Opheffer

Nederland verandert nauwelijks

Mijn grootmoeder vond Amsterdam zo veranderd dat ze de stad niet meer herkende. Dat was in 1960.

De naoorlogse sfeer was weg; haar vrienden waren opgehaald, gedeporteerd en niet meer teruggekomen; haar eigen man was vlak na de oorlog gearresteerd omdat hij had meegedaan aan de bunkerbouw, maar was vrijgesproken; de schoonouders van haar ene zoon waren NSB’ers geweest, de schoon ouders van haar dochter, mijn moeder, waren in het verzet omgekomen.

Nee, Amsterdam was er niet leuker op geworden, ze vond de stad hard. De gezelligheid was weg.

Mijn grootmoeder is bijna dertig jaar dood. Ik loop door Amsterdam en vind het nog steeds heerlijk. Ik heb Londen zien veranderen, Antwerpen, Marseille, maar gek genoeg Amsterdam niet.

Hoewel… ik kom langs een middelbare school die uitgaat en opeens zie ik zeker zeventig procent allochtonen en hoor ik een nieuw soort Nederlands. Grammaticaal misschien niet zoals ik gewend ben («Die meisje zegt jij bent gek, man»), maar de grootste verandering zit toch in de klank, waarvan ik bijna zeker weet dat die zal door zetten, omdat ook niet- allochtonen die klank over nemen. Dat is nu eenmaal een aantrekkelijke manier om je te onderscheiden.

Ik maak me zorgen over de stad, maar gek genoeg denk ik dat het allemaal wel zal meevallen. We moeten misschien iets meer gezamenlijk lijden. Er is een theorie die zegt: juist door de Tweede Wereldoorlog werd Amsterdam wat Amsterdam nu is, zoals de Bijlmer pas de Bijlmer werd na de Bijlmerramp. Ik hecht aan die theorie wel enig geloof.

Eerste paasdag moest ik naar Apeldoorn. Daar was ik nog nooit van mijn leven geweest. Daarna moest ik naar Wezep, waar ik tot voor kort ook geen reden had om naartoe te gaan. Apeldoorn en Wezep waren nu filmlocaties die ik bezocht. Om er te komen reed ik weer eens door Nederland.

Ik was verbaasd. Ik zag namelijk niet een nieuw Nederland, zoals ik had gedacht, maar het leek juist of de tijd veertig jaar had stilgestaan. Je kon in Apeldoorn allemaal producten krijgen die je in Amsterdam hoogst zelden aantreft. Een schuier met echte haren, bijvoorbeeld. In het restaurant kon je een hors d’oeuvre eten. Ook serveerden ze nog de «zalmschelp met mayonaise». In een café kon je voor drie euro vijftig een uitsmijter eten. Ik zag een boer, hij ploegde voort. Ook kwam ik koeien tegen op de weg. Het was 1960, vooruit, 1970.

Nederland verandert eigenlijk helemaal niet zo snel. Maar ze zeggen van wel.

Natuurlijk, ik zag een Marokkaanse familie en ik zag een paar ontheemde Tamils, maar dat waren de Indische Nederlanders uit die tijd. Mijn tante Ella en oom Noes. «Nederland is koud, joh», zeiden ze. Totaal ontheemd, maar eigenlijk ook weer ingeburgerd.

In Zwolle ging ik naar een antiquariaat en daar zag ik drie jaargangen Het Beste (Reader’s Digest). Verdomd, daar haalde oom Noes zijn kennis van de wereld vandaan die hij doorgaf aan mijn vader.

Toen ik terug was in Amsterdam zag ik opeens een moderne stad met decadente advertenties. Allochtone jongens voetbalden op het Mercatorplein, in de Palestrinastraat sloeg een blanke jongen in alle eenzaamheid met een kapot tennisracket een bal tegen de muur.