Nederland in de uitverkoop de dictatuur van de vrije markt

Meer markt, minder overheid. Meer efficiency, minder bureaucratie. Het pakte allemaal wat anders uit. De privatiseringsgolf werd een rondedans van vestzak naar broekzak. Een reportage over prijskaartjes, prikkels en pseudo-ambtenaren. En wat doen die McDonald’s-petjes tegenwoordig op school?
DE GEMEENTE KOOPT het ‘produkt’ peuterspeelzaal in van de stichting welzijn. De schouwburg komt in handen van Van der Valk. De thuiszorg gaat de markt op met pispotjes. De gemeente verkoopt de kabel. Het leveren van gas en elektriciteit behoort straks tot een particulier monopolie. De streekbus is in handen van een Amerikaans bedrijf. De ziekenfondsen worden omgebouwd tot particuliere verzekeraars. De woningbouwvereniging speculeert. Het verhaal van de NS en de PTT kennen we inmiddels. Er is meer. Het schoolfeest wordt gesubsideerd door McDonald’s. De tram raakt van binnen en buiten volgestouwd met reclames. Sociale bewegingen zijn, nu de overheid steeds minder subsidie verstrekt, afhankelijk van sponsors, met alle depolitiserende gevolgen van dien.

De ‘vermarkting’ van de samenleving komt lekker op gang. Dank zij een fantastische synthese van ideologie, bezuinigingen, Europese regelgeving en algehele overheidsmalaise mag de markt het voortaan doen. Soms voorafgegaan door discussie, maar vaak ook is het er opeens. McDonald’s petjes op het schoolreisje, hoe kan dat nou? Tsja, anders was er nu eenmaal geen geld voor dat schoolreisje.
Het begon met het kabinet-Lubbers I. 'Meer markt, minder overheid.’ En aangezien de overheid wordt gepersonifieerd door ambtenaren, moesten er minder ambtenaren komen. Dat is vrij goed gelukt: tussen 1982 en 1992 daalde hun aantal met tienduizenden. In dezelfde periode ontstonden zeshonderd 'zelfstandige bestuursorganen’ (zbo’s) met honderddertigduizend ex- ambtenaren. Betaald door de overheid, dat wel, maar in de statistieken telden ze niet meer mee, en bij ideologieen gaat het nu eenmaal om het optische effect.
De Algemene Rekenkamer en een commissie van topambtenaren onder leiding van Marjanne Sint sloegen vorig jaar al alarm. Want wat blijkt? De diensten die de overheid vervolgens van deze zbo’s inkoopt zijn over het algemeen duurder. Omdat de salarissen lekker omhoog gaan, aangezien er plotseling lease-auto’s nodig blijken, en omdat het 'bedrijf’ vaak een monopoliepositie heeft en dus alles kan vragen. En als ze geen monopoliepositie hebben, doen ze wel aan valse concurrentie: met behulp van gemeenschapgeld klussen de diensten bij op de vrije markt. Er is zo een groot grijs gebied ontstaan dat noch door de markt, noch door de overheid wordt gecontroleerd, waarschuwde de Rekenkamer.
WIE VERWACHT dat het rapport van de Rekenkamer de politiek aan het denken heeft gezet, vergist zich. Zeker, de ministeries doen het sinds het rapport wat rustiger aan met het privatiseren van hun eigen diensten, doch op vrijwel alle andere denkbare gebieden is de vermarkting juist in volle gang. De overheid trekt zich terug uit de sociale zekerheid, uit de huisvesting, uit het onderwijs, uit het openbaar vervoer, uit de informatievoorziening, uit de ruimtelijke ordening, uit de gezondheidszorg.
In de gemeenten wordt geprivatiseerd dat het een lieve lust is. Het groenbeheer, het gebouwenonderhoud, het drukwerk, bibliotheken, schouwburgen, sporthallen, waarom zou de overheid het moeten doen? Trouwens, de afdeling stedebouwkundige ontwerpen kan ook best geprivatiseerd. En de communicatie met de burgers. En het uitschrijven van parkeerboetes. Is er eigenlijk nog wel iets typisch des overheids? Ingegeven door een mengsel van neoliberale ideologie en bezuinigingsnoodzaak voerde vrijwel iedere gemeente de afgelopen jaren een 'kerntakendiscussie’, om vervolgens zoveel mogelijk taken over de muur van de markt te kieperen.
In de praktijk blijkt het vaak geheel willekeurig wat de gemeente tot haar kerntaken rekent. Paul Kuypers, die als adviseur bij een aantal 'kerntakendiscussies’ betrokken was: 'De directeur van het elektrici teitsbedrijf liep toch al tegen z'n pensioen, dus kan het bedrijf mooi geprivatiseerd. Of de gemeente heeft de pest aan de eigenwijze dokters van de GG&GD, dus wil ze die kwijt. Maar het zou natuurlijk niet moeten gaan over wat een kerntaak is en wat niet, want als het goed is gaat de politiek over alles. De vraag zou moeten zijn hoe je die taak het beste uitvoert.’
De Rotterdamse hoogleraar bestuurskunde Kickert verwacht dat de gevolgen op gemeentelijk niveau even funest zijn als landelijk. 'Gebrek aan controle- en sturingsmogelijkheid, een monopoliepositie voor de geprivatiseerde dienst, de gemeente die een poot wordt uitgedraaid, dubbele loyaliteiten.’
Theoretisch zou het niet zoveel hoeven uit te maken of een gemeentelijk vervoerbedrijf rechtstreeks onder de gemeente valt of een NV is waarvan de aandelen in handen van de gemeente zijn, of een geheel particulier bedrijf waarbij de gemeente de macht heeft om de subsidiekraan dicht te draaien en een ander bedrijf te zoeken. Theoretisch zijn er ook bij privatiseringen mogelijkheden voor de overheid om maatschappelijke eisen te stellen. Maar de praktijk is dat de verzelfstandigingen juist deel uitmaken van de terugtredingsfilosofie, en dat de betreffende overheid het niet in haar hoofd haalt om harde eisen te stellen. Door het algehele gebrek aan zelfbewustzijn bij de overheid is men vaak allang blij dat er een particuliere gegadigde is. Zo kon het gebeuren dat Verkeer en Waterstaat vergat om aan de NS de eis te stellen dat het alles of niets is: als men de lijn Amsterdam-Den Haag wil uitbaten, dan ook de onrendabele lijn Apeldoorn-Zutphen. En ze vergat ook te zeggen dat pizzastalletjes leuk zijn, maar dat er wel een minimum aantal loketten moet blijven bestaan.
En zo kon het gebeuren dat de gemeente Amsterdam onder voorwaarden de kabel aan het bedrijf A2000 verkocht, maar daarbij geen rekening hield met de komst van zoiets als het sportkanaal. De particuliere uitbater ziet z'n kans schoon en stopt het sportkanaal in het 'pluspakket’, waarvoor iedere kijker straks twintig gulden per maand moet gaan betalen. Had de gemeente Amsterdam beter moeten onderhandelen? Of behoort een kabel eenvoudigweg tot de niet te privatiseren infrastructuur?
Zo privatiseerde het ministerie van Vrom het kadaster, daarmee een schat aan informatie gratis weggevend aan een particulier monopolie. De computers van het kadaster draaien inmiddels op volle toeren: vooral combinaties van gegevens brengen veel geld op.
DECENTRALISATIE, dat andere speeltje van de politiek in de jaren negentig, is vaak een voorloper van privatisering en een terugtredende overheid. Het welzijnswerk, de volkshuisvesting, delen van het onderwijs en de gezondheidszorg: gemeenten zijn plotseling verantwoordelijk voor zaken waar ze weinig verstand van hebben. Bovendien gaat decentralisatie per definitie gepaard met een 'efficiency-korting’: als het Rijk de school onderhield voor bedrag x, dan moet de gemeente het voor negentig procent daarvan doen.
De eerste vraag na zo'n decentralisatie luidt dan ook vaak: hoe komen we zo snel mogelijk weer van de verantwoordelijkheid af? Waarop de hulp van een adviesbureau wordt ingeroepen. De organisatie- en adviesbureaus zijn een belangrijke motor in het privatiseringscircus; wat de meeste bureaus betreft kan er nooit genoeg geprivatiseerd worden. Financieel blijkt het verzelf standigen en privatiseren gemeenten trouwens vaak niets op te leveren, om dezelfde redenen die de Rekenkamer op landelijk niveau constateerde.
De vakbeweging verzet zich nauwelijks tegen privatiseringen. Weliswaar is de top van de ambtenarenbond AbvaKabo principieel tegen (en natuurlijk uit eigenbelang: hoe meer ambtenaren, hoe meer leden; bij de privatisering van de postbank liepen 20.000 ex-ambtenaren over naar de Dienstenbond), de individuele leden zijn maar al te vaak voor. Zeker de hogere ambtenaren verwachten als niet-ambtenaar meer te gaan verdienen, en de markt heeft veel meer status. Een overheid die uitblinkt in een negatief zelfbeeld, creeert nu eenmaal geen ambtenaren die er trots op zijn ambtenaar te zijn.
De reiniging in de gemeente Arnhem is een goed voorbeeld van hoe gemeenten worstelen met het privatiseringsvirus. Een grote reinigingsdienst werkt goedkoper, want heeft minder overhead en kan bij de afvalverwerkers een betere prijs bedingen. Bovendien is het makkelijk als niet ieder besluit meer via het gemeentebestuur hoeft. Dat pleit voor schaalvergroting en privatisering. Maar dan heb je, zo vreesde Arnhem, geen enkele invloed meer op de aard van de verwerking, op het milieubeleid, op de prijs. Uiteindelijk werd gekozen voor de oprichting van een NV, waarin ook de reinigingsdienst van Rheden zit, met de beide gemeenten als aandeelhouders en de wethouders in de Raad van Commissarissen. In de hoop dat op termijn de hele regio mee gaat doen en de NV kan concurreren met de 'echte’ markt, maar wel onder controle van de overheid.
De Europese regelgeving zit echter dwars. De Amerikaanse afvalgigant BFI spande een geding aan tegen beide gemeenten: als gemeenten eenmaal opdrachten de deur uit doen, moet iedereen kunnen meedingen, dus ook BFI. Het wachten is op het hoger beroep, dat in april dient. Het is een aardige paradox: terwijl 'Europa’ enerzijds de motor is voor marktwerking en privatisering, zou datzelfde Europa nog wel eens de belangrijkste reden kunnen worden voor gemeenten en andere overheden om juist niet meer te privatiseren of te verzelfstandigen. Zodra een dienst immers verzelfstandigd is, moet er volgens de Europese richtlijnen openbaar worden aanbesteed - en gaat de dienst misschien failliet omdat een of ander buitenlands bedrijf goedkoper blijkt te zijn. Valt een dienst onder de overheid, dan heeft men met openbare aanbesteding niets te maken.
De half-geprivatiseerde Arnhemse reinigingsdienst ontplooit overigens ook commerciele activiteiten voor derden. Riekt dat niet naar concurrentievervalsing met behulp van overheidsgeld, waar onlangs ook het Gak van werd beschuldigd? Nee hoor, zeggen ze in Arnhem: 'Onze accountant kan aantonen dat het niet zo is. De commerciele activiteiten zijn ondergebracht in een aparte werkmaatschappij. Trouwens, toen we nog helemaal onder de gemeente vielen, werkten we ook al voor derden.’
BIJ DE GG&GD in Amsterdam liep het anders af. Het gemeentebestuur zat met de gezondheidsdienst in haar maag, vroeg het bureau KPMG om advies en die adviseerde… inderdaad, privatiseren die handel. De preventieve gezondheidszorg kon best 'produkten’ afzetten op de markt - de produkten ongediertebestrijding, zuigelingenzorg, tbc-controle en wat dies meer zij, vond KPMG. Te betalen door de klanten, de stadsdelen bijvoorbeeld. Directeur Renge link vertrok vanwege de plannen: 'Want je kunt wel produkten leveren, maar volgens mij is er naar preventieve gezondheidszorg geen vraag - of in ieder geval geen koopkrachtige vraag, om maar even in die termen te spreken. Als mensen overlast of gevaar veroorzaken is een stadsdeel misschien bereid om voor opvang te betalen, maar bij allerlei stil leed moet je dat maar afwachten.’
Bovendien was hij bang dat de organisatie doordrenkt zou raken van het marktdenken: wat levert het ons op, hoe verhogen we ons rendement. Rengelink: 'Een hulprelatie mag niet worden verstoord door een financiele relatie. Bovendien is het natuurlijk flauwekul dat een gemeentelijke dienst slechter werk zou leveren dan een commerciele dienst.’ Rengelink vertrok, maar uiteindelijk werd de discussie wel in zijn geest beslist: de hoofdstedelijke GG&GD blijft een gemeentelijke dienst, zij het dat de dienst wel zoveel mogelijk 'marktconform’ moet gaan werken.
De discussie binnen de GG&GD geeft een aardige indruk van hoe de 'vermarkting’ de publieke sector is binnengeslopen. Ook als er niet wordt geprivatiseerd, moet en zal er conform de markt worden gewerkt. In het onderwijs, in de gezondheidszorg, in gemeentehuizen. Op Hogescholen worden de studenten voortaan beschouwd als klanten, de docenten als producenten. En producenten moeten leveren wat de klant vraagt. Het duurt niet lang meer of docenten kunnen worden ontslagen als hun produkt te weinig aftrek vindt - bijvoorbeeld omdat studenten ervan uitgaan dat het vak filosofie geen positieve invloed heeft op het vinden van een baan.
De voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam, Gevers, wil op de UvA nog slechts docenten inhuren afhankelijk van de vraag. Pedagogische of didactische principes? Welnee, de klant is koning. En de klant is straks weer produkt op een andere markt - de arbeidsmarkt - en moet dus zorgen dat hij zo veel mogelijk waard wordt.
TROUWENS, OOK DE arbeidsmarkt moet als het aan de neoliberalen ligt meer als een markt gaan functioneren, niet gehinderd door minimumloon of regels over arbeidsomstandigheden. Helaas zijn er een paar verschillen tussen een goederenmarkt en een mensenmarkt - wat de arbeidsmarkt in feite is. Zo is het altijd prettig als goederen zo goedkoop mogelijk zijn, maar is het niet echt prettig als de prijs van mensen, dank zij het mensenoverschot, al te sterk daalt. Bovendien kun je, als de prijs van tomaten te laag dreigt te worden doordat er teveel tomaten zijn, de tomaten eenvoudigweg doordraaien. Bij mensen is dat wat moeilijker.
In het kader van de nieuwe zakelijkheid blijkt vrijwel alles wat de overheid doet, te definieren te zijn als het kopen en verkopen van produkten. De gemeente koopt het produkt jongerenopvang van de stichting welzijn en het produkt zuigelingenzorg van de GG&GD, te financieren afhankelijk van de output: het resultaat. 'De markt van welzijn en geluk’ is werkelijkheid geworden - alleen een heel andere dan waar Hans Achterhuis ooit voor waarschuwde.
Volgens J. R. Zoutman, bij de Vereniging van Nederlandse gemeenten belast met welzijnsbeleid, betekent de nieuwe zakelijkheid het herstel van het primaat van de politiek. 'Vroeger keek de gemeente slechts of de begroting van een welzijnsinstelling klopte. Nu moet de gemeente echt bedenken welke problemen men wil aanpakken en hoeveel geld men ervoor overheeft.’
Maar het punt is nu juist dat de vermarkting van het welzijn niet ingegeven is door de wens eindelijk weer politiek te gaan bedrijven, maar deel uitmaakt van het adagium 'meer markt, minder overheid’, hetgeen al snel vertaald wordt met 'minder politiek’. De gemeenteraad wil helemaal niet discussieren over wat te doen met die rondhangende jongeren, het debat gaat slechts over de vraag of die jongeren wel tot een kerntaak behoren, en of er wel geld voor is. En als resultaten meetbaar moeten zijn, telt alleen nog datgene wat meetbaar is. De gemeente speelt bovendien 'marktje’ terwijl er geen markt is. Ze kan in theorie besluiten de produkten van de stichting welzijn niet langer af te nemen, maar als de stichting vervolgens failliet gaat is het wel de gemeente die opdraait voor de wachtgelden.
Een hilarisch gevolg van de vermarkting is het ontstaan van een geheel nieuw soort bureaucratie. Gemeentelijke diensten schrijven elkaar eindeloos rekeningen, NS Reizigers huurt stations van de BV Stations, de NOS moet tegenwoordig honderden guldens betalen voor een videoband van een eigen NOS-programma: het NOB neemt namelijk de programma’s op, en het NOB is een zelfstandig bedrijf. Het arbeidsbureau stuurt de gemeente een rekening voor het produkt 'bemiddeling van werklozen’. Allemaal vestzak-broekzak, want uiteindelijk gewoon betaald van belastingcenten.
PRIJSKAARTJES, prikkels, output. Met alle onbedoelde effecten van dien. Scholen die afgerekend worden op hun eindresultaten (zoals nu al bij de basiseducatie gebeurt) nemen alleen nog maar potentiele VWO-leerlingen aan. De 068008-telefoniste vertikt het nog langer om lastige telefoonnummers op te zoeken - zij wordt afgerekend op het aantal klanten, niet op prettige dienstverlening. Toen de arbeidsbureaus streefcijfers kregen opgelegd, hielden ze zich nog slechts bezig met de kansrijke, goedopgeleide werklozen; de losers kosten immers veel meer tijd. Wie calculatie zaait, zal calculatie oogsten.
De overheid financiert nog slechts tachtig procent van de exploitatiekosten van scholen. Het tijdschrift Sponsoring constateert dan ook dat het onderwijs een belangrijke groeimarkt is. Albert Heijn betaalt al een flink aantal schoollokalen, IBM levert gratis computers. McDonald’s betaalt 50.000 gulden aan lesmateriaal van de stichting Consument en Veiligheid; in ruil daarvoor mag hamburgerclown Ronald McDonald in iedere klas het project inleiden. De school straalt nog immer kwaliteit en autoriteit uit, weten de reclamemensen, en dus heeft reclame via de school een grote impact op de toekomstige consument. Shell biedt zelfs eigen lesmateriaal aan - het vindt gretig aftrek. Schoolbesturen zijn steeds minder tegen de verleiding bestand. P. de Brey, directeur van de Amsterdamse Esprit scholengemeenschap, hoopt dat hij binnenkort een automerk bereid vindt om een busje tussen te dependances te betalen, vanzelfsprekend fleurig opgeschilderd met reclame voor het betreffende merk.
Na vragen van de kleine linkse partijen heeft staatssecretaris Netelenbos beloofd met richtlijnen voor sponsorgeld te komen: de medezeggenschapsraad krijgt zeggenschap. Zodat er voortaan democratisch tot sponsoring besloten kan worden, want zolang de overheid weigert de exploitatie van de scholen te dekken, zijn scholen eenvoudigweg gedwongen om de overige twintig procent bij de ouders of het bedrijfsleven te halen.
Hoe groot de verleiding is, bleek enkele jaren geleden in de gemeente Heemstede. De gemeente, die verantwoordelijk is voor de openbare scholen, is tegen sponsoring. Maar toen McDonald’s vervolgens aanbood om het geld niet rechtstreeks aan de school te geven doch aan de eigenaar van een gebouw, die het gebouw vervolgens gratis ter beschikking stelde aan een school, had Heemstede geen bezwaar.
Zou het werkelijk zo zijn dat de Nederlander liever een dubbeltje extra voor z'n hamburger betaalt om daarmee het onderwijs te financieren dan een dubbeltje extra belastinggeld? En is het democratischer als MacDonald’s bepaalt welke school een nieuw lokaal krijgt dan als de gemeente dat doet - en daar dan ook geld voor heeft?
De ingrijpendste privatisering die Nederland te wachten staat is waarschijnlijk die van de nutsbedrijven - de levering van gas en elektriciteit. Binnen een paar jaar wordt de energievoorziening 'geliberaliseerd’: iedereen mag dan energie leveren aan het Nederlandse net. De overheid, die via gemeenten en provincies eigenaar is van de vier Nederlandse elektriciteitsbedrijven en mede-eigenaar is van de Gasunie, is dan alle invloed op prijs- en milieubeleid kwijt. Er wordt een harde concurrentiestrijd verwacht, waarbij uiteindelijk slechts een paar energieproducenten in Europa overblijven. Zo ontstaan particuliere monopolies, en die hebben weinig belang bij betrouwbaarheid, toegankelijkheid, controleerbaarheid en milieuvriendelijke produktie.
Het is niet toevallig dat Nederland bij de liberalisering van de elektriciteitsvoorziening voorop loopt in Europa: elektriciteit valt onder minister Wijers, en hij is de grootste vrije-marktfan van het kabinet. Voor de minister van Economische Zaken is het middel doel: een afweging van de consequenties van liberalisering is niet nodig, omdat de liberalisering zelf het hoogste goed is. Concurrentie, zo leert de neoliberale economische theorie, leidt op termijn tot het beste voor iedereen.
WIE BEWEERT DAT de levering van energie een maatschappelijke voorziening is die in overheidshanden moet blijven, heeft gelijk, maar heeft wel een probleem: de overheid heeft er de afgelopen decennia weinig van gebakken. Tot eind jaren tachtig gebruikten gemeenten de energiebedrijven als melkkoe, waarbij het afzetten van zo veel mogelijk energie centraal stond. Niks energiebesparing of milieubeleid. Ook ontmoedigt de overheid de produktie van bijvoorbeeld windenergie en warmtekrachtkoppeling, omdat men bang is dat de afname van de grote elektriciteitsproducenten in gevaar komt - en daar is de overheid aandeelhouder van. En de gemeente Rotterdam bijvoorbeeld houdt, als aandeelhouder van het elektriciteitsbedrijf, de prijzen voor de bedrijven in de Rijnmond kunstmatig laag, ten koste van de huishoudens.
Ook bij het afvalbeleid neemt Rotterdam het niet nauw met de maatschappelijke doelen. Als aandeelhouder van het vuilverbrandingsbedrijf AVR heeft de gemeente belang bij zo veel mogelijk afval. Rotterdam heeft zich dan ook lang verzet tegen de gescheiden inzameling van afval. En nu het, dank zij het vele hergebruik van afval, inderdaad slecht gaat met de AVR, wil de gemeente de reinigingsdienst privatiseren en laten opgaan in de AVR: zo krijgt de vuilverbrander directe invloed op het reinigingsbeleid. Kortom, als het gaat om milieubeleid hoeft de overheid het bepaald niet beter te doen dan de markt. Het verschil is dat de overheid kan beslissen om het milieu voorrang te geven, niet dat ze het altijd doet.
Het falen van de overheid is een belangrijk alibi voor meer marktwerking. Deed de overheid het goed als beheerder van het openbaar vervoer? Nee toch? Nou dan. Maar, zoals het adviesbureau Deloitte en Touche stelt in de handleiding Leren van privatiseren: 'Als de politiek van mening is dat de producerende overheidsinstanties ineffectief en inefficient werken, dan is niet privatiseren de oplossing, maar verbeterd toezicht.’ Als de overheid het slecht doet, waarom dan niet getracht de overheid beter te laten functioneren?
Het belangrijkste argument voor meer markt en minder overheid is altijd dat de markt efficienter zou werken, ofte wel goedkoper. Maar als dat al zo is - hetgeen de Rekenkamer dus waagt te betwijfelen -; efficiency moet toch ergens vandaan komen. Het 'vet’ van de overheid is de afgelopen vijftien jaar al lang weg gesneden. Het vergroten van de efficiency betekent heel prozaisch dat de werkdruk wordt verhoogd en dat mensen die die druk niet aankunnen, ontslagen worden. Deloitte en Touche winden daar in hun handleiding geen doekjes om: 'Het merendeel van de privatiseringen leidt onvermijdelijk tot vermindering van arbeidsplaatsen. Dat is natuurlijk geen doel op zich, maar eenvoudigweg de werking van de markt.’ En dat is, binnen het huidige politieke klimaat, juist een reden tot privatiseren: de overheid kan het niet maken om honderden conducteurs en lokettisten te ontslaan, dus privatiseer de boel en was als overheid je handen in onschuld. Efficiency betekent ook het loslaten van maatschappelijke doelstellingen, want die kosten geld.
De eerste eis van iedere particuliere uitbater is dan ook dat de overheid zo min mogelijk maatschappelijke randvoorwaarden stelt. De markt gedijt immers juist dank zij het ontbreken van al die voorwaarden waar de overheid zich altijd aan moet houden. Het experiment met de geprivatiseerde streekbus in Zuid-Limburg lijkt dit op het eerste gezicht te logenstraffen. Het ministerie heeft van tevoren een prijs vastgesteld, en de opdracht gegund aan diegene die voor die prijs de beste dienstverlening bood, en bovendien al het personeel van de vroegere streekvervoerder zou overnemen. Het werd een Amerikaans bedrijf, en de ervaringen zijn tot nu toe positief.
De problemen komen pas over vijf jaar, verwacht Frans van Waarden, hoogleraar in Utrecht die het experiment bestudeert. 'Het bedrijf zet nu natuurlijk z'n beste beentje voor, werkt desnoods zelfs onder de prijs, om zo de Nederlandse markt in handen te krijgen. En als er straks geen concurrenten meer zijn, kan het z'n gang gaan.’
NIET ALLEEN DE markt, ook de politiek beschouwt de burger steeds vaker slechts als consument. En consumenten hebben belang bij lage prijzen, zo simpel is dat. Dat het gros van ons ook nog producent is (of op z'n minst partner of kind van een producent) en dus belang heeft bij goede arbeidsomstandigheden (zelfs als hij daardoor als consument wat meer geld kwijt is), lijkt geheel vergeten. Evenals al die andere belangen die niet zo best marktconform zijn vorm te geven, zoals zeggenschap of een aangename leefomgeving. De zeggenschap die burgers hebben op de markt is zo groot als hun koopkracht. De zeggenschap van de overheid is zo mogelijk nog kleiner. De geprivatiseerde Nederlandse Spoorwegen hebben al laten weten dat als de politiek onverhoopt toch kiest voor een Hogesnelheidslijn die niet door het Groene Hart gaat, de NS er eenvoudig geen treinen zal laten rijden: dan eindigt de snelle trein uit Parijs in Rotterdam.
De taak die de overheid in dit marktminnende tijdperk rest, is die van financiele gatenvuller. De overheid slaat zichzelf systematisch alle sturingsmogelijkheden uit handen, en probeert vervolgens met subsidies de allerscherpste kantjes van de markt te slijpen. De ziektewet werd afgeschaft, waardoor werkgevers voortaan nog minder geneigd zijn om mensen met een vlekje aan te nemen, en dus komt er een subsidie op het aannemen van mensen met een vlekje. De overheid trekt zich terug uit de volkshuisvesting en ziet zich vervolgens genoodzaakt om alle consequenties te repareren via de huursubsidie. Dat is nou paars: de liberalen vermarkten, de sociaal-democraten plakken pleisters. Met als gevolg een overheid die wel betaalt, maar niet bepaalt.