Economie

Nederland mort

De allerrijkste Amerikanen worden rijker, in hoog tempo. De één procent van rijkste huishoudens heeft zijn aandeel in het nationaal inkomen meer dan verdubbeld. Dat laten cijfers over de afgelopen dertig jaar zien. Geen wonder dat het Amerikaanse volk mort.

De Nederlandse cijfers tonen niet aan dat rijken trendmatig rijker worden. Toch is vol te houden dat ook in Nederland de ongelijkheid is toegenomen. Ten eerste zijn de armen armer geworden: de laagste inkomens zijn in de afgelopen dertig jaar bij het gemiddelde achtergebleven. Vaak wordt hierin de afbraak van de verzorgingsstaat gezien. Even vaak wordt echter over het hoofd gezien dat de achtergebleven inkomens ruimte hebben geschapen voor toegenomen werkgelegenheid, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Zo is de werkloosheid flink lager en de participatie van (parttime werkende) vrouwen flink hoger dan tijdens de vorige crisis.
Ten tweede is onmiskenbaar dat de inkomens aan de top van organisaties - privaat en publiek - zijn geëxplodeerd. De markt biedt hiervoor geen voldoende verklaring, en het gebrek aan
tegenmacht door commissarissen of aandeelhouderhouders des te meer. De markt biedt zeker geen voldoende rechtvaardiging. Alleen vanuit het dwaze idee dat de markt tot de best denkbare wereld leidt, zijn de uitkomsten van de markt een rechtvaardiging op zich.
Dat maatschappelijke onvrede alleen schuilt in toegenomen ongelijkheid is voor Nederland moeilijk vol te houden. Volgens de epidemiologen Kate Picket en Richard Wilkinson zou een gelijke samenleving juist een betere gezondheid en een hoger welzijn moeten hebben. Er moet daarom niet te veel onvrede worden toegeschreven aan de miljarden voor Rijkman Groenink en Jan Bennink of aan bonussen voor ING-bestuurders. Het omgekeerde is bovendien aannemelijker: het ongenoegen over de ongelijkheid lijkt slechts één uiting van onvrede.
Het is alsof mensen door het wegvallen van traditionele verbanden onzekerder dan ooit zijn over hun positie in de samenleving, mede omdat die positie hun eigen verantwoordelijkheid is geworden. Maatschappelijke status is daardoor belangrijker dan ooit en wordt ontleend aan zichtbare kenmerken als goederen en geld. Hierdoor raken mensen opgejaagd, door elkaar. De Amerikaanse econoom Robert Frank schetst in Falling Behind een onderlinge wedloop die van de Amerikaanse middenklasse offers vraagt: lang werken, weinig slapen, lage besparingen, hoge schulden, lage belastingen en dus lage publieke uitgaven. Het treurige is dat ondanks al die offers de middenklasse in Amerika achterop raakt.
Natuurlijk is Amerika extremer dan Nederland. Maar het voortdurende gebrek aan geld en tijd is herkenbaar, hoewel het Nederland van nu rijker is dan ooit. Ook de hang naar (hypotheek)schulden is herkenbaar. Aangemoedigd door een riante renteaftrek en door gretige banken, maar opgejaagd door elkaar hebben Nederlanders zich gestort in een wedloop naar een nog groter huis. Deze wedloop heeft tot niets meer geleid dan steeds hogere schulden en steeds hogere huizenprijzen. Voor het eindresultaat heeft de nieuwe bankpresident Knot onlangs moeten waarschuwen: de financiële stabiliteit is in het geding als tegenover de hoge schulden lage(re) prijzen komen te staan.
Met de nadruk op materiële status komt de angst voor verlies daarvan. Deze angst heerst zelfs bij mensen die bijna onder aan de sociaal-economische ladder staan; zij gunnen mensen op de onderste trede geen extraatje uit angst dat ze dan zelf op de onderste trede komen te staan. De angst wordt aangewakkerd door de financiële crisis. De verworven welvaart in Nederland lijkt af te hangen van de daadkracht van de Grieken, de oprechtheid van Berlusconi en de soliditeit van banken. Het ondenkbare van een groot verlies in één klap is niet zo ondenkbaar, zolang de Europese leiders geen overeenstemming weten te vinden. De angst wordt ook aangewakkerd door politici en werkgevers die economie van de angst beoefenen en waarschuwen voor de concurrentie van BV Nederland met de rest van de wereld. Die concurrentie zou ons dwingen tot het aanpassen van de sociale zekerheid. Maar niets is minder waar. Bedrijven, steden en overheden concurreren, maar landen niet. De praktijk leert juist dat landen alle ruimte hebben om keuzes te maken. De economie van de angst klopt niet, maar vergroot wel de onzekerheid en onvrede.
Nederlanders zijn vrij van traditionele verbanden, maar zijn nog niet voldoende vrij om te komen tot nieuwe vormen van leven en samenleven om betekenis aan hun eigen leven te geven. Als grote delen van de bevolking niet voldoende grip op hun eigen leven menen te hebben, is het proces van emancipatie eigenlijk nog niet voltooid.
Het Nederlandse volk mort. Over de elite van graaiers en zakkenvullers. Maar vooral uit onzekerheid.