Nederland na de zondvloed

‘Wat een prachtlied! En wat een prachtvolk!’ riep Linda de Mol uit, pal nadat Bill van Dijk en het Volendammer Operakoor met een oorvliesverbrijzelende uitvoering van het Wilhelmus de nationale tv-manifestatie Watersnood 1995 hadden geopend. De avond zou geheel in het teken staan van een ergens in het stijgende kwelwater hervonden nationale zelftrots. ‘Het is zo fijn dat Nederlanders eindelijk iets voor Nederlanders kunnen doen’, biechtte een van de gulle geefsters openhartig op. Een woordvoerder van de Nederlandse afdeling van het Foster Parents Plan deelde ten overstaan van de camera mee dat de actie ten bate van de wezen in Haïti met onmiddellijke ingang was stopgezet. Zolang er een paar centimeter water stond in het Land van Maas en Waal moesten de zwervertjes van Port au Prince maar even op eigen kracht verder.

Inmiddels was in de omringende wereld de indruk ontstaan dat de lage landen geheel door het water waren verzwolgen. In de Franse Ardennen mochten steden als Charleville-Mezieres dan geheel onder water zijn gelopen, de Franse tv was aanwezig op de Hollandse dijken, net als de rest van de wereldpers. De herinnering aan de ramp van 1953 bleek nog geheel intact. Tot in Spanje aan toe boden zich spontaan vrijwilligers aan voor de strijd van het dappere Nederlandse volk met de elementen. Maar liefst een kwart miljoen Nederlanders waren op drift. Hele vlakten aan nieuwbouwwijken veranderden op last van daadkrachtige burgemeesters in enkele uren in desolate spooksteden. Haastig werden hond, tv en kinderen in de auto’s geladen en zocht men een veilig heenkomen in sporthallen en andere provisorische opvangcentra. De paniek was enorm, evenals het verdriet. Kolonnes psychosociale hulpverleners trokken naar Dreumel, Oud Itteren, Ochten en al die andere centra van de catastrofe. De enkelingen die weigerden te gehoorzamen aan de evacuatie-orders werden als egoïstische spelbrekers gehoond en door de plaatselijke bestuurders bedreigd met de vreselijkste strafmaatregelen.
Het zag er eerlijk gezegd een beetje beangstigend uit, het schaapse gemak waarmee een kwart miljoen mensen zich van huis en haard lieten verdrijven, zonder dat het water ook maar in velden of wegen te bekennen viel, op een enkele drassige plek in de dijken na. Op de plekken waar de rivier de huizen daadwerkelijk bereikte, veroorzaakte het in de regel een schade zoals die dagelijks, als gevolg van een gebrekkige afvoer voor toilet of wasautomaat, voorkomt in oude stadswijken als Spangen of de Pijp, zonder dat er maar een burgemeester naar kraait. Het ging deze keer dan ook vooral om een virtuele ramp: alleen het idee volstond al. In werkelijkheid viel er niet zo veel te zien. Vandaar dat de NOS bij de talrijke rampbulletins als illustratie een foto gebruikte van een boerderij die, zoals een opmerkzame lezer van Het Parool signaleerde, vanwege de ligging ieder winterseizoen in het water kwam te liggen. Het was dan ook een boerderij op een terp, geheel bestand tegen de situatie. Ook op andere terreinen won de dramatisering het van de realiteit. Nadat in het ontruimde Tiel een enkele inbreker had toegeslagen regende het in de internationale pers geluk aan berichten over ‘grootscheepse plunderingen’. Het was een van de vele tekens van een verlangen naar een catastrofe die maar niet wilde komen.
Vreemde dingen gebeurden er met betrekking tot de schuldvraag. Een zichtbaar beteuterde Ria Beckers, zelf rivierdijkbewoonster, meldde dat gedupeerde bewoners van het land van Maas en Waal hun woede hadden gekoeld op degenen die altijd actie hadden gevoerd voor het behoud van het dijklandschap. De milieubeweging werd opeens verantwoordelijk gesteld voor de nu al bijna twintig jaar zonder enig resultaat voortdobberende polemiek over de juiste protectie tegen het wassende water. Diverse parlementariërs, met name van VVD-zijde, lieten daar ook geen twijfel over bestaan. Ellenlange inspraakprocedures waren debet aan de catastrofe, zo begrepen we. Om te demonstreren dat de wind nu uit een andere hoek waaide, lieten plaatselijke dijkgraven en burgemeesters op grond van noodverordeningen nu overal pittoreske wilgen kappen. Ook dat was een actie met een hoog symbolisch gehalte.
In werkelijkheid toont de zondvloed van 1995, evenals zijn voorganger van kerst 1993, een heel wat fundamenteler tekort m de hedendaagse Nederlandse samenleving aan. Deze 'watersnoodramp’ was in geen enkel opzicht te vergelijken met die van de stormvloed van 1953: het is het verschil tussen malaria en een neusverkoudheid. Het was geen enkel probleem om een beetje extra blubber op de dijken te gooien, met behoud van bomen en al. Al vanaf medio jaren zeventig liggen de plannen in die richting klaar. Het was de overheid die telkens andere prioriteiten zag. De politieke supervoortvarendheid waarmee het kabinet dezer dagen op grond van wat gegrom van de Duitse bondskanselier met miljarden guldens voor militaire helikopters jongleert, staat in schril contrast met de ultieme slonzigheid die al twee decennia aan de dag wordt gelegd met betrekking tot ziel en zaligheid van een paar miljoen burgers. Nu moet de bevolking van een fors deel van het land zich al zorgen beginnen te maken als Parijs wat overmatig het toilet doortrekt. Zelfs nadat in de winter van 1993 evident was geworden dat maatregelen niet konden uitblijven, bleef alles kalm aan het bestuurlijke front. En dat in een land dat heel zijn nationale mythologie ontleent aan de strijd tegen het water en tot ver in de binnenlanden van Afrika en Azië actief is als adviseur inzake dijkaanleg en andere vormen van waterbeheersing. Een schrillere illustratie voor de Jan-Saliegeest van het (post-) Lubberiaanse Nederland is niet voorhanden.