Nederland onleefbaar

Nederland wordt onleefbaar, zo riep vorige week de Nationale Woningraad. Er moest een signaal uit naar de politiek. Het brandende verlangen naar een Nederland als één grote Erkende Achterstandswijk
VEEL MENSEN hebben het nog niet zo in de gaten, maar dit land wordt zo langzamerhand onleefbaar. De Nationale Woningraad (NWR), koepelorganisatie van woningcorporaties, heeft dat vorige week onthuld. De uitkomsten van een onderzoek dat de NWR heeft verricht in de honderd grootste gemeenten van Nederland zijn, aldus directeur Van Velzen, ‘schokkend’. Met de kwaliteit van de woningen zit het volgens het rapport natuurlijk wel snor, maar de búúrten… Daarvan is één op de zeven ‘onvoldoende leefbaar’, oftewel vies, onveilig, lawaaiig en vergeven van de ‘ongewenste activiteiten’.

Het was het startsein voor de Nederlandse journalistiek om erop uit te trekken, op zoek naar onleefbaarheid. Een cameraploeg van het NOS-journaal ging onverschrokken de wijken in en vond twee buurtbewoonsters bereid om wat te kankeren. De een ‘durfde ’s avonds de straat niet meer op’, de ander kreeg weleens een grote mond van opgeschoten jongeren.
Zo primitief ging de NWR niet te werk. Er werd een echt wetenschappelijk onderzoek gedaan, en er ligt nu een indrukwekkend rapport vol staatjes, grafiekjes en staafdiagrammen. Maar hoe meet je in hemelsnaam zoiets als leefbaarheid? Er zijn evenveel definities van het begrip als er onderzoeken naar zijn gedaan. Leefbaarheid, smacht men bijvoorbeeld in Amsterdam, betekent onder andere méér groen. Maar in tuindorp Vreewijk weegt privacy zwaarder. Talloze ligusterheggen zijn daar recentelijk door de bewoners neergemaaid en vervangen door hekken en muurtjes.
De aanwezigheid van 'groenvoorzieningen’ was slechts een van de dertien thema’s die per wijk zijn beoordeeld door zeshonderd geënquêteerden. Zij moesten van de NWR een rapportcijfer toekennen aan het aantal pollen en plantsoenen, evenals aan de 'veiligheid’ van de wijk, de 'sociaal-economische’ èn de 'etnische samenstelling’, de kwaliteit van de woningen en nog zo wat 'indicatoren’ van leefbaarheid. En alsof dit alles niet bovenal de wijkbewoners aangaat, polste de NWR als 'meest betrokken partijen’ de woningcorporatie, de politie, de bewonersorganisatie, de gemeentebestuurders en welzijnswerkers. Precies die functionarissen of professionals die verdacht kunnen worden van een zekere beroepsdeformatie, en die er bovendien belang bij hebben om in niet al te gunstige bewoordingen te praten over de leefbaarheid in de wijk.
Want de politieagent ziet de hele dag niets anders dan (kleine) criminaliteit, en wil er graag wat collega’s bij. Voor de welzijnswerker moet er niet al te veel welzijn zijn, want problemen betekenen brood op de plank. De bewonersorganisatie hoopt op het predikaat 'achterstandwijk’ want daaraan zijn tenminste rechten te ontlenen. Er bestaat al een Vereniging van Erkende Achterstandswijken). De woningcorporatie zal benadrukken dat de 'woningvoorraad’ tiptop is; aan de kwaliteit van de omgeving daarentegen valt nog van alles te doen - door de overheid. De gemeentebestuurder zal ongetwijfeld aangeven dat er óók de nodige successen worden geboekt. Uit het NWR-rapport bleek dan ook dat de rapportcijfers van gemeentebestuurders en corporatiedirecteuren gemiddeld een halve punt hoger lagen dan die van de andere 'meest betrokkenen’.
Uiteindelijk kwamen er van de 764 onderzochte wijken 117 als 'onvoldoende leefbaar’ uit de bus. Vermenigvuldig die 117 wijken met het aantal mensen dat er woont en je komt op 1,8 miljoen mensen die in onleefbare wijken wonen, volgens de NWR. En: 'Op deelaspecten is de situatie nog veel zorgelijker’: wel 3,9 miljoen mensen wonen 'in onveilige wijken met een hoge criminaliteit’.
'DEZE UITKOMSTEN komen zelfs niet in de buurt van de werkelijkheid’, zegt prof. Sako Musterd, die zich als hoogleraar toegepaste geografie en planologie onder meer bezighoudt met het bestuderen van sociale segregatie. 'En dat is vervelend, want er is wel een probleem waar je serieus naar zou moeten kijken. Dit gaat echter veel te ver. De NWR wil werk maken van de onveiligheidsgevoelens onder de burgers, maar als ze íets hebben gedaan met dit rapport dan is het die gevoelens versterken.’
'Ik denk zeker dat er leefbaarheidsproblemen zijn, maar ik zet grote vraagtekens bij dit soort getallen’, zegt planoloog Marten Bierman. 'We hebben in Nederland zo langzamerhand uitermate onbetrouwbaar cijfermateriaal waarop we ons moeten baseren. De bevolkingsregisters zijn soms wel voor twintig procent vervuild, en toch worden de gemeentelijke cijfers zomaar geëxtrapoleerd naar landelijk niveau.’
PvdA-kamerlid Adri Duivesteijn is eigenlijk wel blij met die enorme aantallen waar de Nationale Woningraad mee komt. 'Het is zo'n overkill, dat gepraat over “miljoenen burgers”, dat dit doemverhaal aan de meeste mensen wel voorbij zal gaan. Al blijft het gevaar bestaan dat de beleidsmakers er wel in gaan geloven en de oordelen over die wijken overnemen.’
Musterd: 'Vaak zeggen dit soort metingen meer over de mensen die je ondervraagt dan over het thema zelf. De NWR heeft de corporatiedirecteuren gevraagd welke andere professionals geschikt waren om te ondervragen. Die hebben natuurlijk mensen aangewezen die zo'n beetje hetzelfde denken over leefbaarheid, waarmee het een heel selectieve steekproef werd van allemaal klonen.’
Aan een van de onderzoekers de vraag of de ondervraagde functionarissen zelf wel wóónden in de wijk die zij een rapportcijfer moesten geven? Nee, is het antwoord, want hun oordeel werd gevraagd over meerdere, soms wel zes verschillende wijken in de gemeente. Immers: 'Het was een perceptie-onderzoek.’
Misschien was het zinvol geweest ook naar de perceptie van de bewoners te vragen? 'Mijn buurt staat bekend als heel onveilig’, zegt Duivesteijn, woonachtig in de Haagse stationsbuurt, 'maar ík merk er niets van. Het zijn mensen van buitenaf die dat beweren. Het ideaalbeeld van professionals wordt vaak bepaald door de wenselijke samenstelling van een wijk; een buurt met veel lage inkomensgroepen wordt al slecht beoordeeld.’
ER IS EEN STRAAT in Scheveningen die sociaal-economisch gezien niets voorstelt. De bewoners hebben er of een strafblad of een uitkering of allebei. Maar het is een hechte gemeenschap met een goede sfeer. De professionals zouden over de hoofden van de bewoners heen ongetwijfeld van een probleemwijk spreken. Ergens moet toch het indrukwekkende gegeven vandaan komen dat 3,3 miljoen Nederlanders in wijken met een 'gebrekkige sociale structuur’ wonen?
Het is als met het gloednieuwe NS-station in Leiden. De argeloze reiziger kijkt om zich heen en ziet een mooie, ruime, lichte hal met een winkeltjes en immer twee vertrouwenwekkende spoorwegagenten. Toegegeven: hier en daar liggen wat zandkorrels, overgewaaid uit de belendende bouwput. Maar wat lezen wij in ons ochtendblad: 'Station Leiden verloedert!’
Er zijn kennelijk nogal wat verschillen in waarneming tussen mensen die het weten kunnen en mensen die er middenin zitten. Neem de fameuze hoofdstedelijke wijk de Pijp. Typisch een voorbeeld van een 'huisjesmelkerswijk’, volgens het NWR-rapport. En onleefbaar. De huisjesmelkerswijken scoren in alle opzichten het slechtst wat betreft 'kwaliteit van de woonomgeving’. Gek toch, dat je doorgaans slechts lyrische verhalen hoort over de Pijp, en dat iedereen er lijkt te willen wonen. 'De Pijp’, weet Gerard Anderiesen, 'is typisch een wijk waar de bewoners heel positief over zijn. Als ze gaan verhuizen, is het meestal vanwege de te kleine woningen, niet vanwege de buurt.’
Anderiesen is directeur van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties. Hij herkent de situatie in de hoofdstad niet erg in het NWR-rapport. Hij had liever het oordeel van de wijkbewoners zelf gehoord. In een vorig leven heeft hij onderzoek gedaan in de Rotterdamse wijk het Oude Westen. 'De bewoners zelf vertelden een genuanceerd verhaal, met positieve en negatieve ervaringen. Een half jaar later werd een onderzoek gedaan onder professionals in de vergelijkbare wijk Feijenoord, en daar kwam een buitengewoon negatief beeld uit naar voren.’
VOLGENS DE professionals die de NWR consulteerde, is het bar en boos met de criminaliteit in de wijken. Hoe is dat gemeten? Door te kijken naar het aantal aangiftes, processen-verbaal of fietsendiefstallen? Nee, want harde cijfers telden niet mee: 'Steeds was de vraagstelling niet òf bepaalde situaties zich voordoen, maar of dat eventueel problemen oplevert voor de leefbaarheid’, schrijven de onderzoekers. Het was hen immers te doen om de perceptie van de betrokkenen. En op basis daarvan concluderen ze: 'Maar liefst 41 procent van het totaal aantal wijken kent een situatie waarbij de mate van criminaliteit tot onvoldoende leefbaarheid leidt.’
Anderiesen: 'Ik wil de problemen niet bagatelliseren, maar dit is zo zwaar aangezet. Mensen worden vanzelf bang als je maar vaak genoeg opschrijft hoe erg het allemaal is.’ Het zijn juist dit soort berichten die ervoor zorgen dat de 'onveiligheidsgevoelens’ van de Nederlanders zoveel harder stijgen dan de criminaliteitsstatistieken. Veel angst is statistisch gezien ongegrond. Zo zijn in gemiddeld negen van de tien geweldzaken dader en slachtoffer bekenden van elkaar. Toch zijn mensen het meest bang voor onbekenden op straat - voor die 3,8 miljoen andere bange mensen. Want zoveel mensen hebben in Nederland volgens de NWR klachten over 'veiligheidsbeleving’.
Aan dit soort onderzoeken, zegt Musterd, liggen vaak vooronderstellingen ten grondslag die niet getoetst zijn. 'Zoals: de segregatie neemt toe, de verpaupering neemt toe, de kloof tussen arm en rijk wordt groter. Waarom maakt men zich bijvoorbeeld druk om inkomenssegregatie? Die is er helemaal niet. En de etnische segregatie díe er is, bevindt zich al twintig jaar op hetzelfde peil.’
Het komt allemaal voort uit een collectieve hang naar doemdenken, uit een brandend verlangen naar een Nederland als één grote Erkende Achterstandswijk. 'Er komen wel nieuwe probleemwijken bij, maar er verdwijnt er maar zelden een van de lijstjes’, schrijft stedelijk onderzoeker Arnold Reijndorp deze maand in het Nieuw Tijdschrift voor de Volkshuisvesting. 'Maar dat kan toch eigenlijk niet. Je kunt toch niet tien jaar lang blijven zeggen dat de samenleving uit elkaar valt en dat wijken in getto’s dreigen te veranderen?’ Achterstandswijken, betoogt hij, bestaan helemaal niet. Wel zijn er wijken waarin relatief veel mensen wonen die maatschappelijk gezien in een achterstandspositie verkeren. Die buurten zou je net zo goed kunnen zien als springplanken naar maatschappelijke integratie. Dat gaat niet van vandaag op morgen, dat is een kwestie van generaties. Maar beleidsmakers, aldus Reijndorp, zijn te ongeduldig om daarop te wachten.
OOK DE Nationale Woningraad is ongeduldig. En ongerust, vanwege - hoe kan het ook anders - geldzaken. Directeur Van Velzen verbindt aan de onderzoeksresultaten de conclusie dat er 'een tweede stadsvernieuwingsgolf’ nodig is. 'De komende jaren zijn tientallen miljarden guldens nodig om de Nederlandse wijken leefbaar te maken of te houden.’ Maar wie gaat dat betalen?
Op de agenda voor volgend voorjaar staat de evaluatie van de stadsvernieuwing, die in 2004 voltooid moet zijn. Wat eerst stadsvernieuwing en daarna sociale vernieuwing heette, heet nu leefbaarheid. En vanaf 1 januari 1997 zijn de woningcorporaties wettelijk verplicht daarin te investeren. Staatssecretaris Tommel heeft al aangekondigd slechts een zakcentje van acht miljoen per jaar te zullen bijdragen. Dit alles lijkt de NWR niet zo'n goed idee, dus lanceert de organisatie een schot voor de boeg. Door met een alarmerend rapport de ernst van de zaak aan te tonen, en in een moeite door het kostenplaatje te presenteren.
'DE GEHEIME agenda van dit rapport is natuurlijk een grote financiële claim bij de Rijksoverheid’, zegt Adri Duivesteijn. Maar bij het ministerie van Volkshuisvesting ziet men nog eens een stadsvernieuwingsgolf van vele miljarden niet zo zitten. 'Wij zijn tegen leefbaarheid als een containerbegrip’, zegt een woordvoerder van Tommel. 'Je kunt niet allerlei problemen optellen en dan zeggen: dat kost het. Als er geld nodig is, wijzen wij in de eerste plaats op de miljarden aan reserves van de corporaties.’
Duivesteijn: 'Stadsvernieuwing is echt niet zaligmakend. Als de NWR haar eigen rapport serieus zou nemen, zou dat moeten leiden tot de nodige zelfkritiek. De afstand van de woningcorparaties tot de burger is veel te groot. Bewoners zijn zelfs voor het onderhoud van hun portiek afhankelijk van andere partijen. Je moet mensen betrekken bij het onderhoud en het beheer van hun woningen. Als zij meer verantwoordelijkheid en invloed hebben, is dat goed voor de stabiliteit en de cohesie in een buurt.’
Marten Bierman: 'De NWR heeft de oplossing deels in eigen hand. De corporaties moeten bijvoorbeeld eens ophouden almaar meer nieuwbouw neer te zetten. Daardoor verlaten mensen hun oude buurten en krijg je leegstand en verloedering.’
'Natuurlijk zijn er problemen’, zegt Musterd. 'En door de manier waarop die nu zijn benaderd, zijn die weer een stukje groter geworden.'Rottigheid en ellende