Zwarte zwanen Sadik Harchaoui

‘Nederland lijdt aan een debatobsessie’

De voorzitter van Forum Sadik Harchaoui gunt de kinderen van nu de jeugd die hij heeft gehad. ‘Jonge mensen worden te veel aan zichzelf overgelaten. Dat is het grootste drama van de multiculturele samenleving.’

GABRIËL VAN DEN BRINK, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg, moet even nadenken. We hebben hem gebeld om zijn mening te vragen over Sadik Harchaoui. ‘Ik heb hem de laatste jaren eigenlijk nauwelijks in debatten gezien.’
De voorzitter van Forum, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling, beaamt het. Hij heeft er bewust voor gekozen om zich iets meer terug te trekken uit het debat: ‘Nederland lijdt aan een debatobsessie. We denken dat we problemen alleen kunnen oplossen als we er heftig over debatteren. Maar ondertussen gebeurt er niks.’ Deze teleurstelling in het maatschappelijke debat is des te opmerkelijker omdat Harchaoui (1973) bij zijn aantreden zich juist ten doel had gesteld om het aantal allochtonen dat deelneemt aan het debat te vergroten. ‘Dat is ook gelukt. De situatie is nu echter totaal anders. Denk maar aan Ahmed Marcouch, Afshin Ellian en Fouad Sidali.’ Toch is dat een magere overwinning als hij ondertussen het debat niet hoog aanslaat. Mogen ze eindelijk meedoen, leidt het nergens meer toe.
In de eerste jaren na zijn aantreden in 2003 nam hij nog volop deel aan het debat, maar zijn enthousiasme werd snel minder. ‘Ik ga de confrontatie met tegenstanders niet uit de weg, maar ik heb geen zin meer om mee te doen aan die spelletjes op tv met een voor- en een tegenstander. Dan bellen ze me op: u bent zeker tegen? Dan zeg ik: nou eigenlijk niet. Dan pas je niet in het format.’ Nuance is in zijn optiek een zwarte zwaan geworden, maar dan wel in het wereldbeeld van anderen. Wie niet alleen slecht nieuws belicht, wordt al snel weggezet als politiek correct.
‘Onlangs was ik in Gouda. Dan vertelt de burgemeester dat in zijn stad de criminaliteit met dertig procent is gedaald. Maar hij durft dat niet naar buiten te brengen. Hij is bang dat hij dan het verwijt krijgt dat hij de problemen probeert te bagatelliseren. Als je met goed nieuws komt ben je een softie.’ Het ergste verwijt dat politici vandaag de dag kunnen krijgen is dat ze de zorgen van de onzekere bange autochtonen niet serieus nemen. Maar Harchaoui gelooft niet in de onzekere, bange autochtoon: ‘Als ik in Dokkum kom of Landgraaf, Venlo of Groningen dan spreek ik mensen met heel duidelijke opvattingen. Ze zijn helemaal niet onzeker. Ze zijn wel boos en bang, maar niet uit onzekerheid.’ Volgens Harchaoui is de mythe van de autochtone stem die geen gehoor krijgt een slimme debattruc van sprekers die zich maar al te graag opwerpen als woordvoerder van de vergeten autochtoon.

ALS GOED NIEUWS slecht past in het wereldbeeld van anderen zou het kunnen zijn dat slecht nieuws een zwarte zwaan is voor Harchaoui. In zijn afscheidscollege als hoogleraar criminologie verwees Frank Bovenkerk naar onderzoek waaruit bleek dat van de Marokkaanse jongens tussen de 12 en 24 jaar bijna 55 procent in aanraking komt met de politie op verdenking van een misdrijf. Hebben die cijfers hem verrast?
‘Nee, we weten al jarenlang dat er oververtegenwoordiging is van Marokkaanse jongens in de criminaliteit. Wat me wel verraste is dat Bovenkerk vermeldde dat negentig procent recidiveert.’ Harchaoui benadrukt dat deze cijfers zijn wereldbeeld niet veranderen. Hij is zijn loopbaan begonnen als officier van justitie. Hij kent de criminaliteitscijfers onder etnische minderheden. Toch kan hij het niet nalaten om even te vermelden dat Ahmed Aboutaleb, zijn voorganger bij Forum en nu burgemeester van Rotterdam, de cijfers over recidive van Bovenkerk niet herkende. Die cijfers waren ook niet gebaseerd op het Rotterdamse onderzoek, maar afkomstig van het CBS.
In het debat in de Rotterdamse gemeenteraad dat werd gehouden naar aanleiding van de rede van Bovenkerk stelde Ronald Sørensen van Leefbaar Rotterdam dat nu voor eens en altijd het verband was bewezen tussen cultuur en criminaliteit. Harchaoui erkent de oververtegenwoordiging van etnische minderheden in de criminaliteit, maar bestrijdt dat er sprake is van een causaal verband.
Als cultuur de oorzaak is van het criminele gedrag, dan moet cultuur ook de oorzaak zijn van successen die veel Marokkanen ook behalen. ‘Het probleem van de 12- tot 24-jarige jongens is dat ze geen cultuur meer hebben, ze zijn disconnected. Ze zijn losgezongen van beide culturen. Ontworteld. Ze kunnen geen aansluiting vinden bij de Nederlandse samenleving, maar hebben eigenlijk ook geen connectie meer met de Marokkaanse gemeenschap. Het zijn individualisten met een grote drang naar status. Ze hebben schijt aan iedereen. Ze schelden een Marokkaans meisje met een hoofddoek net zo goed uit voor hoer als een Nederlands meisje in minirok. Ze vertonen schaamteloos gedrag.’
Als de cultuur van het land van herkomst de oorzaak zou zijn van criminaliteit, dan zou de eerste generatie het meest crimineel zijn, maar de eerste generatie maakt zich daaraan nauwelijks schuldig. Het is volgens Harchaoui een misverstand om te denken dat als je goed integreert je minder criminaliteit gaat plegen. ‘Het is andersom. Naarmate je beter integreert en je de dingen wil die een samenleving je te bieden heeft, ga je op korte termijn meer criminaliteit plegen. Hoge vermogenscriminaliteit, diefstal, is eerder een uiting van assimilatie en integratie op korte termijn, dat is cynisch maar statistisch wel waar.’
Maar is het gegeven dat Marokkanen zelden een misdrijf bekennen wel cultureel bepaald? ‘Uit mijn tijd als officier van justitie herinner ik me wel dat een Turkse jongen vanwege zijn eer niet snel een diefstal zal bekennen. Eerwraak mag je wel bekennen, dat is juist goed voor je eer. Bij Marokkaanse jongens speelt iets anders. Zij hebben ontdekt dat het loont om niet te bekennen. Heel vaak komen ze dan vrij, omdat de politie het bewijs niet op orde heeft.’ Harchaoui gelooft daarom dat er niet zozeer sprake is van een cultureel probleem maar van een probleem van opgroeiende jongens in een grote stad. ‘Tachtig procent van de integratieproblemen heeft te maken met een gebrek aan handhaving van het strafrecht.’

HARCHAOUI KWAM ALS achtjarige jongen vanuit Marokko in Nederland wonen. Veel herinnert hij zich niet meer van die tijd. Hij weet nog wel dat hij helemaal niet weg wilde. ‘De dag dat we moesten vertrekken, de auto was al ingepakt, ben ik weggelopen. Toen heb ik me een volle dag verstopt in de bergen. Ik kende mijn vader nog niet goed. Hij woonde al jaren in Nederland en ik woonde met mijn moeder bij mijn grootouders. Ik weet dat er in ons plattelandsdorpje veel armoede was, maar voor mij was het een gelukkige situatie. Ik had geen enkele behoefte om in die auto te stappen.’ Van zijn aankomst in Nederland is maar één beeld blijven hangen. Hij had nooit geleerd hoe een wc werkte. Hij had zichzelf opgesloten in het toilet en had geen idee hoe hij de deur weer open kreeg. ‘Mijn moeder moest komen om me te bevrijden.’
Waarom heeft hij het gered en zoveel Marokkaanse jongens die op jongere leeftijd zijn gekomen of hier zijn geboren niet? ‘Toen ik naar Nederland kwam was ik analfabeet. Ik werd gewoon naar school gebracht en binnen een half jaar sprak ik de taal. Over integratie sprak niemand. Ik moest gewoon hard studeren van mijn ouders. Mijn vader zat er heel strak op. Niet omgaan met jongens die trammelant trappen. Ik werd door mijn klasgenoten snel geaccepteerd. Dat kwam ook door het voetballen. Ik bleek er talent voor te hebben. In het begin werd ik als laatste gekozen, binnen een paar weken werd ik als eerste gekozen. Dat was mijn insluitingmechanisme.’
Als hij over zijn lagereschooltijd praat, valt al snel de naam van meneer Ubels, zijn schoolmeester. Het was een man met veel gezag. ‘Hij sloeg een arm om je heen. Hij was streng en rechtvaardig, maar je voelde ook zijn oneindige betrokkenheid. Ik gun de kinderen van nu de jeugd die ik heb gehad. Nu worden jonge mensen veel te veel aan zichzelf overgelaten. Dat is het grootste drama van de multiculturele samenleving. Scholen van nu zijn te anoniem. Er is te weinig liefde en geborgenheid. Ook scholieren die vijf uur per dag achter msn zitten verlangen naar een hand op hun schouder. Ze hebben behoefte aan een meneer Ubels’

ALS HARCHAOUI IEMAND moet noemen die bepalend is geweest voor zijn wereldbeeld, dan noemt hij zijn opa. Het was een principiële man. Bij hem stond altijd voorop dat je anderen recht moest doen. Zijn opa heeft de kiem gelegd voor zijn voorliefde voor de rechtsstaat. Harchaoui benadrukt het belang daarvan. De rechtsstaat is de grondslag van onze vrijheid, maar daarin ligt ook vast waar de vrijheid ophoudt. Hij vindt het begrijpelijk dat er een proces komt tegen Geert Wilders. ‘Laat de rechter zich maar eens uitspreken. Als haat zaaien verboden is, dan moet ook tot vervolging worden overgegaan als iemand haat zaait. Het is aan de rechter om te bepalen of Wilders dat doet.’
Gevraagd naar een boek dat invloed heeft gehad op zijn wereldbeeld noemt Harchaoui The Decent Society van Avishai Margalit. Deze Israëlische filosoof probeert geen omschrijving te geven van de ideale rechtvaardige samenleving, maar formuleert minimale fatsoenseisen waaraan een samenleving in zijn ogen moet voldoen. Hij stelt dat een overheid haar burgers niet mag vernederen. In het verkiezingsprogramma van 1994 omarmt de Partij van de Arbeid de ideeën van Margalit. Maar volgens Harchaoui is daar nu weinig meer van te merken: ‘Vandaag zie je een proces van vernedering en vervreemding. Over tien jaar betalen we daar de prijs voor in termen van radicalisering en extremisme. Dat is een antwoord op de vernedering door de overheid. Ik wind me enorm op over de uitspraak van Hans Spekman (Tweede-Kamerlid voor de PvdA – red). Hij zei dat je Marokkaanse jeugdcriminelen moet vernederen. Dat vind ik onzin. De overheid moet altijd consequent zijn en iedereen gelijk behandelen. Vernedering raakt het diepste van je ziel.’ Komt de oproep van Spekman niet voort uit het idee dat die jongens zo onverbeterlijk zijn dat je ze alleen op het rechte pad krijgt door ze klein te krijgen? ‘Hard aanpakken, met criminaliteit verkregen spullen ontnemen is prima. Met vernedering krijg je ze juist als extra vijanden terug.’

UIT RECENT ONDERZOEK blijkt dat er sprake is van een afname van het aantal zelfmoorden onder Marokkaanse meisjes, terwijl het aantal zelfmoorden onder Turkse en hindoestaanse meisjes onveranderd hoog blijft. Is dat een bericht dat slecht past in Harchaoui’s wereldbeeld? ‘Nee. Maar wat me wel verrast is dat we zo moeilijk specifieke problemen van specifieke groepen op de politieke agenda kunnen krijgen. We hebben het veel over Marokkanen, moslims en de islam. Over andere groepen zwijgen we. Van de Marokkaanse jongens hebben we last, dus staat dat bovenaan op de agenda, maar die hindoestaanse meisjes die dood in de badkamer liggen, wie heeft daar nu last van?’ De daling van het aantal zelfmoorden onder Marokkaanse meisjes laat zien dat de groepsdwang afneemt. In die zin zijn de Marokkaanse meisjes beter geïntegreerd dan de Turkse of de hindoestaanse meisjes. ‘Gedwongen huwelijken komen in de Marokkaanse gemeenschap nauwelijks meer voor. Marokkaanse meisjes zijn heel mondig. Ze krijgen kansen en pakken die. Ze kunnen ook op veel welwillendheid rekenen. Maar hun nieuwe positie levert ook nieuwe stress op. Je ziet dat het aantal zelfmoorden daalt, maar de depressie toeneemt. Marokkaanse vrouwen in de dertig lijken wat dat betreft meer op Nederlandse vrouwen.’
Harchaoui heeft een vrouw van Marokkaanse afkomst. Zou hij het prettig vinden als zijn kinderen ook een Marokkaanse partner krijgen? ‘Dat zal mij worst wezen. Voor wat betreft liefde en geluk moeten ze zelf kiezen.’ Als hem wordt gevraagd of hij trots is op de Marokkaanse cultuur moet hij lachen. ‘Ik ben geloof ik net zo onthecht als die jongens die voor problemen zorgen. Als ik in mijn geboortedorp kom, voel ik wel de warmte en daar ben ik trots op, maar ik voel me meer thuis in Nederland met zijn rechtsstaat dan in Marokko. En in vakanties ga ik liever naar Italië.’
Sadik Harchaoui vindt het gemakkelijker om blinde vlekken bij anderen aan te wijzen dan voorbeelden te geven van verschijnselen of onderzoeken die slecht in zijn wereldbeeld passen. Als we aandringen komt hij toch met een zwarte zwaan. ‘Oorlog past niet in mijn wereldbeeld. De strijd op leven en dood.’ Kan hij haat begrijpen? ‘Ik kan het verstandelijk wel begrijpen, maar ik kan het niet voelen.’


Dit gesprek is gebaseerd op een interview met Sadik Harchaoui in de radiotalkshow OBA Live van LLink, AM 747. In de volgende aflevering (maandag 27 juli 19-21 uur) een gesprek met Heleen Mees, NRC Handelsblad-columniste