Nederland neemt afscheid van amerika

Op dit moment is burgemeester Bram Peper nog desperaat op zoek naar een paar honderd representabele Nederlanders die bereid zijn met een stars-and-stripes-vlaggetjes te zwaaien zodra Bill Clinton begint aan zijn grand tour door de Rotterdamse haven ter opluistering van het 50-jarige jubileumfeest van het Marshall Plan. De staf van het Witte Huis had namelijk ontdekt dat er slechts een schamel legertje hoogwaardigheidsbekleders klaar zou staan om de president te verwelkomen en bestelde nog enige blikken extra figuranten.

Tegelijkertijd velde het Haagse Openbaar Ministerie van Arthur Docters van Leeuwen na een marathonsessie van semantische analyses dat de posters met het opschrift ‘Who the fuck is Bill Clinton?’ - verspreid door een Haags kunstenaarsechtpaar - strikt naar de letter genomen niet beledigend kunnen worden geacht en dus gewoon mogen blijven hangen. Ook daar betoonde de staf van Clinton zich niet echt happy mee.
Deze diplomatieke mini-incidenten aan de vooravond van Clintons bezoek mag illustratief worden genoemd voor de bloedarmoede waaraan de ooit zo vurige Nederlands-Amerikaanse vriendschap op dit moment lijdt. Natuurlijk, er is geen land in West-Europa waar men zich na de Tweede Wereldoorlog zo gretig op de Amerikaanse Droom heeft gestort. Dank zij het politieke drukmiddel van de Marshall-kredieten kon het Witte Huis een eind maken aan de koloniale dromerijen van Luns en Drees, en daarmee werd de weg vrijgemaakt voor een modernisering van de Nederlandse kastenmaatschappij. Met zijn heupzwaaien liet Elvis Presley in de jaren vijftig niet alleen de muren van het raciale separatisme van zijn eigen land neerstorten, hij bevrijdde ook Nederland uit het knellende korset van verzuiling en bedilzucht. Al in de vroege jaren zestig waren Drentse boerenjongens in staat de blues te zingen als een ex-plantageslaaf uit de Mississippi-delta. Amerika werd hier echt gevoeld, niet alleen geïmiteerd. Vergelijk dat maar eens met een muzikaal wangedrocht als de Franse rock, een monument voor alles wat er fout kan gaan in de communicatie der culturen.
Tegen het einde van de jaren zestig was er een hele generatie jongeren in Nederland die geheel Amerikaans leefde en dacht. Door Amerika als cultuurdonor te gebruiken, werd die jeugd paradoxalerwijs ook anti-Amerikaans, in de zin van tegenstander van Johnsons Vietnampolitiek en Nixons Watergate. Maar zelfs daarmee volgde men in Nederland de lijn die oorspronkelijk in de Verenigde Staten zelf was uitgezet door jongerenleiders als Abie Hoffman en Jerry Rubin. Ondertussen had ieder zichzelf respecterend welvaartsgezin in de Nederlandse polder drie tegeltjes in de gang hangen met daarop de beeltenissen van Amerika’s jongste martelaren - de gebroeders Kennedy en Marten Luther King.
Van de postmoderne Franse filosoof Jean Baudrillard komt de stelling dat de Europese sociale en filosofische negentiende eeuw nooit de Atlantische Oceaan is overgestoken. In Amerika, aldus Baudrillard, worden de dingen nog altijd 'bezield door de utopie en de moraal, door het concrete idee van het geluk en de leefgewoonten, allemaal zaken die de politieke ideologie in Europa, Marx voorop, uit de weg heeft geruimd voor een “objectief” begrip van de historische transformatie.’ De Amerikanen 'sluiten in hun collectief bewustzijn eenvoudigweg veel nauwer aan bij de utopische en pragmatische denkvormen van de achttiende eeuw dan bij de ideologische en revolutionaire denkvormen die de Franse revolutie voorschreef.’
Het zou een passende verklaring bieden voor de afgelopen vijf decennia, waarin Nederland zich heeft gevoed met alle symboliek van de Amerikaanse verbeelding, ver van de begrippen en denkwijzen die Europa tot een groot massagraf hadden gemaakt. Het Marshall Plan introduceerde een nieuwe heilsleer, die van de algehele welvaart, die vooral door de Nederlandse sociaal-democratie centraal werd gesteld. Er valt veel te zeggen voor de theorie dat de Amerikaanse Bill of Rights nog het beste is gerealiseerd door sociaal-democraten als Joop den Uyl, in hun streven naar wat zo misplaatst laatdunkend het 'biefstuksocialisme’ wordt genoemd.
Zelf is Amerika nooit aan dat stadium van verwezenlijking toegekomen. Want het Amerika dat als cultuurdonor dienst deed, was vooral een fictief bouwwerk, en het reële Amerika loopt ver achter bij het virtuele Amerika. Het Amerika dat de afgelopen vijftig jaar is opgeklommen tot het centrum van de menselijke verbeelding, heeft welbeschouwd weinig van doen met de situatie die de reiziger aantreft zodra hij het vliegveld aldaar heeft verlaten. Oorzaak van die fascinerende tegenstelling zit hem natuurlijk in het feit dat Amerika altijd de voorrang heeft gegeven aan de opbouw van een fantastisch, fictief rijk van mediatechnologie, zonder zich al te veel zorgen te maken of datgene wat daar model voor stond, het tempo nog wel kon bijbenen. De realisering van dat virtuele Amerika vond plaats in de drassige polders aan de mond van Maas en Rijn, en nergens anders.
Niemand in Nederland zou het wagen een Europees Disneyland te vergelijken met een 'cultureel Tsjernobyl’, zoals Franse intellectuelen dat deden. Niemand in Nederland verkondigt de noodzaak van een soort Delta-plan voor de Europese massamedia tegen 'Amerikaans cultuurimperialisme’, zoals Fransen en Duitse intellectuelen dat verkondigen.
Toch lijkt anno 1997 de Amerikaanse Droom ook voor Nederland voorbij. Aan de hand van Paul Scheffer en Frits Bolkestein gaan nu ook de Nederlanders op zoek naar 'de wortels van de nationale cultuur’, alles in het teken van een grote campagne ter reanimatie van intrinsiek-Europese trots. De grenzen van de Amerikaanse invloed zijn bereikt. De hete adem van Duitsland wordt op alle manieren in de nek gevoeld, terwijl Amerika zelf ondanks het charismatische boegbeeld van Bill Clinton, steeds verder wegzinkt in een soort archaïsch provincialisme en geen verdere dromen weet aan te wakkeren.
Zo wordt Nederland meedogenloos weggerukt uit de armen van zijn vermoeid geworden culturele draagmoeder overzee, en geannexeerd door de immer opdringeriger opererende oosterbuur. Het bezoek van Bill Clinton aan Nederland heeft in alles het karakter van een afscheid. En dat is niet echt iets om te vieren.