Column Roel Chapkis

Nederland in België

Antwerpen. In restaurant Horta hebben de kelners dopjes in hun oor en een microfoontje voor hun mond. Oscar van den Boogaard raadt me een bepaald voorgerecht aan. De illegale Irakees Galimi, columnist bij de Twentse Courant, raadt me een bepaald hoofdgerecht aan. Ik bestel het voorgerecht en het hoofdgerecht dat de twee Arbeiderspers-auteurs aanrieden. De kelner zegt: «Nee, die combinatie is veel te zwaar voor u», en adviseert me wat anders. Mijn Belgische uitgeefster excuseert zich voor haar landgenoot, maar ik vind de kelner wijs. Joke van Leeuwen klaagt dat De Standaard haar boek niet heeft begrepen. Ik heb net met Henk Jansen van De Standaard gesproken en ga straks met de Gazet van Antwerpen spreken. Maar die belt af omdat Eddy van Vliet dood is. Ze hebben bij de Gazet maar één persoon met verstand van literatuur. Een uurtje vrij. Ik pak tramlijn 8 naar het Museum van Schone Kunsten, altijd leeg, altijd prachtig. Vredenburg de Vries blijkt in de vergrotingen van zijn lijntekeningen nog mooier dan als zijn ontwerpen echt uitgewerkt waren. Voor de Madonna van Fouquet lees ik de literatuurbijlage van De Morgen — twee grote stukken daarin zag ik vorige week al in de NRC. Een telefoontje om te waarschuwen dat de nieuwe Vlaamse minister van Cultuur bij mijn optreden zal zijn. Ik krijg opdracht tegen hem te zeggen: «O, dus u bent minister Anciaux», want die is hij net opgevolgd.

Toen Rob van Gennep een kwart eeuw geleden «Het Andere Boek» uitvond, betekende Ander: Links, Modern, Nonconformistisch, Opstandig. Dat boek is dood. Nu wordt de hogeschool in Antwerpen gevuld met honderden boekentafels plus zes zalen waar elk uur een andere auteur optreedt. Bij Jan Morris zie ik als interviewer de man die me voor Radio Clara ondervroeg. Morris beweert dat het Britse imperium, in tegenstelling tot alle andere imperia, veel goeds deed. De interviewer komt met de Boerenoorlog. Jan zegt dat de Engelsen daar met de Zwarten tegen de Boeren streden. Bij Midas Dekker, die beweert dat mensen wel genen hebben die tot neuk dwingen maar geen genen die tot opvoeden dwingen en dat moederliefde een verzinsel is, staat een Belgin kwaad op, roepende: «Heeft u weleens van Cultuur gehoord?» Paul Claes kijkt verbaasd naar de achterzij van het Verlaine-nummer van De Tweede Ronde waar zijn naam bij de medewerkers staat en zegt me: «Ik heb nooit iets van Verlaine vertaald.» «Maar wel van Rimbaud, en dat haalt Verlaine in dit nummer aan!»

Mijn vriend Jan Baeten laat in het hol van de Vlaamse leeuw vier Waalse dichters horen. Twee daarvan hebben in hun verzen coupletten die geschreeuwd moeten worden — met hoofdletters afgedrukt? Ik kan het niet zien, want de uitgever van de Nederlandse vertaling is niet komen opdagen met de boeken. De volste zalen trekken Adriaan van Dis en Erwin Mortier die beiden een allerliefste interviewster hebben. John Meulenhoffs ziel weent in de hoogte.

Net wil ik een kaartje naar Amsterdam kopen of ik hoor dat Claus, de prins, de weg van Rob van Gennep, Verlaine, Rimbaud, Meulenhoff en Van Vliet is ingeslagen. Ik koop een kaartje Parijs, want geen zin om drie dagen lang al die stomme verhalen over de dooie prins te moeten lezen en horen. Ja, hij was tegen de monarchie. Hij was daarmee ook de enige persoon in de twintigste eeuw die daar iets tegen had kunnen doen door vrouw en zoon te overtuigen dat een republiek beter is. Dat liet hij na. Nu is hij eerder vergeten dan Eddy van Vliet.