Reportage: De zangkorenrage

Nederland zingt

Zit men niet in een matrozenkoor, dan zit men wel in de opera. Groene-redacteuren trokken het land in en werden door geluidsgolven overspoeld, van Jordaan-krakers tot aria’s uit La Traviata.

«O, Sabberiosia!» Een lange sliert mensen, de handen op elkaars schouders, komt uit café Cabaret Batenburg in Amsterdam en danst over het Max Euweplein. Barman Fredje voorop, met de microfoon in de hand, zingt de lucht uit zijn longen. Drie Jordanese dames volgen, toiletjuffrouw Trees tussen hen in, een flinke lel wodka in haar wijnglas. Haar felrode lippen vormen een «o» rond de microfoon. Meer barklanten komen naar buiten, onder wie Henk en Mario, de producenten van de muzikale komedie Sabberiosia. Henk en Mario brengen samen met Fredje en Trees wekelijks het Nederlandse lied ten gehore.

Het is niet druk in het café van Ans en Peter Batenburg, maar de sfeer is goed. Volk van buiten, maar ook de rasechte Amsterdammer is op de cabaretshow afgekomen. Het is een voorstelling vol levensliederen, spontaan gezongen door het personeel omdat de echte artiesten zogenaamd niet zijn komen opdagen. Eigenaar Peter Batenburg, een accordeon op de schoot, begeleidt de zangers die de liedjes van Johnny Jordaan, Louis Davids en André Hazes afwisselen met een mislukte goo cheltruc en een potje bingo.

Het Jordanese damestrio dat zich voor het podium heeft genesteld, giechelt wat af achter de glaasjes witte wijn. Tante Nell (80), gewoonlijk iedere week te vinden op het Rembrandtplein, wilde vanavond eens iets anders proberen. Ze had geen idee wat er in café Cabaret Batenburg zou plaatsvinden, maar zij en haar vriendinnen Coby (80) en Will (61) zijn opgetogen over zoveel vertrouwde nummers. Ze zingen uit volle borst:

In de Willemsstraat ben ik geboren

De Willemsstraat is mijn fatsoen

Als ik de jongens en meisjes zie draaien

Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat…

«Ik ben echt in die straat geboren», vertelt tante Nell. «Ik moet je wel zeggen dat ik het jammer vind dat we nu het café in moeten om dit soort liedjes te horen. Vroeger zongen we bij het orgel op straat of zetten we op zondag de 78-toeren-bakeliet op de vensterbank en draaiden we plaatjes. Maar als je nu naar een verjaarspartijtje gaat, dan zit die jeugd zich maar een beetje te vervelen. Ach weet je, hoe rijker de mensen worden, hoe minder gezellig.»

Ook al woont tante Nell tegenwoordig in Amsterdam-Noord, ze voelt zich nog steeds verbonden met de Jordaan: «Ieder jaar kom ik nog op verjaarsbezoek bij de zus van Manke Nelis. Als we er dan allemaal zijn, worden de tafels en stoelen aan de kant geschoven en draait ze al zijn plaatjes. Zij gaat dan meestal in de hoek zitten huilen en fluistert: dat is mijn Nelie.»

Ondertussen zingt Jochem Feste Roozemond, alias barman Fredje, vol overgave de ene na de andere smartlap. Energiek dartelt hij door het café, slaat een arm om de schouders van de klanten en weet ze ook nog van de nodige drankjes te voorzien. Opeens staat hij boven aan de trap, het spotlicht op zijn gezicht, en zingt het tragische lied van Malle Babbe:

Ik ken ze een voor een

De heren van fatsoen

Ik zal ze nooit vergeten

Zoals ze jou wel doen
Hoe vaak heb jij zo’n kop

Bezopen, stom en geil

Niet aan je borst gedrukt

Je lijf nat van zijn kwijl

De stem van Roozemond heeft een volume dat de oren ervan tuiten. Voorheen speelde hij een rol in een aantal succesvolle musicals van Joop van den Ende. Toch besloot hij om er een tijdje mee op te houden. Hij wilde zich bekwamen in het Amsterdamse lied: «Ik vind het belangrijk om een goede smartlap te kunnen zingen. Neem Een beetje verliefd van André Hazes, dat is echt een fantastisch nummer. Het is de blanke blues. Het is muziek met een ziel en je moet het in je binnenste voelen wil je het goed kunnen vertolken. Je kunt het niet zingen als je geen verdriet kent. Als ik wil, kan ik er wel een grap van maken. Maar als je een smartlap tot camp omtovert en er zit een echte Amsterdammer in de zaal, dan kun je een bierglas naar je hoofd krijgen.»

Willem Jan Romijn, het creatieve brein achter het cabaretgezelschap, houdt van de Nederlandse liedjes die ze elke week in café Batenburg vertolken. «Als je geen Jordanees bent, is het makkelijk om dit soort muziek als camp te beschouwen, maar ik vind het oprecht mooi. De tekst van Geef mij maar Amsterdam is echt heel goed. Maar het valt me wel op dat veel Nederlanders weinig respect hebben voor de eigen cultuur. We hebben in ons land te weinig waardering voor folklore. Iedereen kent het refrein van Geef mij maar Amsterdam, maar niemand kan de coupletten meezingen. Waar dat precies door komt, weet ik niet. Ik denk dat vanaf de jaren zestig de invloed van Amerika en Groot-Brittannië op de Nederlandse muziek heel groot is geworden.»

Waar is uw prikkel nu, o dood?

O hel, waar is uw zege?

Hoe fel de satan weerstand bood,

De vrijheid is verkregen,

Want Christus is verrezen!

De teksten in het Gezangboek van de Evangelische Broedergemeente (EBG) klinken strijdvaardiger dan de kerkzang uiteindelijk is. Onder begeleiding van een elektronisch orgel zingen de tachtig gemeenteleden in het kapelletje aan de Haagse Koningin Emmakade traditionele, veelal uit het Duits vertaalde liederen. Doordat de EBG voortkomt uit de Hernhuttersbeweging is de wekelijkse samenkomst gebonden aan strakke, eeuwenoude liturgische voorschriften; ruimte voor uitbundigheid is er niet. De liederen worden over het algemeen zittend gezongen; slechts op enkele in de liturgie voorgeschreven momenten staat de gemeente voor een of twee coupletten op.

Voor in de ruim zevenhonderd liederen tellende zangbundel staat het motto waaronder gezongen wordt: «Het gezangboek is een antwoord op de bijbel, echo en voort zetting daarvan. Uit de bijbel ziet men hoe God met mensen spreekt, uit het gezangboek hoe mensen met God spreken.»

Het overgrote deel van de gemeenteleden is van Surinaamse afkomst; aan het liedboek zijn enkele liederen in het Sranang toegevoegd. Achter in de zangbundel staan zeven verschillende litur gieën, waarvan er elke zondag een gevolgd wordt. Steeds gaat het om een beurtzang of -declamatie tussen de liturg en de gemeenteleden. Zo worden wekelijks het geloof in Jezus, de verbondenheid met elkaar en de religieuze fundamenten beleden en wordt gezamenlijk het Onze Vader gebeden.

De predikant zingt voor: «Here God, Zoon, Heiland der wereld.»

De gemeente antwoordt: «Sta ons genadig bij.»

«Here God, Heilige Geest.»

«Blijf bij ons in eeuwigheid.»

Volgt een lange declamatie van de dominee, beantwoord door het lied Loof nu de Heer al gij volken, en prijs Hem ganse aarde.

Aan het eind van de dienst leeft de gemeente op met het zingen van Welk een vriend is onze Jezus. Enkele zusters zingen een tweede stem, plotseling lijkt de kerk een volleerd gospelkoor.

Veel uitbundiger zingt men enkele straten verderop, in de Pinkstergemeente van wijlen Johan Maasbach. Zoon David heeft de fakkel overgenomen en leidt de driehonderd christenen tellende gemeente met een zelfde charisma als zijn vader vroeger. De gemeente, die samenkomt in een voormalig bioscoopgebouw, telt grote groepen Indische, Antilliaanse en blanke Nederlanders; de zangcultuur lijkt rechtstreeks ontleend aan die van de zwarte gos pel. De aanwezigen zingen onder begeleiding van een alles uit de kast trekkende, achtkoppige band (piano, drums, diverse snaar- en blaasinstrumenten). Liturgie speelt geen rol van betekenis, iedereen mag zelf weten hoe hij of zij de Heer prijst. De een staat op, een tweede klapt in de handen of steekt ze vol overgave in de lucht, hier en daar springt een gemeentelid met de handen langs het lichaam op de plaats op en neer. Dit «pinksterhoppen» wordt gedaan op teksten als «Dans in het rond en spring verheugd, want de Heer heeft grote dingen gedaan» uit de vijfhonderd liederen tellende Opwekkingsbundel.

«Iedere zondag is een feest», stelt Maasbach na het zanggedeelte tevreden vast.

«Halleluja», antwoordt de gemeente volmondig.

«Er heerst hier wel een verschríkkelijke zing-maar-mee-sfeer, vind je ook niet», roept een deftig gekapte dame met een sterk noordelijk accent naar haar buurvrouw, net op het moment dat het koor Die Maeze Sanghers zich opmaakt voor het volgende lied. In de stilte tussen de nummers vallen haar woorden nogal op. De dame wordt wat meewarig bekeken door de overige aanwezigen op het zeeliederenfestival in het Scheepvaartmuseum van Amsterdam. Praktisch iedereen lijkt op deze zondag naar de binnenplaats van het museum te zijn gekomen om zonder gêne bij elkaar in te haken en mee te deinen met bekende refreinen over de zoute zee en het wassende water.

’s Ochtends komt het in eerste instantie nog wat schuchter op gang. Zo’n vijftig toeschouwers, in leeftijd variërend van middelbaar tot hoogbejaard, zitten stijfjes op de houten banken rond een stenen podium, in afwachting van wat komen zal. Een enkeling kijkt quasi geïnteresseerd naar de in lijn opgestelde kanonnen op de binnenplaats. Gebloemde jurken en gestippelde bandplooibroeken domineren; een enkel meegenomen kleinkind onderstreept het hoge «omagehalte» in het publiek. Op de steiger achter het museum staat een groepje, uitgerust met banjo, trekharmonica, blokfluit en gitaar nog wat aarzelend te zingen voor een handjevol mensen. Hier en daar schommelt een voet of een hoofd met het ritme mee, maar daar blijft het voorlopig bij.

Dan komt men langzaam los. Als het Weespertrekvaart Mannenkoor uit Amsterdam het lied Stella Maris aanheft, wiegen de toeschouwers welgemoed mee met het treurige chanson. Bij het nummer Hé kapitein, vertolkt door De Compagnie Zangers, zingt een aanzienlijk aantal oude dames uit volle borst mee: «Hé kapitein, we nemen nog een borrel!»

Naarmate er meer bier vloeit, worden ook de koorleden luidruchtiger. De meeste zangers dragen horizontaal gestreepte shirts en alpino- of kapiteinspetten. Ook baarden lijken nog steeds een must als je mee wilt tellen in de wereld van de scheepvaart.

«Die ruige mannenwereld, daar gaat het hier om», glundert Vincent de Lange, dirigent van het Weespertrekvaart Mannenkoor. «Het maakt deel uit van onze cultuur. In Nederland zijn we niet snel trots op ons erfgoed, maar dat stoere mannengezang is iets wat aanspreekt. Het klinkt misschien ouderwets, maar er zijn nog steeds honderden mensen op zee en ook nu zingen mannen onderling graag met een gitaartje erbij op de sloep.»

«Eigenlijk is het heel simpel», vult een koorlid van het Mannenkoor aan terwijl hij een shaggie in zijn mond steekt en zijn pet recht zet, «je moet niet vragen wat er nou zo mooi of leuk is aan het zingen van zee liederen, je moet het voelen, meemaken».

Opvallend in deze wereld van stoere mannen is het optreden van de formatie Kat yn’t Seil uit Haulerwijk (Friesland), dat voor het merendeel uit vrouwen bestaat. «Zeeliederen zijn onlosmakelijk verbonden met het beeld van de ruige zeebonk, maar er zijn ook steeds meer vrouwen die dit genre beoefenen», zegt zangeres Marita Kruijswijk. «Wij kennen elkaar van het zeilen en zongen toen ook veel. Dat gespierde mannen op grote schepen alleen door te zingen het zware werk konden overleven, is een beeld dat veel mannen hier graag oproepen, maar het past niet meer bij deze tijd.»

Collega Nanne Kalma erkent: «De mannelijke romantiek vormt de belangrijkste aantrekkingskracht van de zeeliederen. Daarom is het zingen ervan ook nu nog zo populair, met name onder mannen tussen de veertig en tachtig jaar. In Friesland heeft elk dorp zijn eigen shantykoor. Die mannen gaan elke woensdagavond in een bovenzaaltje van het café oefenen om zich vervolgens beneden vol te laten lopen.»

Alcohol lijkt, net als tabak, op dit festival onlosmakelijk verbonden met het zingen van zeeliederen. Verkleedpartijen zijn eveneens erg in trek. Terwijl aan het eind van de ochtend nog wat besmuikt werd gelachen om die ene man in «Peppi en Kokki»-uitrusting, loopt de binnenplaats in de loop van de dag vol met matrozen en piraten, sommigen compleet met pruik en (nep)papagaai.

Sombere woorden van Boudewijn de Groot in Het Parool van zaterdag jongstleden. Voor de gewezen oppertroubadour, omgeschoold tot musical-ster, hoeft het tegenwoordig niet meer zo. Bij de jongste lichting Nederlandstalige muziek vindt hij maar bitter weinig van zijn gading. Af en toe wordt hij nog wel geprikkeld door een nieuwe vaderlandse hit, maar bij nadere beschouwing valt het gebodene dan toch weer tegen. «Ik ben natuurlijk ook maar een oude lul», voegt hij er verontschuldigend aan toe. Is die sombere visie gerechtvaardigd of is «koning Boudewijn», zoals zovelen van de gouden generatie van de jaren zestig, slachtoffer van het omnidestructieve «na ons de zondvloed»-syndroom?

Vastgesteld moet worden dat er anno 2000 massaal in het Nederlands wordt gezongen. Er is zelfs sprake van een ongekende piek. Sinds Doe Maar, onlangs nog met ongekend succes in reünie bijeen, heeft zich een ware revolutie voorgedaan. Je zou kunnen spreken van een nieuw seizoen van cultureel isolationisme in de lichte muziek der Lage Landen. Een Engelstalige compositie van Nederlandse bodem wordt nog maar zelden gehoord (of het moet zijn in het housecircuit, dat qua tekst meestal aan drie lettergrepen genoeg heeft). De Engelstalige nederpop, ooit een begrip over de gehele wereld, al was het maar om het aandoenlijke, surrealistisch aandoende steenkolen-Engels van groepen als de Golden Earring, de George Baker Selection en de diverse Volendamse palingpop-acts, is op sterven na dood.

Wie in Nederland tegenwoordig wil zingen, doet dat in de moerstaal, of, nog patriottischer, in het eigen dialect, zoals de Drentenaren van Skik en de limbo-rockers van Rowwen Hèze. Wordt er niet in dialect gezongen, dan in ieder geval toch zeker met een accent. In de aartsmelancholische liederen van de succesformatie Bløf klinken de Zeeuwse wortels volop door, terwijl bij het bij al even gevierde duo Acda & De Munnick de lijzige West-Friese tongval ongegeneerd van de cd galmt. Bij Marco Borsato, de onbetwiste keizer van het hedendaagse Nederlandse lied, is er zelfs sprake van een geheel nieuw soort Nederlands, waarvoor de verklaring moet worden gezocht in diens partieel Italiaanse komaf.

Andere formaties nemen hun toevlucht tot een geheel nieuwe dictie, teneinde het Nederlands geschikt te maken voor rauwe rock-’n-roll. Huub van der Lubbe, zanger en tekstdichter van De Dijk, begon ermee. Bij deze zang wordt het Nederlands ver achter in de keel gezongen, ten koste van de medeklinkers. Dit procédé wordt het verst opgerekt door Rick de Leeuw, zanger van de veteranen van de Tröckener Kecks, bij wie de grenzen der verstaanbaarheid ruimschoots worden overschreden.

De nieuwe school van de Nederlandse nederpop valt voorts op door zijn uiterst neerslachtige levensgevoel. De Nederlandse rock behoort tot een van de zwaarmoedigste scholen ter wereld. De grote hits zijn vrijwel zonder uitzondering haatverklaringen aan het leven. In de jaren zestig had Armand als Nederlandse Bob Dylan een monsterhit met het van chagrijn overlopende klassenstrijdlied Ben ik te min. Uit de vroege jaren zeventig stamt het nihilistische Ik heb geen zin om op te staan van de formatie Het. De ultieme soundtrack van het crisisgevoel van de jaren tachtig was het lied Als de bom valt van Doe Maar, dat honderden tienermeisjes uit de Randstad tot aan de rand van de galerijflat moet hebben gebracht. De jaren negentig brachten het lethargische Bloedend hart van De Dijk, met kernregels als:

Ik kan niets en ik doe niets

ik hang alleen maar rond

ik kijk wat uit de ramen

en krab wat aan mijn kont.

Vandaag de dag is het niet anders. «Ik ben mezelf niet en ook nooit geweest», zingen Acda & De Munnick in hun zwaar op Neil Youngs Harvest (inclusief het wanhopige mondharmonica-intro) leunende megahit van 1999. «Van de wereld weet ik niet/ Niets dan wat ik hoor en zie/ Niets dan wat ik lees», zingen de collega’s van Bløf in hun al even succesvolle debuutsingle Liefs uit Londen, een comateuze klaagzang over een noodlottige relatie met een stewardess. Toegegeven, er zijn artiesten die de zaken luchtiger opnemen, maar of het betreft dan de desperate opgewektheid van Freek de Jonges Leven na de dood, of het gaat om onverbeterlijke corpsballen als Guus Meeuwis, wiens Kedeng-kedeng nog diende als campagnelied van de VVD bij de laatste Kamerverkiezingen. Maar dit zijn, nogmaals, uitzonderingen. In weerwil van Boudewijn de Groots woorden in Het Parool lijkt er in ieder geval een vitale rode draad te lopen door de Nederlandse popmuziek, te weten die van de oblomoviaanse neerslachtigheid. Echter: de virtuositeit van De Groots tekstdichter Lennaert Nijgh wordt inderdaad zelden of nooit gehaald.

Chronisch blijft de moeizame verhouding van Nederlandse artiesten met hun eigen taal. Slechts zelden krijgt een Nederlands lied tekstueel gezien vleugels. Kreupelrijm, tantebetjes en loze literaire stoplappen vliegen je om de oren, zeker als er relatieleed te verwerken is. De gemiddelde tekstdichter grijpt dan onmiddellijk naar het handboek met de tenenkrommende platitudes van de Riagg-therapeut. Echt poëzie wil het maar niet worden. De beste Nederlandstalige tekstdichter aller tijden is en blijft daarom Jacques Brel, de Belg die het zijn dochters nota bene verbood thuis «Vlaams te blaffen». Een lied als Marieke («Zonder liefde warme liefde, huilt mijn hart mijn hoge hart, en schuurt het zand over het land, mijn Vlaand’ren land, mijn vlakke land») is nog steeds ongeevenaard in zijn poëtische behandeling van het Nederlands. Wie het dichtst bij Brel in de buurt komt is Ramses Shaffy in een lied als Sammy. Maar Shaffy is weer van Egyptische komaf. Gek genoeg werd het bij Brel ook gelijk minder toen hij bij het vertalen van zijn chansons in het Neder lands terzijde werd gestaan door de onlangs verscheiden Ernst van Altena. Kennelijk komt het gezongen Nederlands pas echt van de grond als het klinkt uit al lochtone kelen. In dat geval staat het Nederlandse lied met de huidige opkomst van de Suri naamse rappers en de Marokkaanse neder-rai nog een mooie toekomst te wachten.

«Kom je naar voren, ouwe zakkenroller?» Op een barkruk gezeten en onderwijl de knoppen van het karaoke-apparaat bedienend brult Ronald door de microfoon. Achter in het etablissement staat Gekke Henkie op, gehuld in sjofel colbert. In zichtbaar benevelde toestand en door luid gejoel begeleid waggelt hij de toog langs, op weg naar het dansvloertje. «Deze man kan niet lezen of schrijven», gaat Ronald voort, «maar hij heb de allermooiste stem van Amsterdam.» Op een scherm achter de dansvloer gaat de clip bij Geef mij maar Amsterdam van start. Inderdaad heeft Henkie een stem als een nachtegaal. In café De Nieuwe Vaart verstommen de gesprekken, de platinablonde barjuf in laag uitgesneden catsuit staakt het tappen, in de asbakken smeulen onaangeroerde Marlboro’s. «Geef mij maar Amsterdam, da’s mooier dan Parijs.» Ria, enigszins op leeftijd, die vanavond haar ondergebit thuis heeft gelaten maar wel een doorschijnende blouse draagt waaronder haar vet wellustig schudt, is van haar kruk gegleden. Ze grijpt haar met allerlei karaats goud behangen Harry en heupwiegend schuifelen zij op de ode aan de hoofdstad, zo fenomenaal door Henkie ten gehore gebracht. «Het is jammer dat hij de tekst niet kan lezen, anders had ik hem op veel meer nummers ingezet», zegt Ronald na afloop.

In 1993 had Ronald Engel een hit met het nummer Transseksueel («hij is een transseksueel, hij werkt in het bordeel, van ’s morgens negen tot vijf, is hij een omgebouwd wijf»). In een mum van tijd wist de kraker de eerste plaats in de vaderlandse topveertig te bereiken. «Tot op heden wordt mijn hit op de Ajax-tribunes gescandeerd», zegt Ronald trots. Vlak daarop wist Ronald met Gooi je schoonmoeder uit het raam («en de ijskast er achteraan») opnieuw een weergaloos succes te boeken. Al het eigen geld dat hij in het persen van zijn plaatjes had gestoken, werd met dikke winst erbovenop terugverdiend. Met een deel van die winst kocht hij het Amsterdamse karaokecafé De Nieuwe Vaart. «Ik was met karaoke een van de eersten in Amsterdam.»

De karaoke is in Japan ontstaan. Zo’n twintig jaar geleden doken daar de eerste karaokemachine’s op, waarbij beeld, muziek en geluid synchroon liepen en de anonieme kantoorklerk zich even een megaster wanen kon. Na een intensieve werkdag begonnen Japanners in de avonduren steeds massaler hun minuscule woningen te ontvluchten om in een karaokebar tijdelijk in andermans roem te kunnen zwelgen. Het fenomeen raakte dermate in zwang dat in het voorjaar draagbare karaokesets werden meegetroond naar de stadparken om het hoogsteigen stemgeluid tussen de kersenbloesem te kunnen laten klinken.

Het was de zangeres Sjoukje Smit, ooit vermaard als Maggie MacNeal, die de karaoke in Nederland introduceerde. Via een Tros-programma waarin zij figureerde, raakte het fenomeen ingeburgerd bij de grote massa. De eerste karaokebars openden hun deuren.

Aan de eikenhouten tafeltjes vullen bezoekers koortsachtig formuliertjes in met het nummer dat zij gaarne ten gehore willen brengen. Dirk, die zich voorstelt als «de tweede geluidsman» haalt de briefjes op die hij Ronald in de handen drukt. Deze trekt een glimmende schijf te voorschijn en doet hem in de sleuf verdwijnen. Richard wordt naar voren geroepen. Hij zal het nummer Papa van Stef Bos ten gehore brengen. Bij de openingsklanken begint een glitterbol te draaien, afspiegelingen van veelkleurige spots vonken het café door. Gelijktijdig met het geluid uit de talloze speakers start de clip, die zich afspeelt in een grijze buitenwijk, met tekst op het scherm. «Maar papa, ik lijk steeds meer op jou», zingt Richard met een melancholische huivering. Een blacklight legt een paarse gloed op Richards kortgeknipte stekelhaar. Aan het tafeltje kijkt zijn vriendin met een brok in haar keel toe.

Volgens Ronald is het mooie aan karaoke dat je heel even in het vel kunt kruipen van die felbegeerde artiest die je altijd al had willen zijn. «De droom komt uit voor die mensen», zegt hij. Ondanks dat het in De Nieuwe Vaart deze zaterdagavond afgeladen vol is, meent Ronald dat karaoke over het hoogtepunt heen is. «Afgezien van deze trouwe vaste gasten hier zijn het tegenwoordig toch vooral groepen waarvan ik het hebben moet. De PTT met kerst, studentenvereniging in het najaar.» De teloorgang van het fenomeen is zonde, meent Ronald. «Karaoke heeft prachtige variétézangers opgeleverd die momenteel flink aan de weg timmeren in de business. Bovendien verbroedert karaoke, hier is nooit een matpartij geweest.»

Het is allemaal te wijten aan fabrikant Pioneer, die het alleenrecht heeft op de grote karaokeschijven waar tekst, beeld en geluid opgebrand staan. «Ze hadden meteen vanaf het begin meer liedjes en vooral van die lekkere Hollandse meezingers uit moeten brengen. Je hebt nu een heel beperkt aanbod. Nederlands-meezingen, daar heb je er maar een stuk of dertig van.» Als bewijs pakt hij de van drank plakkende kaart erbij waar de mensen in zijn café een hit uitkiezen. «Omdat het aanbod niet met de vraag is meegegroeid, hebben veel oorspronkelijke en getalenteerde bezoekers van de karaokebar het wel gehad.» De echte liefhebbers komen al lang niet meer zingen in de bars, afgeschrikt als ze worden door straalbezopen malloten die ondanks de tekstbegeleiding en allerlei stemcorrigerende snufjes buiten maats een lied weten te verkrachten.

Eindelijk dan wordt Henks naam omgeroepen. Hij heeft stevig ingenomen om op dit moment zijn zenuwen de baas te blijven. Als hij van zijn kruk glijdt zakt hij door zijn knie en. Twee potige vrienden zijn nodig om hem overeind te helpen. «Krijg toch allemaal de kolere», lalt Henk met Danny de Munk mee. Zijn pijp klettert op de grond. «Val voor mijn part allemaal dood.» Wanneer Henk een couplet achterligt, is grote hilariteit ontstaan in de kroeg. Maar halverwege reeds draait een getergde Ronald voorzichtig het geluid weg.

Als de cabaretvoorstelling in café Batenburg is afgelopen, speelt Peter Batenburg nog een tijdje door. Zichzelf begeleidend op de accordeon zingt hij:

Amsterdam huilt

Waar het eens heeft gelachen

Amsterdam huilt

Nog voelt het de pijn

Amsterdam huilt

Waar het eens heeft gelachen

Amsterdam huilt

Want weg is de gein

«Dat nummer werd volgens mij door Kees Manders geschreven. Zwarte Riek, zijn vrouw, heeft het gezongen», vertelt tante Nell. «Dat was in de tijd na de oorlog dat de jodenbuurt werd afgebroken. Ik had vroeger veel joodse vrienden. Wij gingen vaak bij Max Tailleur op bezoek. Sommige van de mensen die daar kwamen, heb ik na de oorlog niet meer teruggezien. Ze waren vertrokken of op transport gezet.»

Peter Batenburg heeft er intussen genoeg van. Hij zet zijn instrument op het podium en tapt een biertje voor zichzelf. Eenmaal aan de bar gezeten vertelt hij over zijn familie uit de Bloemstraat. «Bij mijn grootmoeder werd het levenslied al gespeeld. Vanaf dat ik heel klein was, liep ik de echte straatmuzikanten achterna. Toen ik een jaar of vijftien was, ben ik zelf met mijn accordeon op de Zeedijk gaan spelen. We verdienden in die tijd - het waren de jaren zestig - zo’n vijfhonderd gulden in de week. Dat geld kreeg mijn grootmoeder, dat was voor het huishouden. Soms kwam André Hazes met ons meezingen, dat was nog in de periode voordat hij bekend werd.»

Nu de smartlap niet meer op straat wordt gezongen, laat Peter Batenburg het levenslied in eigen café schallen. Dat het in de vorm van een cabaretshow wordt gebracht, vindt hij niet erg: «Deze muziek gaat nooit weg», zegt hij stellig. «Ook jonge mensen komen naar dit café. Dit soort muziek is helemaal niet oubollig. Neem een band als De Kast, die gebruiken nog steeds de accordeon. Het was misschien even trendy om gitaar te spelen, maar die accordeon, die blijft. En iedereen die hier komt wil uiteindelijk meezingen. Alleen, het duurt soms even. Een Nederlander gaat pas los als de rest ook los gaat.»

Vertier voorop, dat lijkt de boodschap van het jaarlijkse zeeliederenfestival in het Amsterdamse Scheepvaartmuseum. Niet iedereen is het daarmee eens. Arend Jansen is voorzitter van de Compagnie Zangers uit Medemblik. Hij ziet het carnavaleske gebeuren met lede ogen aan. «Voor mij is het zingen van de shanty’s, de ‹werkliederen› van de zee, een heel serieuze zaak. Ik heb een bibliotheek van bijna twee meter over dit onderwerp en ik verzamel allerlei geluidsbanden. De ontstaansgeschiedenis van de zeeliederen is een complex geheel vol Ierse, Engelse en negroïde invloeden en biedt een schat aan historische informatie. Het is een verhaal dat veel meer inhoudt dan alleen maar liedjes. En het moet wel allemaal nautisch kloppen. Als oud bootsman van het schip De Eendracht voel ik me bovendien persoonlijk nauw verbonden met die liederen omdat wij ze zelf ook zongen, bijvoorbeeld bij het hijsen van de zeilen. Toen ik in 1980 stopte met varen, miste ik het varen niet maar de liedjes wel. Om die reden heb ik toen een koor opgericht; een van de eerste in Nederland op het gebied van zeeliederen.» Jansen blikt vanuit de kantine van het museum naar de koren op de binnenplaats. «Tja, en nu is er een hausse van koren die zeeliederen ten gehore brengen», vervolgt hij bijna weemoedig. «Hier op dit festival zit in ieder geval nog luisterend publiek. Straks met Sail 2000 gaan de meeste van die koren weer langs de kant lopen brullen - dan ben je niets meer dan behangselpapier. Dan is het enkel nog entertainment en is er geen aandacht meer voor de serieuze kant van het verhaal. Wij vinden dat een belediging van het zeelied. Als je eerbied hebt voor datgene wat die zee lui in de vorige eeuw gedaan hebben, voor de manier waarop zij moesten rondkomen, hoe ze moesten scharrelen van haventje naar haventje en hoe ze zich enkel psychologisch op de been konden houden door het zingen van de shanty’s, dan ga je die liederen niet louter en alleen voor de lol zingen. Wij proberen zo serieus mogelijk met de materie om te gaan.»

Ondertussen heeft op de binnenplaats een Amerikaanse familie de piraat met neppapagaai in de houdgreep genomen en vraagt om een foto voor thuis. «Real Dutch history, right? Nice!»