Nederland missieland

Wie had een jaar geleden durven voorspellen dat het aantal buitenlandse imams dat naar Nederland komt nog eens zou groeien? Toch is dat nu het geval. En ook buitenlandse priesters, kloosterlingen en andere zendelingen stromen het nieuwe missiegebied binnen. Want sinds CDA-minister Donner (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) deze zomer de toelatingsprocedure voor buitenlandse geestelijken heeft versoepeld, is het aantal aanvragen gestegen. Dat meldt het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het om bescheiden aantallen gaat: voor de eerste paar weken hooguit tien geestelijken. Eind deze week heeft het CWI nieuwe cijfers beschikbaar.

Buitenlandse voorgangers kunnen door de versoepelde regeling gemakkelijker een werkvergunning krijgen. Ook is de procedure, die via het CWI loopt, aanzienlijk verkort: van tien naar maximaal twee weken. Tot onvrede van VVD en PVV weigert minister Donner hierbij onderscheid te maken tussen moslims en christenen. Het vorige kabinet wilde juist af van de buitenlandse imams, die conservatieve denkbeelden zouden importeren. Maar omdat het nog de nodige jaren zal duren voordat de Nederlandse imamopleiding in Rotterdam de eerste afgestudeerden aflevert, zal het tekort aan imams nog tot die tijd voortduren. Donner wil overigens wel dat de buitenlandse geestelijken een inburgeringsprogramma volgen.

Naar eigen zeggen voert de CDA-bewindsman een door zijn voorganger Rita Verdonk gedane belofte aan de Tweede Kamer uit. Die bescheiden opstelling camoufleert de breuk met het oude beleid. De maatregel past prima in het straatje van de minister. Hij heeft er immers nooit een geheim van gemaakt dat hij een grotere rol ziet weggelegd voor religie in de maatschappij. Daarmee bedient hij op de eerste plaats de christelijke achterban. Want niet alleen de moskeeën kampen met een personeelstekort.

Zond Nederland in 1968 nog de meeste missionarissen ter wereld uit, een kleine veertig jaar later laat de geestelijke handelsbalans een omgekeerd beeld zien. Op dit moment is nog een kleine duizend Nederlandse geestelijken werkzaam in het buitenland, voor het overgrote deel 65-plussers. Het aantal buitenlandse collegae dat naar Nederland komt, groeit daarentegen gestaag. Niet voor niets stelde de paus in 1994 dat Nederland trekken van een missieland vertoont. Ook bisschoppen riepen de gelovigen onlangs op missiewerk te verrichten in eigen land. Honderden buitenlandse zendelingen doen dat al. Juist daarom hebben diverse kerken bij de regering aangedrongen op versoepeling van de toelatingsregeling.

De vraag naar buitenlandse geestelijken ‘leeft breed’, weet ook Hans Zuijdwijk, secretaris van het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO). Hij schat dat het bij de door dit samenwerkingsverband vertegenwoordigde christelijke en joodse geloofsgemeenschappen om honderd tot tweehonderd vacatures gaat. ‘Maar dat is nattevingerwerk. Een jongerenorganisatie als Youth for Christ haalt ieder jaar tien tot twintig mensen naar Nederland. Bij andere kerken ligt dat weer anders.’ Een woordvoerder van het bisdom Roermond laat weten dat het daar om enkele tientallen gevallen gaat. ‘Er is een tekort aan kloosterlingen en priesters, terwijl hun aantal in het buitenland nog groeiende is, vandaar.’ Woordvoerder Bert van Rijssen van de Protestantse Kerk in Nederland laat daarentegen weten dat op dit moment geen gebruik wordt gemaakt van de versoepelde regeling.

Meer baat hierbij hebben de snel in omvang groeiende – en daarmee ook electoraal interessante – migrantenkerken, denkt ook Zuijdwijk van het CIO: ‘Voor hen is dit nog belangrijker dan voor de, zeg maar, traditionele kerken. Denk bijvoorbeeld aan de Bijlmer, waar kerkgenootschappen zitten uit Nigeria of Ghana die tot voor kort onbekend waren in Nederland.’ Toch was de versoepeling van Donner ook voor Zuijdwijk ‘een beetje een verrassing’. Het stemt hem optimistisch voor de toekomst: ‘Als wat Donner nu heeft gedaan een voorschot is op nieuw beleid van het kabinet, geeft dat goede hoop.’