opgesteld en uitgezet onder bewoners van Amsterdam. Wie ‘Amsterdammers over het Wallengebied’ leest, ziet echter dat de cijfers een stuk genuanceerder zijn. De kop van het artikel leunt op een nogal gekleurde stelling: ‘Het is niet van deze tijd om vrouwen in een etalage te zetten.’ 49 procent van de ondervraagden antwoordde daar ‘eens’ of ‘redelijk eens’ op. Maar precies hetzelfde percentage gaat op voor de vraag: ‘Vindt u dat raamprostitutie in Amsterdam verboden moet worden?’ 49 procent vindt van niet, 61 procent van de mannen en 42 procent van de vrouwen, maar dat werd niet de kop van het stuk.

In hoeverre de Wallen in de weg staan van een breder prostitutiedebat dat recht doet aan gesignaleerde problemen, maar los blijft van stadsproblematiek en ’s lands reputatie, is de vraag. De Nationaal Rapporteur stelde in de Slachtoffermonitor 2013-2017 dat het erop lijkt dat slachtoffers van mensenhandel en binnenlandse seksuele uitbuiting meestal en steeds vaker worden aangetroffen in de minder zichtbare prostitutiesectoren. Het gaat dan om thuisprostitutie en escort. ‘Deze cijfers onderstrepen wederom het grote – en almaar toenemende – belang van toezicht op deze minder zichtbare sectoren in de aanpak van mensenhandel. In het licht van het wetsvoorstel Wet regulering prostitutie, dat momenteel wordt herzien, is dit zorgelijk (…). Immers, bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel zoals dat nu voorligt aan de Eerste Kamer, zal het toezicht op de prostitutiebranche alleen gericht zijn op de bedrijfsmatige onderdelen, die juist veelal de meer zichtbare sectoren betreffen (zoals raamprostitutie, bordelen en clubs).’

Op de Wallen is het druk, toeristisch en minder veilig, geven Amsterdammers in het onderzoek aan. Ze komen er minder vaak dan voorheen. Burgemeester Femke Halsema zegt in Het Parool onder meer dat raamprostitutie, een historisch fenomeen in Amsterdam, wat haar betreft minder vanzelfsprekend is geworden. Ze merkt op: ‘Het gaat in toenemende mate gepaard met het vernederen van vrouwen door grote groepen toeristen.’ (‘Halsema: etaleren van kwetsbare vrouwen is niet acceptabel’, 9 februari). In juli komt de gemeente Amsterdam met een nota over het Wallengebied.

Denken over prostitutie is denken over lichaam en geest. Doorgaans over ándermans lichaam en ándermans geest. In het debat klinkt om de zoveel tijd de roep dat men toch ook niet zou willen dat de eigen vrouw of dochter prostituee zou worden. Maar daar hebben ouders uiteindelijk niets over te zeggen. En de vrouwen die het wel werden, zijn ook iemands dochter. Nederlands of Oost-Europees, vrijwillig of onvrijwillig werkzaam in de prostitutie.

De druk op de overheid om met nieuw beleid een nieuwe weg in te slaan neemt toe. Er moet opnieuw gezocht worden naar ‘een realistische benadering zonder moralisme’, maar een die past bij deze tijd. Het zou niet meer dan logisch zijn als meer mannen daarover gingen meepraten.