Onder leiding van cabaretier Freek de Jonge (midden voorgrond) werden veel protesten georganiseerd tegen deelname van het Nederlands Elftal aan het voetbaltoernooi in het Zuid-Amerikaanse land met een militaire dictatuur, het mini-martel-WK. 29 november 1980 © Bert Verhoeff / ANP

De poulefase zit erop. Zonder al te veel moeite zijn ‘we’ door naar de laatste zestien, waar zaterdagmiddag om 16:00 uur het verrassende Team USA staat te wachten. Ik heb me aan mijn woord gehouden en er geen minuut van gezien. Oscar, mijn zoontje, heeft wel gekeken. De eerste zes minuten van de tweede wedstrijd tegen Ecuador om precies te zijn. Vanwege een studiedag op school was hij een middag spelen bij vrienden, die ‘niet naar het WK, maar wél naar Oranje’ keken. Ik was net te laat. ‘Je maakt het hem wel heel erg moeilijk zo’, zei de vriend grijnzend toen ik de woonkamer inliep. ‘Nu heeft hij al van de verboden vrucht geproefd en wil hij niet meer mee.’ ‘Nee hoor, ik wil alleen tot het eerste doelpunt kijken’, riep Oscar vanuit zijn zetel voor de televisie. Nog voordat ik iets kon zeggen, kreeg Cody Gakpo net buiten de zestien de bal van Klaassen aangespeeld en schoot hij met zijn linkerbeen uit het niets de 0-1 binnen. De enige twintig seconden (inclusief twee herhalingen vanuit verschillende camerastandpunten) die ik tot nu toe heb gezien. ‘Oké’, riep Oscar terwijl hij langzaam achteruit, zonder zijn blik een moment van het scherm af te wenden, naar de gang liep. ‘Zullen we dan nu gaan, pap?’

Zoals verwacht was afgelopen week niet iedereen het met mijn standpunt eens om als vader van een negenjarige voetbalfan vanuit pedagogische overwegingen het WK te boycotten, maar op een enkele ‘mafkees’ en ‘omhooggevallen linkse kakker’ na waren de reacties op mijn verhaal over het algemeen vrij mild. Ook nadat ik een paar dagen later in mijn rol als vaste clubwatcher van Feyenoord TV mijn statement op camera herhaalde, bleef het verrassend stil op de sociale media. De Friese voetballer Oeki Hoekema had het een stuk zwaarder toen hij in 1978 als enige profvoetballer in Nederland met een handtekeningenactie onder zijn collega’s opriep tot een boycot van het WK in Argentinië. Hij werd door de hele voetbalwereld afgeserveerd en met de grond gelijk gemaakt. En dat was nog vóór het internettijdperk.

In aanloop naar het WK verklaarde diezelfde Hoekema overigens in een interview met het Algemeen Dagblad dat hij ondanks de felle kritiek op het toernooi in Qatar wel gewoon naar de wedstrijden van het Nederlands Elftal te zullen gaan kijken.

‘Wat moet je anders, hè?’ verzuchtte de principieelste Nederlandse profvoetballer ooit.

‘Je kunt jezelf wel gaan kwellen door niet te kijken, maar wat schiet je daarmee op? Ik vrees dat het toernooi gewoon doorgaat, hoor, als Oeki Hoekema uit Pingjum de hele WK-maand wat anders gaat doen. En bovendien: zouden de leef- en werkomstandigheden van die mensen dan veranderen? Het is triest dat het toernooi daar gehouden wordt, maar we doen het er maar mee.’

Het is een geluid dat ik de afgelopen week vaak heb gehoord. We doen het er maar mee, want wat moet je anders? Niet kijken, antwoordde ik dan steevast. Kijk in plaats van de wedstrijd een film of twee afleveringen van je favoriete Netflix-serie. Of pak dat ene boek waar je nooit aan toekomt. Inclusief de rust heb je 105 minuten volledig voor jezelf. Of voor je gezin. Speel een spelletje Monopoly of Kolonisten samen. Nu kan het. En dan hebben we de gemiddeld vijf minuten blessuretijd per helft nog niet eens meegerekend. Weer tien minuten erbij. Hoef je niets voor te doen, behalve met je afstandsbediening bij NPO 1 en 3 weg te blijven. Zo moeilijk is het niet. Een kind van negen kan het ook. Zelfs als de wedstrijd al is begonnen en hij al met een bakje chips en een glaasje limonade voor de televisie zit.

En of dit iets aan de leef- en werkomstandigheden van de arbeidsmigranten, de rechten van de vrouwen en de lhbtqi-gemeenschap in Qatar of de structurele corruptie van de Fifa verandert? Nee, natuurlijk niet. Maar daarom doe ik het ook niet.

‘Maar waarom doe je het dan wél als het toch geen zin heeft?’

Een terechte vraag die ik tot vorige week vrijdag zelf ook niet goed kon beantwoorden.

Niet voor mezelf, en zeker niet voor Oscar toen ik hem tijdens de wedstrijd tegen Ecuador op kwam halen en over de uitgestorven grachten naar huis bracht. Totdat ik die avond een interview met de Israëlische schrijver David Grossman in een oude Groene van een paar weken geleden las. Halverwege het interview vertelt Grossman als onderbouwing van een stelling over de inhoudelijk betekenis van een personage uit een van zijn romans een anekdote over een man die tijdens de Vietnamoorlog elke week voor het Witte Huis demonstreerde. Na enkele jaren daar wekelijks te hebben gestaan vroeg een cynische journalist hem op een dag of hij serieus dacht dat hij op deze manier de wereld zou kunnen veranderen, waarop de man antwoordde: ‘Nee, dat denk ik niet. Ik zorg er gewoon voor dat de wereld mij niet verandert.’

En dat is precies wat ik Oscar sinds die avond ook vertel. ‘We boycotten het WK niet om de wereld te veranderen, jongen, maar om te zorgen dat de voetbalwereld ons niet verandert.’

We zullen zien hoelang we het volhouden.

In dit blog doet De Groene komende weken verslag van het WK in Qatar – verslag van mensenrechten, misstanden, het mediacircus en misschien soms voetbal.