Vijf jaar na de moord op Pim Fortuyn

Nederland na Fortuyn:onzeker, opgefokt

Na de moord op Pim Fortuyn ontdekten niet alleen Nederlandse, maar ook buitenlandse journalisten een verongelijkt en boos Nederland dat ze voor die tijd niet hadden gezien. Hoe beoordelen zij het eerste lustrum van Pimloos Nederland?

Simon Kuper is een veelzijdige half Britse, half Nederlandse columnist van de Financial Times. Hij schreef onder meer: ‘In de publieke opinie is een enorme verharding opgetreden. Er is geen spoor van politieke correctheid meer te bekennen. De botheid en onbeleefdheid waren altijd al een probleem in Nederland, maar sinds kort worden die ook nog eens respectabel geacht.’ In een interview zei hij: ‘Ik hoor goed opgeleide mensen uit de middenklasse zonder blikken of blozen dingen over Marokkanen zeggen die in Engeland volstrekt onacceptabel zouden zijn. Het inhakken op minderheden is wijdverbreid. Ik kan mij voorstellen dat sommige groepen zich in Nederland zo langzamerhand buitengesloten voelen.’ Kuper nu: ‘Het is een natuurlijke neiging van mensen om te zeggen: ik zag het toen goed, ik heb gelijk gehad. Dat ga ik nu ook doen. Ik zat een dag na de moord op Fortuyn in een Amsterdams café met vrienden. Zij maakten zich grote zorgen over de Nederlandse democratie. Ik probeerde ze gerust te stellen en zei dat op lange termijn de schade voor Nederland klein zou blijken te zijn. Volgens mij zag je dat al snel. Bij de verkiezingen van januari 2003 zag je al dat partijen de ideeën van Fortuyn opnamen. Wat dat betreft is de meest wezenlijke erfenis te vinden in het politieke centrum.

De meeste kreten van Fortuyn zijn nu vergeten. Een paar zijn nog bekend, zoals “de puinhopen van Paars”, of “de grenzen moeten dicht”, maar zijn gedachtegoed als geheel is verkruimeld. Na de moord gingen weinigen hard tegen hem in. Maar zijn natuurlijke erfgenaam Verdonk, die eigenlijk een geïdealiseerde Fortuyn is, roept wél veel weerstand op. Het Fortuyn-debat werd via haar gevoerd. Zij zei ook: “Ik heb geen boodschap aan de poldercultuur. Dit gaan we doen en wie dat slecht vindt, heeft pech.” Maar ze heeft het niet gered. De Nederlandse overleg- en bestuurscultuur is te sterk voor haar gebleken.

Nederland is wel harder geworden sinds de moord – zeker als je immigrant bent. De stijl en de toon van Fortuyn – zeggen wat je denkt, verbaal agressief tegen andersdenkenden – zijn overgenomen. Niet alleen in politieke discussies, maar ook in de dagelijkse omgang. Fortuyn vond het onzin dat mensen zo voorzichtig en beleefd met elkaar omgingen. Dat “zeggen wat je denkt” heeft sindsdien opgang gemaakt, ook doordat mensen angstiger werden door een mediahype die hun het gevoel gaf elk moment het slachtoffer van extremistisch geweld te kunnen worden. Maar mijn impressie is dat mensen die dat afwijzen, en die willen luisteren en beleefd zijn, met als prototype Job Cohen, dat meer en bewuster zijn gaan doen.’

Siggi Weidemann is de langst vanuit Nederland rapporterende Duitse correspondent. Hij werkt vanuit Amsterdam voor de Süddeutsche Zeitung. Hij schreef onder meer: ‘Politici worden extra bewaakt en verschillende bekende columnisten en schrijvers hebben op de radio hun besluit bekend gemaakt om naar Duitsland te emigreren. Voorkeur heeft Berlijn, want men vindt de Berlijners aardig, de woningen aldaar zijn groot, de levenskosten laag en bovendien zouden de Berlijners hun historische les al hebben geleerd.’

Weidemann nu: ‘ Het cliché dat Nederland tolerant en open was, en na Fortuyn boos en intolerant, is onwaar. Die minder mooie kant was er altijd al. Als Duitser kom je daar vaak mee in aanraking, met de vooroordelen en intolerantie. Dat Nederland fundamenteel veranderde door Fortuyn vond ik overtrokken, te veel een hype. Er sprak de instelling uit: “Wij zijn de besten, de voorbeeldigsten, en dan gebeurt dit!” Wat me zo verbaast, is dat er nu nauwelijks meer over Fortuyn wordt gesproken. Net als over Van Gogh, dat was ook een hype. Eerst stond hij voor ons allemaal, maar nu wordt er ook weinig meer over hem gepraat. Nederland is wel een beetje een land van hypes.

Ik heb Fortuyn één maal gesproken en een paar maal meegemaakt, en ik vond hem een verademing. Iemand die rondliep in het Haagse circuit en zei: “Wat dóen jullie hier toch allemaal!” Ik was bij de taart die in zijn gezicht werd geduwd en ik ben geschrokken van de reactie van de aanwezige journalisten. Pure Schadenfreude. Die man heeft geen eerlijke kans gekregen. En zijn erfgenamen hebben nu geen Heimat meer. Hun leider is weg en van zijn ideeën zijn bepaalde elementen opgepikt. Maar in het grote algemeen is er niets mee gedaan.’

John Peet is chef Europa van The Economist. Hij schreef een uitgebreid rapport over Nederland, dat enkele dagen voor de moord op Fortuyn uitkwam. Peet loofde het Nederlandse pragmatisme en voorspelde goede tijden. Maar hij laakte ook de zeurmentaliteit van de ‘zestien miljoen verwende krengen aan de oevers van de Noordzee’, die in zijn ogen gestalte kreeg in de ‘sirenenzang van de heer Fortuyn’.

Peet nu: ‘Het is de laatste vijf jaar slechter gegaan dan ik gedacht had, maar het gaat Nederland nog steeds goed. Er is geen grote omslag geweest na Fortuyn: Nederlanders overdreven in de jaren negentig hoe tolerant en relaxed ze wel niet waren. Nu overdrijven ze weer hoe intolerant en opgefokt ze zijn. Ik was de afgelopen jaren wel teleurgesteld in Nederlandse politici: hun intolerantie, hun schelle toon. De regering heeft de landsproblemen niet erg goed aangepakt – het verlies van concurrentievermogen in de economie, de hervorming van het sociale stelsel, het herstel van politieke stabiliteit. Balkenende was een zwakkere leider dan Kok, en met name Verdonk heeft het land weinig geholpen. Nu gaan de politieke ontwikkelingen wel de goede kant uit, alleen te traag. Ik ben nog steeds optimistisch: Nederlanders lossen hun problemen beter op dan hun buren.’

Ulrike Herrmann, redacteur van de Tageszeitung, liep in 2003 twee maanden mee op de politieke redactie van Het Parool om met eigen ogen te zien wat er in Nederland aan de hand was. Ze oordeelde zeer negatief over de algemene teneur in Nederland. Ze schreef onder meer: ‘Ayaan Hirsi Ali is de ideale persoon om de islam, die “achterlijke religie” die alle vrouwen tot onderdanigheid dwingt, volledig af te wijzen. Dat veel moslima’s zich helemaal niet in haar beschrijving terugvinden, doet er nauwelijks toe. Daarvoor is de opluchting van autochtonen te groot: eindelijk zegt iemand wat zij al lang denken.’ En: ‘De discussie kan nog verder radicaliseren, ook omdat Nederland – in tegenstelling tot Duitsland – nog niet heeft ondervonden hoe dodelijk woorden kunnen zijn. Ze hebben geen massavernietiging van joodse medeburgers te verwerken.’

Herrmann nu: ‘Nederland heeft na de ruk naar rechts weer een sociaal-democratisering ondergaan. Het cda is naar het midden opgeschoven, Wilders is naar rechts afgesplitst van de vvd. Het integratiedebat was een verstopt sociaal debat. “Als de buitenlanders weggaan, gaat het ons weer beter”, was het achterliggende idee. Veel Nederlanders beschouwden sociale problemen als integratievraagstukken. Nu zien ze de sociale problemen weer als wat ze zijn.

Toch is Nederland veranderd. Het is geen tolerant land meer. En het durft zijn eigen nare kanten niet onder ogen te zien. Ik kan dat het best vertellen met een anekdote. Afgelopen jaar was Geert Mak in Berlijn om voor te lezen uit zijn boek In Europa. Toen hij dat had gedaan, sprak hij ook over zijn pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid, en hij probeerde een discussie los te krijgen over racisme in Nederland. Het publiek, dat voor negentig procent uit in Berlijn wonende Nederlanders bestond, bleef stil. Uiteindelijk kwam er iemand met een vraag over In Europa. Mak sneed daarna de moord op Van Gogh aan, en de reactie daarop. Weer stilte, tot iemand naar voren kwam met een vraag over In Europa.’

Christopher Caldwell is redacteur van het in Washington gevestigde The Weekly Standard, columnist van de Financial Times, medewerker van het New York Times Magazine en schrijft daarnaast een boek over Europa, islam en immigratie. Hij schreef onder meer: ‘Nederlanders hebben het gevoel, voor de eerste keer in eeuwen, dat de draad die hen verbindt met de wereld van Geert Maks vader, de wereld van Erasmus, Spinoza, Rembrandt en Willem de Zwijger, dreigt te knappen.’ En over de neiging om moslims te zien als ‘zuil’ in de samenleving: ‘Wellicht deden de Nederlanders met immigratie wat de meeste landen met de meeste dingen doen: ze dachten te lang na over hun eigen geschiedenis, en trokken er verkeerde lessen uit.’

Caldwell nu: ‘De zaken in Nederland zijn beter gelopen dan ik had gedacht. Als je Nederland vergelijkt met andere Europese landen zie je dat zij samen met de Denen als eersten zijn losgebroken uit de greep van het multiculturele, politiek correcte jargon. Ze hebben een nieuw, directer vocabulaire gezocht voor problemen die met immigratie samenhingen. Voor een buitenstaander was het moeilijk te voorspellen of Nederland daarna de richting op zou gaan van intolerantie of van noodzakelijke aanpassingen. Het lijkt dat laatste geworden te zijn. De links-christelijke coalitie lijkt een stap verwijderd van de oude dialectiek tussen de nativistische harde lijn en multiculturele naïviteit, verpersoonlijkt in mensen als Hirsi Ali versus Dijkstal, Verdonk versus Halsema.

In heel Europa werd een paar jaar geleden nog aangenomen dat het continent vanwege de vergrijzing tientallen miljoenen immigranten nodig had. Daarover wordt nu overal gedebatteerd. En Nederland heeft een voortrekkersfunctie gehad. In andere landen, zoals Duitsland, zie je dezelfde beweging: weg van het multiculturele jargon, zoeken naar een directere benadering van immigratieproblemen.’

Jean-Pierre Stroobants is de Lage Landen-correspondent voor Le Monde. De in Brussel gestationeerde Waal schreef in die krant onder meer: ‘Zonder twijfel heeft de verdwijning van die raspopulist de mensen het idee kunnen geven dat de onverhoedse opkomst van zijn partij niet meer was dan een koortsaanval, een pukkel op het gave gelaat van een solide democratie. Maar de boodschap van Fortuyn was de spreekwoordelijke vonk in het kruitvat, waarmee het sinds lang beknelde woord de vrijheid herkreeg – rancuneus, heftig, demagogisch; en zeer schokkend voor de bestuurders, die gewend waren aan een hoffelijk debat zonder enige provocatie.’

Stroobants nu: ‘Ik kijk er nu nog precies zo tegenaan. Mensen als Melkert, die volgens de oude regels speelden, konden Fortuyn niet beheersen. Ik vond het fantastisch om te zien. De moord zelf was een belangrijk moment. Zij veranderde het beeld van Nederland dat in het buitenland bestond. In Nederland zelf heeft Fortuyn zowel positieve als negatieve dingen teweeggebracht. Het debat is nu opener, meer dingen worden besproken, ook binnen partijen.

De slechte kant is het extremisme van het debat dat sinds Fortuyn bestaat, met name over de islam en Europa. Ik begrijp werkelijk de standpunten van traditioneel pro-Europese partijen als pvda, cda en vvd over de EU niet. En de samenleving is harder geworden. Het succes van Wilders en sommige dingen die worden gezegd, zijn zaken die mij onrust baren.’

Publicaties van buitenlandse journalisten en opiniemakers over Nederland na Fortuyn zijn verzameld door Groene_-redacteur Pieter van Os in het boek_ Nederland op scherp: Buitenlandse beschouwingen over een stuurloos land (2005).

Te bestellen in de webshop klik hier www.groene.nl/adhoc/boeken