Het diepe onbehagen rond de islam

Nederland is een zacht pakje boter

Volgens de ChristenUnie smelt Nederland weg onder de druk van de islam. De Amerikaanse journalist Christopher Caldwell meent dat heel Europa voorgoed is veranderd door moslimmigratie en dat er een kloof is ontstaan tussen optimisten en pessimisten.

IN HET DEBAT over de multiculturele samenleving is sinds deze week weer een nieuw gezicht opgedoken. Gert-Jan Segers, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie, luidt met zijn onderzoek Voorwaarden voor vrede de noodklokken. ‘De komst van de islam is problematisch. De integratie van moslims en het vasthouden van onze Nederlandse identiteit zijn tezamen één van de grote sociale kwesties van onze tijd. De vrijblijvendheid is voorbij, het roer moet echt om.’
Segers windt er in zijn studie geen doekjes om. Alleen al de titel laat zien dat er veel op het spel staat. Hij spreekt over de identiteitscrisis waarin Nederland, en in het bijzonder een jonge generatie moslims, is beland. Het rapport constateert zelfs dat het grote gebrek aan een gedeelde levensbeschouwing in een gevaarlijk stadium is terechtgekomen. Volgens Segers is het sentiment van onbehagen rond de islam zo diep in de samenleving gekropen dat hij eerder grote sociale onrust en een uiteenvallende samenleving verwacht dan een spontane vrede. Bij de presentatie van het rapport, deze week in Den Haag, zei hij zelfs vertwijfeld: ‘Om eerlijk te zijn, ik hou mijn hart vast. Ik ben bang dat als we zo doorgaan we de boel niet meer bij elkaar kunnen houden.’ Daarmee suggereerde hij zelfs dat de onvrede kan omslaan in méér dan sociale onrust. Hij nam nog net niet het woord oorlog in de mond.
Op zich is het alarmerende betoog van de ChristenUnie geen nieuw geluid. Het is het zoveelste rapport in een lange reeks boeken over de multiculturele samenleving die in de afgelopen jaren in Nederland en het buitenland zijn verschenen. Segers beschrijft wat vele wetenschappers en publicisten reeds voor hem hebben gedaan, zoals Paul Scheffer in Het land van aankomst van 2007 en het deze maand in Nederlandse vertaling verschenen De Europese Revolutie: Hoe de islam ons voorgoed veranderde van de Amerikaanse journalist Christopher Caldwell.
Maar wat de betekenis van Voorwaarden voor vrede anders maakt is dat het rapport ook geldt als het politieke standpunt van een van de regeringspartijen. Volgens minister en vice-premier André Rouvoet, die samen met Paul Scheffer het eerste exemplaar in ontvangst nam, is het zelfs de basis voor het partijprogramma voor de volgende verkiezingen. Daarmee is deze opvallend dunne en ondubbelzinnig concrete studie allerminst vrijblijvend.
Uitgerekend de rechts-christelijke partij legt nu de vinger op de zere plek: het schrijnende gebrek van de middenpartijen om een helder inhoudelijk standpunt over de islam in te nemen, waarmee zij Geert Wilders alle ruimte geven om het maatschappelijk ongenoegen over de multiculturele samenleving te exploiteren. Segers motiveert zijn studie dan ook als volgt: ‘Politieke leiders van fatsoenlijke democratische partijen moeten burgers laten zien dat ze doordrongen zijn van de ernst van het multiculturele drama. Kiezers zullen zich pas van Wilders afwenden als zij merken dat hun zorg door andere politici werkelijk serieus wordt genomen en als ze beseffen dat Wilders niet in staat is om een echte oplossing dichterbij te brengen.’
Segers wordt hierin bevestigd door het laatste kwartaalonderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) van vorige week. Een van de conclusies daarvan is dat de polarisatie rondom de PVV sterk toeneemt. Burgers voelen zich steeds meer voor het dilemma geplaatst dat ze vóór of tegen de PVV moeten zijn. In de beleving bestaan er geen alternatieve politieke oplossingen voor het ongemak rond de islam, zodat het lijkt alsof er slechts één keuze is. ‘Nederland dreigt uit elkaar te vallen’, aldus het SCP-rapport. De plannen van Geert Wilders en tegelijk het ontbreken van een stevig tegenwicht van de gevestigde politieke partijen worden volgens het rapport zelfs gezien als een groter probleem dan de economische malaise, de omvallende banken en massaontslagen tezamen.

HOE WIL DE CU deze tendens doorbreken? Allereerst, zo stelt Segers, moeten we écht eerlijk onder ogen zien dat we in een identiteitscrisis zijn beland. Wie de feiten kent, ziet dat het een zeer brandend thema is waar niemand meer voor kan wegduiken. Segers kwam tot dit inzicht na een jaar intensieve studie. Hij hield door het hele land gesprekken met zijn achterban, organiseerde een aantal debatten over de islam, sprak met moslims en trok op met de politie in wijken waar veel allochtonen én Wilders-aanhangers wonen. Wat hij daar over en weer hoorde heeft hem geschokt: harde taal, weinig nuance en geen geduld voor elkaars levensovertuiging. Het beeld was veel erger, zegt hij, dan hij had in de tijd dat hij nog woonde en werkte in Egypte (2000-2007) en op afstand het Nederlandse integratiedebat volgde. ‘Ik constateerde dat de integratie van moslims veel ingewikkelder is dan we altijd veronderstelden. De islamitische gemeenschap heeft een veel groter probleem met politieke en religieuze vrijheden dan velen dachten. En ook: de Nederlandse samenleving is in cultureel opzicht veel onzekerder dan ik veronderstelde.’
Het gepolariseerde klimaat dat ontstond na de aanslagen van 11 september 2001 en de moord op Theo van Gogh in 2004 heeft volgens hem alleen maar verliezers opgeleverd. ‘Het islamdebat is nu aanbeland in de Boulevard of broken dreams: de seculieren zijn doodsbang voor de terugkeer naar religie en voor het aantasten van de strikte scheiding van kerk en staat. Moslims hebben het gevoel dat ze er nooit echt bij horen en zich altijd moeten verdedigen voor hun geloof, meestal naar aanleiding van incidenten rond hoofddoekjes of handen schudden. En voor overtuigde christenen laat het debat zien dat Nederland van God los is en dat ons land zich keert tegen zijn christelijke wortels. Zo hebben we allemaal gevoelens van verlies, vervreemding en zorg voor de toekomst. En we staan met de rug naar elkaar toe. We moeten erkennen dat onverschilligheid en cynisme ons hebben opgebroken.’
Rouvoet zei in een reactie op het rapport: ‘Het cultuurrelativisme zorgt dat mensen nergens meer in geloven, het inspireert niet en biedt geen enkel verweer tegen een groep nieuwkomers met een krachtige overtuiging. Dan is angst een verklaarbare reactie op de groei van de islam, maar wel totaal de verkeerde.’
Nederland is in de ogen van Segers en Rouvoet in feite een zacht pakje boter dat onder de druk van de islam wegsmelt. Zij diagnosticeren het maatschappelijke probleem hetzelfde als Wilders doet, maar in andere bewoordingen. En ze stellen er een andere oplossing tegenover: geen exploitatie van de angst voor de islam maar ‘een gezamenlijke inzet voor vrede en samenwerking’.
Werken aan vrede betekent volgens Segers dat er continu keuzes gemaakt moeten worden in een beleid van het stimuleren van participatie én van repressie tegen isolatie en misdragingen. ‘En we moeten fundamenteel afstand nemen van de gedachte dat de samenleving een soort contract is. We beschouwen onze samenleving maar al te makkelijk als een verzameling mensen van wie we zo min mogelijk last willen hebben en zoveel mogelijk willen profiteren. We moeten weer vol overtuiging kiezen voor elkaar.’

DIT VERHAAL OVER RECHTEN en plichten klinkt toch tamelijk bekend in de oren en verschilt niet wezenlijk van de benaderingswijze van de andere regeringspartijen. Maar Segers hamert er in dit verband ook op dat alle ruimte gegeven moet worden aan de levensbeschouwelijke verschillen: ‘Ook voor moslims geldt optimale godsdienstvrijheid. Islamitisch onderwijs moet alle ruimte krijgen, maar iedere islamitische school zou ook een verbinding met een school met een andere richting moeten aangaan.’
Rouvoet spreekt dan ook over ‘het optimaliseren van de godsdienstvrijheid’, want ‘het slechtste wat we kunnen doen richting nieuwkomers is de ruimte die de democratische rechtsstaat hen biedt gaan beperken uit angst voor islamisering. Wie dat bepleit is in feite voor de islam gezwicht, of dat nu is door de vrijheid voor moslims alleen te beperken, of geloof en religie in het algemeen naar het privé-domein te verbannen: in beide gevallen tast men het wezen van onze Nederlandse rechtsstaat aan.’
Rouvoet betitelt Nederland als ‘een huis in renovatie’: de oude bewoners en de nieuwkomers moeten samen achterstallig onderhoud plegen. ‘De waarden van vrijheid, recht en solidariteit die onze samenleving kenmerken zijn immers geen rustige verworvenheden maar moeten permanent verdedigd worden tegen de vijanden ervan, of dat nu extremisten met een bepaalde ideologie zijn of cynici die iedere overtuiging verdacht maken.’
Is dit christelijke ethisch reveil nu hét antwoord op Wilders? Het past in ieder geval in de klassieke Nederlandse traditie van godsdienstvrijheid en pacificatie. Maar dit geluid maakt vooral duidelijk dat het politieke middenveld in grote verlegenheid verkeert om met stabiele antwoorden te komen. Paul Scheffer zei in een reactie op het rapport: ‘Het gebrek bij de middenpartijen aan een heldere visie op dit vraagstuk dat de héle samenleving aangaat is onthutsend. Zij bieden geen bindende kaders en reageren telkens onmachtig op incidenten.’

DEZE ONMACHT MOET bovendien niet gezien worden als een exclusief Nederlands probleem, hield Christopher Caldwell onlangs tijdens een debat in Amsterdam zijn gehoor voor. In zijn boek De Europese Revolutie kijkt hij met een Amerikaanse bril aan tegen ‘een groot Europees probleem met moslimmigranten’. Hij stelt dat alle landen, elk vanuit de eigen traditie, onder druk van de islam worstelen met het behoud van de vrijheden en democratische waarden. Er is volgens hem zelfs al lang sprake van een kolonisatie van onderop en er zijn op vele niveaus dramatische aanpassingen gaande. Hoe het zo ver heeft kunnen komen? ‘West-Europa’, stelt Caldwell, ‘werd een multi-etnische samenleving in een vlaag van verstrooidheid. En het was een gevolg van de consensus onder de politieke en economische elites. De gewone burgers van de verzorgingsstaat zijn nooit geraadpleegd en betalen de prijs voor de gevolgen ervan. De elite heeft daarop nu geen zinnig antwoord.’
Caldwell laat zien dat in de westerse wereld langzamerhand sprake is van een kloof tussen optimisten en pessimisten. Dezelfde feiten en statistieken worden verschillend geïnterpreteerd. Waar de een de islam ziet als een groot bedreigend blok dat de ondergang van het verlichte Westen inluidt, meent de ander met eenzelfde stelligheid dat het overgangsproblemen zijn die met veel geduld en goede wil oplosbaar zijn. Maar eigenlijk weet niemand precies waar het naartoe gaat. Caldwell zei na een verhitte discussie zuchtend: ‘Ik weet het ook niet.’ Gert-Jan Segers zei: ‘Ik durf het niet te zeggen.’ Maar géén stelling innemen is geen optie. Want Wilders weet het wél.