Hoofdcommentaar: Europa

Nederland zwabbert in Europa

Wat wil Nederland met Europa? Als een van de oprichters van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zou Den Haag diepgewortelde gedachten moeten hebben over de toekomst van de Europese Unie (EU). De afgelopen anderhalf jaar, toen in de Europese Conventie over die toekomst uitvoerig werd gesproken, was daar weinig van te merken. Regering en parlement hadden de blik hoogst zelden op Brussel gericht. En als ze dat wel hadden, liep dit menigmaal verkeerd af.

Dat begon al onder het tweede kabinet-Kok, toen de Conventie in het leven werd geroepen. De toenmalige Nederlandse verte genwoordiger bij de EU Bernard Bot beval Wim Kok aan als voorzitter van de Conventie. Bot on derkende het belang van de Conventie en schatte de kansen voor de Nederlandse premier hoog in. Kok lag goed bij de regerings leiders van de grote landen maar zou als ingezetene van een van de kleinere lidstaten, ondanks zijn beoogde voorzittersrol, het belang van die kleine landen niet uit het oog verliezen. Kok aarzelde te lang. Terwijl hij nog advies aan het inwinnen was bij vertrouwelingen ging de Franse oud-president Giscard d’Estaing er met de baan vandoor. België wist ondertussen het eveneens belangrijke vice-voorzitterschap in de wacht te slepen.

Ongetwijfeld zal Kok over een eventuele overstap naar Europa zijn minister van Buitenlandse Zaken hebben geraadpleegd. Maar van Jozias van Aartsen, thans fractieleider van de VVD, was bekend dat hij niets zag in de Conventie. Het zou niet meer dan «een vrijblijvende praatclub» worden, schamperde hij vorig jaar nog. Naar de letter is dit waar: er is enorm veel gesproken in de Conventie en de uitkomst van die gesprekken moet nog uitonderhandeld worden in de Intergouvernementele Conferentie van regeringsleiders die in oktober begint. Maar het resultaat dat afgelopen weekend aan de regeringsleiders werd aangeboden, was mede door de personele samenstelling van de Conventie lang niet zo vrijblijvend als Van Aartsen vooraf had verwacht.

Het tweede paarse kabinet vaardigde uiteindelijk Hans van Mierlo af. Een duidelijke opdracht van de regering heeft de D66-mastodont nooit meegekregen. Zijn federalistische opstelling werd bekend verondersteld. Enkele andere kleine landen, zoals België en Griekenland, vaardigden direct hun minister van Buitenlandse Zaken af. Dick Benschop, staatssecretaris voor Europese Zaken, was niet beschikbaar. Hij gaf er de voorkeur aan de PvdA-campagne voor de verkiezingen van 15 mei 2002 te leiden.

Die verkiezingen brachten een politieke omwenteling. Toch sprak uit de nota Europa in de steigers, die de nieuwe staatssecretaris Nicolaï presenteerde, niet direct een rigoureus ander beleid. Nederland zou gewoon blijven strijden voor versterking van de «communautaire structuur»: een Europa waarin niet de lidstaten maar de Europese instituties de meeste macht hebben. Alleen de Europese president, de door Giscard d’Estaing gewenste vaste voorzitter van de EU, lag nog wat moeilijk. Voor regeringsvertegenwoordiger Van Mierlo, die door het paarse verkiezingsverlies zijn legitimatie sowieso zag verschrompelen, was de «terughoudendheid» van Europa in de steigers reden genoeg er eind september vorig jaar de brui aan te geven.

In oktober 2002 benoemde de Nederlandse regering voormalig VVD-staatssecretaris en Europa-kenner Gijs de Vries tot opvolger van Van Mierlo. Dat Van Aartsens praatclub steeds minder vrijblijvend werd, bleek enkele weken later. De Duitse en Franse regeringen vervingen hun vertegenwoordigers door de ministers van Buitenlandse Zaken Fischer en De Villepin: een teken dat de grote lidstaten bij het eind van de Conventie een serieus uitgewerkt voorstel aan de regeringsleiders wilden voorleggen.

Dit drong vooralsnog niet door tot het Nederlandse parlement, dat zich, vlak voor de Eurotop in Brussel, ternauwernood uitsprak voor uitbreiding van de EU. Regeringsfractie VVD stemde onder aanvoering van Gerrit Zalm met de LPF tégen de toetreding van nieuwe lidstaten in 2004 en eiste dat Nederland gebruik maakte van haar veto. Dankzij de steun van oppositiepartij PvdA leed Balken ende niet (opnieuw) Europees gezichtsverlies. Te laat realiseerde het Nederlandse parlement zich dat in Europa ingrijpende beslissingen werden genomen en werd bijkans een besluit genomen dat Nederland in Europees verband volkomen geïsoleerd zou hebben.

Een zelfde soort stemming deed zich in de laatste dagen van de Conventie voor. Terwijl de Nederlandse vertegenwoordiger in Benelux-verband een compromis in elkaar had gedraaid voor een slagvaardiger Europese Commissie zonder permanent stemrecht voor ieder land (een wens van de grote landen), stemde de Kamer om vijf voor twaalf voor een motie van de regeringspartijen VVD en CDA die juist wél weer graag alle landen in de Commissie vertegenwoordigd zag. De Vries werd zo gedwongen bij de slot bijeenkomst van de Conventie zich tegen zijn eigen voorstel uit te spreken. Een beschamende vertoning.

Een van de indieners van de gewraakte motie was Hans van Baalen. Met fractievoorzitter Van Aartsen ligt Van Baalen overhoop over de GroenLinks/pvda/d66-initiatiefwet voor een referendum over de Europese Grondwet. Van Aartsen neigt ertoe, ondanks bezwaren tegen het middel referendum, hier vóór te zijn. Van Baalen is mordicus tegen. Het zal nog enkele maanden duren voordat de initiatiefwet in de Tweede Kamer behandeld wordt. Maar nu de politiek in wat rustiger vaarwater is beland, kan het voorstel alvast aanleiding zijn voor een serieus debat over wat Nederland wil met Europa. Discussie over het achterhoedegevecht van premier Balkenende — die in de Grondwet de joods-christelijke traditie van Europa expliciet vermeld wil zien — is niet voldoende.