`nederland is nog niet van me af’

Hij krijgt maar geen genoeg van ons land. Nadat hij eerder onze Gouden Eeuw en de Bataafse revolutie beschreef, werkt Simon Schama nu aan een boek over Rembrandt. Maar of hij ons nu ook werkelijk snapt? ‘Uiteindelijk blijft Nederland voor mij een theologisch mysterie.’
HET TOCH AL in impressionistische weelde badende brein van Simon Schama zindert nog na van de jetlag opgedaan tijdens de vlucht New York-Amsterdam. Terwijl achter hem een miniatuurbeeldje van Napoleon te paard met een priemend zwaardje in zijn richting wijst, waagt de Britse historicus, gezeten op een divan van het hotel, zich aan een beschrijving van het bijna psychedelische visioen waardoor hij, hangend in de hemel tussen Katwijk en Lisse, een paar uur tevoren werd overvallen: ‘Altijd als ik naar Nederland vlieg, voel ik me alsof ik een of andere geheime, uiterst besloten wereld word binnengeschoven.

Deze keer was het weer heel speciaal. De wolken scheidden zich voor mijn ogen als de oceaan voor Mozes, en daarna kwam er een heel curieus, roodachtig licht tevoorschijn. Beneden kon ik de zee bijna ongemerkt in land zien overgaan en ik vergaapte me net als de eerste keer weer aan dat vreemde, van God gegeven landschap, dat in feite in al die eeuwen nauwelijks is veranderd. Als je al die architectonische gedrochten van het nieuwe bouwen rond Schiphol even wegdenkt, kijk je toch gewoon naar het klassieke Nederland, compleet met rode daken en al die met wiskundige precisie afgepaste akkertjes. Zo moet het ook blijven.’
Schama, net vijftig geworden, behoeft nauwelijks enige introductie als cultuurhistorisch analist van de Nederlandse ziel door de eeuwen heen. De Brit van joodsen huize, door zijn huwelijk gelieerd aan Nederland, mag zonder meer worden gezien als de troonopvolger van Johan Huizinga, opererend op het snijvlak van geschiedschrijving, psychoanalyse en cultuurhistorische analyse. Sinds de verschijning van Overvloed en onbehagen, zijn alleravontuurlijkste ontleding van de ware redenen van de Nederlandse suprematie op het terrein van de wereldpolitiek in de Gouden Eeuw, en zijn daaraan gekoppelde succesoptreden bij Adriaan van Dis, geldt de momenteel aan de universiteit van Columbia docerende historicus als de onbetwiste kampioen van onze vaderlandse geschiedschrijving.
Met Patriotten en bevrijders, dat de auteur zelf geneigd is als een partiele jeugdzonde af te doen, zond Schama wederom een rijkgestoffeerde olifant door de porseleinkast van de Nederlandse herinnering. Nooit eerder had een historicus met zoveel episch gevoel en sympathie geschreven over de verrichtingen van de Nederlandse revolutionairen die schuilgingen achter het achttiende-eeuwse Bataafse patriottisme.
Jaloerse vakgenoten in Nederland reageerden in het algemeen nogal gekwetst op de triomfantelijke opmars van de buitenstaander. Aan de universiteit van Leiden krijgen eerstejaarsstudenten geschiedenis de opdracht van hun professor om alle fouten op te sporen in een hoofdstuk Schama.
Schama is van die collegiale nijd in de Lage Landen op de hoogte, maar van het Leidse initiatief staat hij toch te kijken. ‘Weet je zeker dat dat niet apocrief is?’ vraagt hij verontrust. Als het antwoord bevestigend klinkt, toont hij zich een weinig geschokt. 'Ik heb enorm veel bewondering voor de grote Nederlandse historici zoals Huizinga en Geyl, maar tegenwoordig is het toch wat minder groots gesteld. Kossmann is natuurlijk zonder meer een knappe geest, maar hij zit naar mijn smaak toch een beetje te veel gevangen in het ironische minimalisme waar Nederlandse historici tegenwoordig sowieso in grossieren. Ik denk wel eens dat Nederlandse historici er zo op gebrand zijn om geen fouten te maken dat ze het liefst maar helemaal niets produceren. Het lijkt of ze allemaal streven naar een grafsteen met de tekst: “Hij maakte nooit een fout.” Dat daaronder dan ook had moeten staan “omdat hij niks deed”, nemen ze blijkbaar op de koop toe.
Overigens geloof ik niet dat ik overdreven veel fouten maak. Er moet dus een element van jaloezie in het spel zijn. Maar ja, dat is ook weer typisch Nederlands, niet? Hoe lang is het geleden dat Nederlanders voor een van hun eigen mensen het G- woord hebben uitgesproken?’
Het G-woord?
Schama: 'Ik bedoel het woord “genie”. Waar ik momenteel woon, is het niet erg politiek correct om het in zijn geheel uit te spreken.’
Dat woord gebruiken we alleen als de betrokkene enige eeuwen eerder overleden is, en dan nog alleen als dat was in behoeftige omstandigheden.
Schama: 'Dan moet ik niet gaan klagen.’ SCHAMA IS IN Nederland ter promotie van zijn nieuwste vertaalde boek: Landschap en herinnering. Weer zo'n typisch Schama-boek, verteld in een flonkerende, associatieve woordenstroom, moeiteloos verspringend van panoramische vergezichten op de wereldgeschiedenis naar uiterst gedetailleerde verhandelingen, telkens voortgestuwd door een hoogst originele psychologie. In het boek ontfermt Schama zich over diverse 'mythische landschappen’, van het Duitse Teutoburgerwoud, de oevers van de Nijl tot Mount Rushmore, de grotesk-gigantische beeldengroep van Amerika’s presidenten, gehouwen uit de rotsen van South-Dakota. Telkens gaat hij op zoek naar de interactie tussen de mens en zijn omgeving, uitgaand van het credo van Friedrich Nietzsche dat men wordt waar men woont, en ontrafelt hij de collectieve mythologie die in de landschappen tot uitdrukking komt.
Opvallend genoeg ontbreekt in dit boek een verhandeling over het Nederlandse landschap, dat Schama toch zo dierbaar is. 'Dat heb ik bewust achterwege gelaten’, vertelt hij. 'De gehele gedachte om dit boek te schrijven komt eigenlijk voort uit het eerste hoofdstuk van Overvloed en onbehagen, waarin ik het wezen van de Nederlandse mentaliteit relateer aan de wankele relatie van de bewoners met het water. Dus in feite had ik het Nederlandse hoofdstuk al geschreven. Het leek me een beetje dubbelop om dat in dit boek nog eens een keer over te doen.
Maar wees niet verontrust, Nederland is nog steeds niet van me af. Ik ben nu net begonnen aan een boek over Rembrandt, al durf ik dat eigenlijk nauwelijks uit te spreken, zo minuscuul klein voel ik me tegenover zo'n gigant. In het boek wil ik het vooral hebben over de relatie Rembrandt-Rubens, die volgens mij twee polen belichamen, de een spiritueel en wat duister, de ander puur lichamelijk en zinnelijk. Het is een heel project natuurlijk, en mijn goede vriend Gary Schwartz heeft eigenlijk al een heel mooi boek over Rembrandt geschreven, maar ik voel me toch geroepen om er iets aan toe te voegen.
Geen makkelijke taak, hoor. Telkens als ik naar Rembrandts zelfportret kijk, is het alsof hij tegen me wil zeggen: “Zeg, vlegel, wie denk je wel dat je bent?” Daarnaast ben ik ook als kunsthistoricus hevig betrokken bij Nederland. Momenteel ben ik bezig aan een groot stuk over Mondriaan, ook weer zo'n Nederlandse schilder die je eigenlijk niet genoeg kunt bewonderen.’
In Den Haag hebben we net een grote Mondriaan-overzichtsexpositie gehad. Er kwam bijna niemand.
'Nee toch! In Amerika kwam er ook al bijna niemand kijken! Maar dat zelfs de Nederlanders verstek laten gaan…’
Men vindt hem niet spectaculair genoeg.
'Dan is men hier blind. Je hoort natuurlijk vaak zeggen dat Mondriaan te plechtig is, te ascetisch, te abstract et cetera. Ik denk dat dat voor een deel voortkomt uit het feit dat Mondriaans werk eigenlijk onmogelijk te reproduceren valt. Hij werkte met zulke verbijsterende kleurentechnieken, dat valt zelfs fotografisch niet te kopieren. Ik zie zijn werk als uiterst spectaculaire optische impressies van de werking van het licht. Visuele mantra’s eigenlijk. Het is zo delicaat dat ik er persoonlijk keer op keer totaal door uit mijn schoenen word geblazen.
Ik vind het ook uiterst Nederlandse kunst, al schijnt Mondriaan Nederland echt hartstochtelijk te hebben gehaat en voelde hij zich in New York veel beter op zijn plek. Het is natuurlijk ook erg theosofisch geinspireerd werk, niet? Misschien een tikkeltje te mystiek naar de smaak van Nederland, hoewel dit land voor mij bij uitstek een theologisch mysterie verbeeldt.’
Legt u dat eens nader uit.
'Ik denk dat er geen groter onderscheid te bedenken is tussen culturen als die tussen de Duitse en de Nederlandse. In mijn boek correleer ik de Duitse geest aan de mystiek van het bos, zoals die tot uitdrukking komt in de Hermann-cultus in het Teutoburgerwoud. Je weet, in de figuur van Hermann vieren de Duitsers de overwinning der Germanen op de Romeinse legioenen van Publius Quintilius Varus in het jaar 9 in het Teutoburgerwoud, al weet niemand precies waar dat moet zijn geschied.
De Duitsers hebben in de vorige eeuw een groot en naar mijn idee tamelijk afzichtelijk standbeeld opgericht ter ere van Hermann, ergens in de buurt van Detmold, en rond die plek hebben de Duitsers met enige regelmaat hun wording tot volk en natie gevierd. De mystiek van het bos is een constante in het Duitse denken geworden, waarbij de gedachte opgeld doet dat het Duitse volk als het ware als een boom uit de grond is gesprongen, als een edel natuurprodukt, direct tegengesteld aan de grootstedelijke, verwarrende, onzuivere cultuur van het Middellandse-Zeegebied. Tacitus gebruikte die tegenstelling tussen Germaanse nobele boswilden en decadente Romeinse stedelingen indertijd voor propagandistische doeleinden, maar de Duitsers zijn in feite met zijn werk op de loop gegaan om er hun nationale mythologie gestalte mee te geven.
Nog steeds strijken de 'Armanenschaften’ in het Teutoburgerwoud neer om bij volle maan voor Wodan te gaan dansen.
Schama: 'Inderdaad, een ongezond staaltje van male bonding, als je het mij vraagt. Je kan stellen dat die Hermann-mystiek, die eigenlijk pas in de negentiende eeuw ten volle is aangewend als ideologische bodem van het Duitse keizerrijk, ook in het hedendaagse Duitsland nog voortleeft. Zoals in de bizarre uitlopers van de ecologische beweging, die daar sterk vertegenwoordigd is. Telkens is het uitgangspunt dat Duitsers de ware kinderen van de aarde zijn, direct voortgekomen uit de bodem, ware kinderen van het bos. Het suggereert een uiterst romantisch streven naar hereniging met de natuur, een radicaal afwijzen van het grootstedelijke, kosmopolitische leven ook. Het zijn natuurlijk precies de ideeen die de hele dag door het hoofd van Martin Heidegger moeten hebben geschoten toen hij eenzaam in zijn boshut zat te mediteren in oud-alemannistisch Duits.
De houding van de Nederlander is diametraal tegengesteld aan heel dit romantische idee van eenwording met de natuur. Ook dit is weer in hoge mate geografisch bepaald. De Nederlander ziet de natuur helemaal niet als een aanlokkelijke geboortewieg waarnaar zo snel mogelijk moet worden teruggekeerd. Voor de Nederlander is de natuur die geweldige schuimende watermassa die keer op keer zijn hele bestaan dreigt weg te spoelen. De Nederlander vreest met groten vreze, verschanst zich achter zijn kunstmatige scheppingen en droomt van het licht dat boven hem hangt, dat uiteindelijk als enige mogelijk redding brengt. Er schuilt een geweldige kloof tussen die twee werelden, meer dan de luttele afstand doet vermoeden.’ VANWEGE DE jubileumwaarde wilde ik het nog even hebben over de Bataafse Revolutie in de Lage Landen. Die heeft nu op de kop af tweehonderd jaar geleden plaatsgevonden, maar je hoort er niemand over. Alleen de Franse ambassade alhier zet de Nederlandse patriotten nog een beetje in het zonnetje met een expositie in Maison Descartes. Met 'Patriotten en bevrijders’ heeft u indertijd een geweldig monument voor onze eigen revolutie opgericht. Hoe verklaart u nu dit hardnekkige stilzwijgen?
'Patriotten en bevrijders schreef ik als tamelijk onschuldige en bevlogen jongeman, en ik ben bang dat ik me indertijd misschien een beetje te veel heb laten meeslepen in mijn sympathie voor de patriotten. Nu denk ik iets somberder over het vermogen van revoluties om veranderingen ten goede te forceren. Nu zie ik revoluties vooral als de werktuigen van imperialistische veroveringsoorlogen en destructie op grote schaal.
Maar wat ik overeind houd, is dat de Nederlandse historici in het algemeen natuurlijk veel te negatief over hun eigen revolutionairen hebben geschreven. Door het feit dat de Nederlandse revolutie alleen met behulp van de Fransen kon geschieden en dat de Bataafse republiek uiteindelijk culmineerde in een vazalstaat van het rijk van Napoleon, zijn de patriotten in de collectieve verbeelding van de Nederlandse historici een soort NSB'ers avant la lettre geworden. Landverraders dus. Zelfs de grote Geyl kampte daar nog mee. Maar het gebruik van die analogie is natuurlijk meer dan verschrikkelijk te noemen. Er was geen Frans Westerbork, zullen we maar zeggen.
De Bataafse patriotten verdienen in het huidige Nederland heel wat meer krediet dan ze nu krijgen. In feite hebben zij van een zeer chaotisch, versnipperd land een staat gemaakt. De centralisatie die zij aanbrachten in het Nederlandse bestel en die met koning Willem I in feite gewoon werd voortgezet, was meer dan noodzakelijk, al was het alleen maar op terreinen als de armenzorg. De patriotten waren bovendien zeer verlichte geesten, met een onwankelbaar geloof in de vooruitgang. Jammer dat ze zo bedrogen zijn door hun Franse handlangers.
Dat nu uitgerekend de Franse ambassade herdenkingen van de Nederlandse revolutie organiseert, vind ik van een meer dan pijnlijke ironie. De Nederlanders hebben een verschrikkelijke prijs moeten betalen aan hun revolutionaire geloofsgenoten in Frankrijk.
Dat heeft de herinnering aan de betere aspecten van de Bataafse opstand blijkbaar geheel aan het zicht onttrokken. Maar het is voor iedere cultuur moeilijk om zelf de momenten in de eigen geschiedenis waarop vernietiging overgaat in hergeboorte, op juiste waarde te schatten.’
In uw nieuwste boek vraagt u nogal wat eerherstel voor nationale mythes. In uw voorwoord stelt u zelfs dat de huidige crisis van de democratieen, inclusief de ecologische, voor een deel voortkomt uit het onvermogen om mythische zaken op waarde te schatten. Maar leven we juist niet in verschrikkelijk mythomane tijden?
Schama: 'Het gaat nu inderdaad harder dan ik ooit had kunnen vermoeden. Misschien ben ik met mijn vijftig jaar al weer te oud om het nog bij te kunnen benen. Ik heb een nuchtere kijk op mythomanie. Naar een gevleugeld joods gezegde ben ik van mening dat nonsens nonsens blijft, maar dat de studie naar nonsens wetenschap is. Ik ben niet van plan om een soort Nietzsche te worden. Als kind van de Tweede Wereldoorlog heb ik een ingebakken wantrouwen meegekregen tegen alles wat naar mythe ruikt. Met uitzondering natuurlijk van de hippietijd, al zag die er in mijn ogen vooral tamelijk belachelijk uit. In ieder geval zal ik nooit vergeten hoe Mick Jagger tijdens een concert van de Stones in de sixties eens op volslagen idiote wijze uit een soort lotusbloem verrees.
Ik denk dat we in de jaren negentig weer met de grote mythes moeten zullen leren leven, voor een deel ook met volslagen nieuwe mythes. Het computerwezen heeft een geheel nieuwe mythologisch landschap geleverd, nogal apocalyptisch van aard in mijn ogen, maar zonder meer van enorme impact. Dat zie ik wel aan mijn dochter, die op Internet surft en ondertussen vrolijk “I hate myself and I want to die” van Kurt Cobain meezingt. Het is weliswaar wel even slikken met dat nieuwe landschap voor een goedmoedige, rationele man als ik zelf, maar de potentie ervan zie ik wel in.
Maar waar ik in mijn boek meer op doel is dat de oude mythes over de relatie tussen de mens en zijn omgeving op een of andere manier zouden kunnen bijdragen aan een betere zorg voor het milieu. Ik ben geen fan van de UNA-bomber (de anonieme milieuterrorist die bommen opstuurt naar topfiguren van de houtverwerkende industrie en inmiddels zijn manifesten ziet afgedrukt in de grote Amerikaanse kranten - rz) of van die verschrikkelijke Kevin Costner met die Dances with Wolves-draak, maar ik denk wel dat Amerika op dit moment vreselijk veel behoefte heeft aan verhalen die kunnen bijdragen aan een beter begrip tussen mens en natuur.
Milieugroepen worden in de Amerikaanse senaat tegenwoordig bijna stelselmatig afgeschreven als goddeloze communisten. Clinton en Gore, die toch begonnen als milieutandem bij uitstek, hebben al hun goede voornemens laten schieten. Er vindt op dit moment in de Verenigde Staten een vorm van roofbouw op de natuur plaats die zijn weerga niet kent. Het is zo'n onheilspellende situatie dat je echt gaat verlangen naar eerherstel voor oude Indiaanse mythes over de natuur als een grote gewijde kerk.
Maar helaas schieten de oorspronkelijke Amerikanen, onder wie ik nogal wat vrienden heb, de laatste tijd ook erg door naar Amerikaanse extremiteiten. Er ligt nu net een plan om pal tegenover Mount Rushmure een nog grotere berg uit te houwen, met de gezichten van Sitting Bull en andere grote opperhoofden erop. Dat wordt dan het mythische tegenbod van de oorspronkelijke Amerikanen aan het adres van hun onderdrukkers. Op die manier komt het natuurlijk nooit goed.’