Zin en onzin van de milieudiscussie

Nederland verdrinkt niet

Over zin en onzin van de milieudiscussie. Over onheilsprofeten en nuchtere des kundigen. En over de weersverwachting voor de komende honderd jaar.

«Bij het denken over de zonde en het kwaad, voortkomend uit onze verbroken relatie met God, denken christenen doorgaans aan zonde tegen de medemens, niet tegen het milieu. Maar als we ernst willen maken met de zorg voor de aarde die God ons heeft opgedragen, moeten we inzien dat het verzaken van die plicht een zonde tegen God is, een nieuw soort zonde in de vorm van alle gedrag dat leidt tot het uitsterven van soorten, vermindering van biodiversiteit, vervuiling, habitatvernietiging en verstoring van duurzame leefwijzen.»
Deze woorden zijn niet afkomstig van een duurzame christenondernemer of oecumenische Greenpeace-donateur, maar van Sir John Houghton, medeoprichter en voormalig covoorzitter van het wetenschappelijk panel voor klimaatverandering van de Verenigde Naties, het IPCC.
Sinds zijn terugtrekking uit het panel luidt Houghton, een diepgelovig man, in het christelijke lezingencircuit in Europa en de Verenigde Staten de noodklok over de opwarming van de aarde als uitvloeisel van de erfzonde. Dat maakt hem tot een makkelijk doelwit voor de «klimaatsceptici» die ofwel de opwarming van de aarde ontkennen, ofwel alle menselijke verantwoordelijkheid voor die opwarming afwijzen. Ligt het niet voor de hand dat Houghton zijn wetenschappelijke inzichten heeft laten beïnvloeden door een apocalyptische zienswijze?
Nee, dat ligt niet voor de hand. Het enige wat voor de hand ligt, is dat opponenten elkaar te lijf gaan met zulke ad-hominemredeneringen omdat ze een groter publiek willen bereiken met wetenschappelijke theorieën die voor datzelfde publiek al gauw te ingewikkeld worden. Wat Houghton betreft: zoals bekend gaan godsdienst en wetenschap goed samen mits de wetenschap het laatste woord heeft. De bijbel geeft geen uitsluitsel omtrent het gedrag van complexe non-lineaire systemen zoals het mondiale klimaat. Houghton heeft dat volmondig toegegeven en er is geen enkel bewijs dat hij in zijn IPCC-carrière onderzoeksresultaten heeft gemanipuleerd. Hij zou, op zijn beurt, sommige van zijn critici voor de voeten kunnen werpen dat ze zich laten leiden door de olie-industrie of door vrije-marktdogma’s. Dat doen ze namelijk, al zullen ze bij hoog en bij laag ontkennen dat het hun wetenschappelijk oordeel beïnvloedt.
De discussie over het mondiale klimaat, die vooral in de Angelsaksische wereld met grote hevigheid wordt gevoerd, is bezaaid met zulke ideologische voetangels en klemmen. Het thema global warming, tegenwoordig een vast onderdeel van progressieve platforms, is nota bene in de jaren tachtig op de internationale agenda gezet door Margaret Thatcher. Zij gebruikte het als propagandamiddel in haar strijd tegen de Britse mijnbouw, die meer dan honderd jaar lang de ruggengraat van het door haar verafschuwde Britse vakbondswezen had gevormd, en vóór het gebruik van kernenergie als alternatieve energiebron. In een recente lezing beschrijft Houghton hoe Thatcher praktisch in haar eentje in 1988 de stoot gaf tot oprichting van het IPCC en hem, als christelijk geïnspireerde Conservatief, een prominente functie in het panel bezorgde.
Nu de regering-Bush heeft besloten buiten het klimaatverdrag van Kyoto te blijven, wordt de klimaatdiscussie bovendien vervuild door krachtige anti-Amerikaanse gevoelens. In Groot-Brittannië, waar Tony Blair ook in dit opzicht de fakkel heeft overgenomen van Thatcher, misbruikt de overheid daarentegen weer naar hartelust onderzoeksgegevens. Om het doemdenken kracht bij te zetten, publiceert men scenario’s voor de spoedige overstroming van grote delen van het land. Het gevaar van oprukkend zeewater spreekt natuurlijk elke maritieme natie aan. Zodoende is, met de nodige vertraging, ook in Nederland de verwachte zeespiegelstijging onderwerp van discussie en beleid geworden.

Helaas wordt ook hier de publieke discussie gedomineerd door gesubsidieerde paniek zaaiers en beroepssceptici. Onlangs publiceerde het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM) van de Vrije Universiteit in Amsterdam een klimaatscenario met de titel Neo-Atlantis waarin de gevolgen voor Nederland worden geschetst van een zeespiegelstijging van vijf meter in de komende honderd jaar. Het scenario loopt – hoe bijbels – uit op een massale exodus van Nederlanders naar Normandië. De auteurs wijzen nog net geen nieuwe Mozes aan, maar kwade tongen beweren dat deze rol reeds is vergeven aan de VU-hoogleraar mariene geologie en klimaat-eschatoloog Dick Kroon.
In de inleiding schrijven de makers dat hun scenario uitgaat van het smelten van de West-Atlantische IJskap, een reusachtige gletsjermassa aan de westelijke zijde van Antarctica die inderdaad, vooropgesteld dat hij in zijn geheel in zee glijdt, de waterspiegel vijf meter zou doen stijgen. De kans dat dit gebeurt is echter «praktisch nul», zo lieten KNMI-onderzoekers Rob van Dorland en Caroline Katsman in een reactie op de KNMI-website weten: áls de betreffende ijskap al in zijn geheel smelt, dan zal dat vijf tot zeven eeuwen duren. «Laten we in de warmer wordende wereld het hoofd koel houden en ons in risico-analyses beperken tot de inzichten die wetenschappelijk onderbouwd kunnen worden», aldus de onderzoekers.
Wie de Nederlandse klimaatdiscussie van de afgelopen vijf jaar volgt, ziet dat het KNMI en andere serieuze onderzoeksinstellingen een voortdurende strijd hebben moeten leveren tegen eenzijdige interpretaties van hun eigen werk en dat van het IPCC. Gelukkig zijn ze daar qua mankracht langzamerhand op berekend. Bij diverse ministeries, aan de Universiteit van Wageningen en elders is de nodige expertise opgebouwd. Van Dorland heeft zijn vakgebied als kool zien groeien.
Van Dorland: «Toen ik hier in 1988 in dienst kwam, was het klimaatonderzoek in handen van een los verband van zes onderzoekers. Het jaar daarvoor had de rijksoverheid voor het eerst aangedrongen op onderzoek naar klimaatverandering. De vraag is sindsdien alleen maar toegenomen en tegenwoordig is de afdeling een min of meer hechte organisatie van bijna honderd mensen.»
Van Dorland was de afgelopen jaren de spil in menige Nederlandse beleidsdiscussie, terwijl zijn wetenschappelijke prestige groeide. Hij is lead author van een hoofdstuk in het komende rapport van het IPCC, het Fourth Assessment Report, dat in 2007 moet uitkomen, en spant zich in om wetenschappelijke sceptici zo veel mogelijk bij de IPCC-discussies te betrekken. Hij was betrokken bij het opstellen van klimaatscenario’s voor Nederland, uitgaande van de IPCC-verwachting dat in 2100 de gemiddelde temperatuur op aarde «waarschijnlijk» tussen 1,4 en 5,8 graden Celsius hoger zal zijn, terwijl de zeespiegel tussen 9 en 88 centimeter zal stijgen. En hij schreef mee aan diverse documenten die regering en Tweede Kamer moesten informeren over de stand van zaken, waaronder het rapport Klimaatverandering/Klimaatbeleid uit 2004.
Wat is nu eigenlijk – kort samengevat – de «weersverwachting» van het KNMI voor de komende honderd jaar? Welnu, die is er niet. Het klimaatwetenschappelijke onderdeel van het laatstgenoemde rapport, waarvoor Van Dorland en zijn instituut tekenden, stelt nadrukkelijk dat aan elke verwachting onzekerheidspercentages zijn verbonden: «De immense complexiteit van het klimaatsysteem maakt dat van onomstotelijke bewijsvoering geen sprake kan zijn.» Dat gezegd zijnde, stelt het rapport dat de klimaatontwikkeling in Nederland min of meer in de pas zal lopen met het wereldgemiddelde, maar wel met een aanzienlijke onzekerheidsband. Het KNMI heeft getracht die weer te geven in drie scenario’s, waarvan het tweede onder de bijnaam «mid denscenario» een eigen bestuurlijk leven is gaan leiden. Volgens het zogenaamde middenscenario zal de gemiddelde temperatuur in Nederland de komende honderd jaar met twee graden Celsius stijgen, terwijl de zomerneerslag met twee procent toeneemt en de winterneerslag met twaalf procent. De zeespiegel stijgt in dit scenario met ongeveer zestig centimeter. Daarbij is het KNMI ervan uitgegaan dat de relatie tussen temperatuur en neerslag niet zal veranderen, aangezien er te veel wetenschappelijke onzekerheden zijn om uitspraken te doen over een significante verandering in die verhouding. Een andere aanname voor het scenario is dat de atmosferische circulatie en het aantal neerslagdagen niet veranderen. Al met al is dit scenario niet meer dan een «plausibel uitgangspunt voor klimaatverandering in Nederland en omgeving».
«Zo’n trits van scenario’s is natuurlijk buitengewoon hinderlijk voor beleidsmakers, die graag eenduidige projecties en harde cijfers willen», aldus Van Dorland. «Maar zo werkt de klimaatwetenschap niet. Het is ook niet mijn taak om Den Haag over beleid te adviseren. Ik informéér de overheid. Het KNMI presenteert nooit toekomstvoorspellingen, altijd scena rio’s met daaraan verbonden waarschijnlijkheidsberekeningen waaruit we de afnemers zelf laten kiezen. Natuurlijk heeft informatie altijd een sturende werking en zelfs een psychologisch effect. Als wij de overheid drie scenario’s voorhouden: een niks-aan-de-hand-scenario, een rampscenario en een middenscenario, dan kunnen we op onze vingers natellen dat men zeer waarschijnlijk kiest voor het middenscenario. Dat maakt het scenario niet minder valide, maar we moeten oppassen dat we niet door middel van zulke scenario’s verborgen beleidssuggesties doen. Om zulke effecten zo veel mogelijk te beperken, hebben we sinds kort zelfs een medewerker voor scenario-tailoring in dienst.»

Al met al is er dus geen reden voor klimaatpaniek, te meer omdat het besef van klimaatverandering ook is doorgedrongen in ons nationale waterbeleid. Het middenscenario staat zelfs centraal in de «Nederlandse wateropgave», de nogal potsierlijke term die wordt gehanteerd in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), dat in 2003 werd overeengekomen tussen rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen. Door de daarin overeengekomen maatregelen is Nederland afdoende voorbereid op de gevolgen van klimaatverandering, meent Eilard Jacobs, ontwikkelingsmanager bij de Amsterdamse Dienst Waterleiding en Riolering en betrokken bij de ontwikkeling van Nederlandse en Europese richtlijnen voor waterbeheer in de komende eeuw.
Jacobs: «Het NBW houdt rekening met allerlei factoren zoals de verdere verstedelijking en geleidelijke bodemdaling van Nederland, maar ook de verzilting, de veranderende neerslagpatronen en een zeespiegelstijging van ongeveer zestig centimeter conform het middenscenario van het KNMI. Het doel van het akkoord is dat het waterbeheer in 2015 op orde is voor de komende honderd jaar.»
Van Dorlands oren klapperden dan ook toen hij op 16 februari naar de Nova-uitzending over de inwerkingtreding van «Kyoto» keek: voor de camera voorspelde VU-geoloog Kroon zonder enige gêne dat Nederland binnen dertig jaar onder water zal staan. Naar Amerikaans voorbeeld wordt ook in Nederland om wille van het effect kennelijk geen middel meer geschuwd. In het februarinummer van het tijdschrift Natuurwetenschap & Techniek werd hij zelf verkeerd geciteerd door een journalist die de halve wereld was afgereisd om materiaal te verzamelen voor een verhaal waarin hij zijn opwarmingsscepsis botvierde. De suggestie werd gewekt dat Van Dorland twijfelde aan het peer review-systeem van het IPCC, dat moet garanderen dat onderzoeksresultaten van de ene wetenschapper steevast worden gecontroleerd door een andere, geheel van hem onafhankelijke wetenschapper. Van Dorland had echter alleen gezegd dat hij daaraan zou twijfelen in het geval dat een bepaalde prominente wetenschapper uit IPCC-kring een bedrieger zou blijken te zijn.
Net als in de internationale klimatologische arena lopen ook in Nederland eigenlijk drie klimaatdiscussies door elkaar. In de eerste plaats is er de discussie over de vraag of de aarde opwarmt. Eigenlijk is dat een achterhoede gevecht van een paar sceptici, want het antwoord is onomstotelijk: ja. Uiteraard is ook hier sprake van een aanzienlijke onzekerheidsband, maar de beschikbare meetgegevens van de afgelopen 125 jaar laten geen andere conclusie toe: de aarde wordt langzaam warmer. De tweede discussie gaat over de vraag of de mens schuldig is aan de opwarming van de afgelopen vijftig jaar, en zo ja in welke mate. In tegenstelling tot alle berichten over een «wetenschappelijke consensus» over de verantwoordelijkheid van de mens met zijn uitstoot van broeikasgassen is deze discussie nog helemaal open. Hooguit kan er, met het IPCC-rapport van 2001, worden geconstateerd dat de uitstoot van broeikasgassen «waarschijnlijk» debet is aan het grootste deel van die opwarming.
Van Dorland: «Het is jammer dat er tegenwoordig meer subsidie naar onderzoek van het klimaatbeleid gaat dan naar het eigenlijke klimaatonderzoek. Er zijn nog steeds grote onzekerheden in de klimaatdiscussie die om onderzoek vragen. Het staat wel vast dat broeikasgassen als CO2, methaan en lachgas een opwarmend effect hebben, maar er zou meer onderzoek moeten worden gedaan naar het effect van aërosolen (niet-gasvormige deeltjes in de atmosfeer) op de temperatuur. Een andere onzekere factor is de temperatuurrespons van CO2-concentraties in de atmosfeer, dat wil zeggen het precieze effect van CO2-concentraties op de temperatuur. Daarbij gaat het vooral om de rol die temperatuurafhankelijke processen in de atmosfeer, zoals bewolking, in het grote geheel spelen. Om het tekort aan gegevens op die twee gebieden aan te vullen zou jarenlang onderzoek vereist zijn.»

De derde discussie gaat over de vraag of het onlangs in werking getreden klimaatverdrag van Kyoto het beste antwoord is op global warming. Hier keert het wetenschappelijk onderzoek zich in zekere zin tegen de (politieke) opstellers van het verdrag. Het verdrag lijkt weliswaar gebaseerd te zijn op de klimaatverwachtingen van het IPCC, maar volgens de gegevens van datzelfde IPCC zal de volledige uitvoering van het zogenaamde Kyoto-protocol de opwarming van de aarde slechts met zes jaar vertragen. Zelfs als de mens alle uitstoot van broeikasgassen onmiddellijk zou stoppen, zou het effect pas over eeuwen voelbaar worden. Al met al is Kyoto, in de woorden van Van Dorland, een «druppel op een gloeiende plaat».
Bovendien dreigt het verdrag een interne Europese aangelegenheid te worden nu de Russen, in navolging van de Amerikanen en Chinezen, weigeren het te ratificeren. Nederland haalt zijn Kyoto-doelstelling niet door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, maar door emissierechten in het buitenland te kopen. Een kosten-batenanalyse van «Kyoto» is hier nooit opgemaakt, maar het verdrag heeft Nederland nu al een miljard euro gekost. De laatste internationale cost-benefit-modellen wijzen uit dat integrale uitvoering de wereld per jaar tussen 150 en 350 miljard dollar zou kosten. Kunnen we dat geld niet beter besteden aan adaptatie (dat wil zeggen maatregelen die de gevolgen van klimaatverandering inperken) dan aan mitigatie (het inperken van de veronderstelde menselijke oorzaken van globale opwarming)?
De eerste die deze vraag op welsprekende manier stelde was de Deense statisticus Bjørn Lomborg, die in 2001 het boek The Skeptical Environmentalist: Measuring the Real State of the World publiceerde. Hij werd door milieubewegingen en collega-wetenschappers in de hele wereld met modder bekogeld en beschuldigd van bedrog. Afgelopen maand werd hij door het Deense ministerie voor Wetenschap, Technologie en Innovatie officieel vrijgesproken van alle beschuldigingen, terwijl de aanklacht van de Deense Commissie voor Wetenschappelijk Bedrog, die jarenlang als een molensteen om zijn nek hing, werd afgewezen als «ongedocumenteerd en volledig gespeend van argumentatie».
Misschien is nu dan eindelijk het moment gekomen om zijn vraag serieus te nemen.

_______________________

Kilimanjaro
Afrika’s hoogste berg leent zich kennelijk voor ondergangsfantasieën. Dat was al zo in 1938, toen de depressieve Ernest Hemingway er op safari ging en The Snows of Kilimanjaro schreef. De novelle opent met een onheilspellende vlucht gieren op de flank van de berg. Vervolgens snijdt Hemingway’s alter ego, de schrijver Harry, zich tijdens het fotograferen van plaatselijk wild aan een doorn en ontwikkelt een fatale gangreen. Het reddende vliegtuig blijft uit en de schrijver sterft, te midden van koortsachtige overpeinzingen over zijn mislukte leven, met uitzicht op de besneeuwde hellingen.
Afgelopen maand was de «glanzende berg» in het nieuws dankzij de Londense foto tentoonstelling over klimaatverandering NorthSouthEastWest, georganiseerd door het koepelorgaan van de Britse Kyoto-lobby, de Climate Group. De expositie toonde werk van tien fotografen van bureau Magnum. In begeleidende tekstjes werd de noodklok geluid over de opwarming van de aarde. Een gelijknamig boekje werd aangeboden aan de 34 ministers die in Londen bijeenkwamen voor de G8-top over energie en milieu.
Amerikaanse en Europese kranten (waaronder Trouw en de Volkskrant) drukten Alex Majoli’s onheilspellende luchtfoto van de smeltende ijskap van de Kilimanjaro af. Uit paleoklimatologisch onderzoek blijkt dat de 5895 meter hoge berg op de grens van Tanzania en Kenia, ooit bedekt door eeuwige sneeuw, ontegenzeggelijk zijn witte hoed verliest. Maar datzelfde onderzoek wijst uit dat de regio in de afgelopen elfduizend jaar flinke klimaatschommelingen heeft doorgemaakt waaraan de mens niet schuldig was. Is hij dat nu opeens wel omdat hij, zoals de tentoonstellers menen, met zijn broeikasgasemissies de aarde opwarmt?
Om te beginnen berust het grote gletsjer-smelten dat door veel milieuorganisaties wordt bejammerd niet op serieus onderzoek. Volgens een overzichtsartikel uit 2002 in het tijdschrift Progress in Physical Geography blijkt uit meetgegevens van 246 gletsjers in de hele wereld dat de Alpen-gletsjers slinken, de Kaukasus-gletsjers gelijk blijven en de Scandinavische gletsjers groeien. De terugtrekking van het ijs op de Kilimanjaro wordt in elk geval niet veroorzaakt door hogere temperaturen, meent professor Georg Kaser, gletsjer-specialist aan de Universiteit van Innsbruck, die verschillende expedities naar de berg leidde. Kaser: «De hoofdoorzaak is een periode van droge lucht, dat wil zeggen van aanhoudende lage luchtvochtigheid, waardoor het gletsjerijs niet wordt aangevuld. Die droogte dateert al van de jaren 1880, toen de eerste metingen op de berg werden verricht. We doen nu onderzoek naar alle mogelijke processen die daarvoor verantwoordelijk kunnen zijn, waaronder verandering van het omringende landschap.»
Als de mens al (mede)verantwoordelijk is voor het verdwijnen van het Kilimanjaro-ijs, dan is het niet de westerse consument met zijn broeikasgassencultuur, want die bestond in 1880 nog niet. Het is de plaatselijke koffieboer die in weerwil van alle internationale programma’s tegen ontbossing de bijl aan de wortel van zijn eigen bestaan blijft zetten. De meeste Kilimanjaro-onderzoekers wijzen namelijk de ontbossing in de omgeving van de berg als waarschijnlijke oorzaak aan.
Volgens schattingen hakt Tanzania per jaar 200.000 hectare oerwoud (een half procent van het landelijk areaal) weg zonder het te vervangen. Correspondente Betsy Mason concludeerde in 2002 in een overzichtsartikel in Nature: «Daardoor blijft de voorheen met vocht beladen bergwind droog. Nu het niet langer met vers water wordt gevoed, verdampt het ijs in de krachtige equatoriale zonneschijn.» In Tanzania is alle grond gemeenschapsbezit, dus het woud is van niemand. De naakte Kilimanjaro als keerzijde van het koffiesocialisme.
Met een plaagstoot naar de milieubeweging zou je kunnen zeggen dat niet het broeikaseffect maar de ontbossingshypothese momenteel de «consensus» onder wetenschappers vertegenwoordigt. In plaats van zijn foto van de ijskap had Majoli beter een plaat kunnen schieten waarop de plaatselijke ontbossingspraktijk tot uiting kwam. De beslissing lag echter niet bij hem. Majoli: «Ik heb mijn best gedaan zo goed mogelijk in beeld te brengen wat me werd verteld. Ik werd rondgeleid door een plaatselijke geoloog, de supervisie lag in handen van een team in Londen.» Twee opdrachtgevers die vanzelfsprekend niet geïnteresseerd waren in de vraag of de plaatselijke bevolking wellicht zijn eigen ijskap opeet.
«Eigenlijk moet je die foto misleidend noemen, al is hij waarschijnlijk met de beste bedoeling genomen», zegt KNMI-medewerker Lisette Klok, die een modelstudie deed naar de terugtrekking van de kleinere gletsjers op de flanken van de berg. «Uit een vergelijking van neerslagverandering, bewolking, temperatuurverandering en diverse andere variabelen bleek dat de oorzaak vooral lag bij een grote afname van de neerslag waardoor de gletsjers als het ware niet meer aangroeien.» Volgens Kaser hebben foto’s zoals die van Majoli enkel betekenis indien ze professioneel geïnterpreteerd worden. Kaser: «Er zijn al veel te veel zelfbenoemde gletsjer-experts in de wereld.»
AART BROUWER