De angst voor een duitse politiestaat

Nederlanders en de RAF

De angst voor een Duitse politiestaat. In Nederland kon de RAF nooit op veel sympathie rekenen. Slechts een kleine kring van linkse radicalen onderhield contacten met de Duitse terroristen.

Berlijn was eind jaren zestig, begin jaren zeventig een broeinest van links radicalisme. Nadat in 1967 de student Benno Ohnesorg door een politieman was doodgeschoten en in 1968 studentenleider Rudi Dutschke drie kogels in zijn hoofd kreeg van een doorgedraaide rechts-extremist, lag in Berlijn de revolutie op straat. Het radicale leven bewoog zich tussen heftige veldslagen met de politie en nachtenlange discussies in de Wohngemeinschaft. En in de wijdvertakte linkse bohème liep de radicale journaliste Ulrike Meinhof de zenuwzieke daadmens Andreas Baader tegen het lijf.

Voor wie zich in die jaren tot de voorhoede van radicaal-links in Nederland rekende, was een bezoek aan Berlijn verplicht. Maar de verhalen waarmee de polit-toeristen terugkwamen, waren niet onverdeeld enthousiast. Ja, die Berlijners waren wel vergevorderd in de theorie, maar moesten ze dat echt al bij het ontbijt bewijzen? Al met al kostte het de links-radicale jongelui uit Nederland de nodige moeite om hun huisbakken afkeer van de Duitse megalomanie in te ruilen voor de vereiste revolutionaire solidariteit.

Toch was het gevolg van die talrijke bezoeken dat de linkse beweging in Nederland diepgaand door de Duitse toestanden werd beïnvloed. De Nederlandse studentenbeweging kopieerde het Duitse debat over de vraag of studenten de klassenstrijd nu op de uni versiteiten of in de fabrieken moesten voeren. Ook de Duitse discussie over de rol van het geweld in de buitenparlementaire oppositie werd in Nederland nog eens dunnetjes over gedaan. Een aantal jonge Nederlanders was in Berlijn terechtgekomen in kringen rond de fameuze Kommune Eins, een provo-achtige woongemeenschap, gespecialiseerd in ludieke acties die nogal eens in geweld eindigden. In en rond die Kommune werd al over de gewapende strijd gediscussieerd sinds Dutschke in 1967 het concept «stadsguerrilla» had geïntroduceerd. En het bleef niet bij discussies. Er werden ondergrondse cellen geformeerd, in de kranten verschenen stukken over de «Baader-Meinhof-Bande» en in 1970 was daar ineens de «Rote Armee Fraktion». Er zijn Nederlanders die die ontwikkeling van dichtbij hebben meegemaakt. Enkelen hebben sindsdien de RAF en verwante groepen actief ondersteund. De be kendste is Ronald Augustin, die in Berlijn sterk onder de indruk was geraakt van Andreas Baader. Augustin heeft zijn hulpvaardigheid met zeven jaar cel moeten bekopen.

Omgekeerd kwamen tal van Duitsers uit kringen van de stadsguerrilla regelmatig naar Nederland. Vaak bezochten ze ons land om er «boodschappen» te doen: wapens, explosieven, valse papieren en drugs. Daarbij knoopten ze niet alleen zakelijke maar ook vriendschappelijke betrekkingen aan. Een beeld daarvan schetst RAF-lid Peter-Jürgen Boock, die in de boeken die hij in de gevangenis schreef, verhaalt over zijn verblijf in Nederlandse steden.

Er bestonden, kortom, van meet af aan contacten tussen Nederlanders en mensen in en rond de RAF. De meeste contacten werden op persoonlijke titel onderhouden. Wanneer het over Nederlandse steun aan de RAF gaat, denkt men echter al gauw aan organisaties als de Rode Jeugd. Maar die organisaties vormden slechts het zichtbare deel van een verder nogal informeel en los netwerk van sympathisanten, vrienden en helpers van de RAF.

Het staat zo goed als vast dat Nederlanders nooit direct betrokken zijn geweest bij gewelddadige acties van de RAF (gijzelingen, bankovervallen en aanslagen op objecten en personen). Ook Augustin heeft alleen wat grafische hand- en spandiensten verricht in de periferie van de terreurorganisatie. Zelfs bij het onderbrengen van de gegijzelde werkgeversvoorzitter Schleyer in een huis in de Haagse Stevinstraat is, anders dan nogal eens wordt gesuggereerd, geen Nederlander te pas gekomen. Zeker in tijden van grote acties gingen de uitvoerende commando’s ieder contact met buitenstaanders uit de weg. Een kwestie van risicovermijding.

De steun die Nederlanders aan de RAF verleenden, lag op andere vlakken dan de directe actie. Nederlanders waren incidenteel behulpzaam bij de aanschaf van wapens en explosieven, het regelen van valse paspoorten en rijbewijzen, het verlenen van logies, het inrichten van depots voor wapens en valse papieren, het verspreiden van propaganda en het organiseren van protesten tegen de «foltering» van gevangen RAF-leden. Dat is een heel palet aan activiteiten, deels illegaal maar deels ook legaal, zoals het verspreiden van drukwerk en het beleggen van protestbijeenkomsten.

De illegale activiteiten zijn uiteraard moeilijk exact te traceren, ook dertig jaar na dato. De weinige gevallen die bekend zijn, betreffen activiteiten van mensen uit kringen van de Rode Jeugd, de Rode Hulp en het Rood Verzetsfront. Dat heeft een simpele reden: de Binnenlandse Veiligheidsdienst hield er de vinger aan de pols. In een enkel geval was de BVD zelfs de uitvoerder, zoals toen de agent die in de Rode Jeugd onder de naam «Zwart» opereerde een illegale Duitser met explosieven over de grens naar de Bondsrepubliek begeleidde. BVD’er Frits Hoekstra vertelt de geschiedenis in zijn vorig jaar verschenen boek In dienst van de BVD. Joost van Steenis, medeoprichter van de Rode Jeugd, bevestigt het verhaal desgevraagd en voegt eraan toe dat hij tot vorig jaar niet wist dat de man een BVD-agent was.

Van Steenis bevestigt ook dat hij en andere mensen in de Rode Jeugd met enige regelmaat bezoek kregen van Sigurd Debus, die in Hamburg deel uitmaakte van een ondergrondse cel en in 1975 tot twaalf jaar gevangenisstraf werd veroordeeld voor onder meer betrokkenheid bij drie heftige bankovervallen. Die contacten waren het begin van een van de opmerkelijkste geschiedenissen in het verkeer tussen Nederlanders en de RAF, een geschiedenis die nog altijd niet ten einde is.

Sigurd Debus was in Nederland nauw be vriend geraakt met Henk Wubben, een vooraanstaand lid van de Rode Jeugd. Nadat Debus in de gevangenis terecht was gekomen schreven hij en Wubben elkaar regelmatig brieven. In 1978 werden Debus en Wubben betrokken bij wat achteraf een poging lijkt van de Duitse geheime dienst om dieper in het netwerk rond de RAF door te dringen. Wubben werd benaderd door twee criminelen die beweerden door Debus in de nor tot de stadsguerrilla te zijn bekeerd. Zij kwamen met allerlei plannen om Debus uit de gevangenis te bevrijden. Een achterdochtige Wubben hield de mannen met hun doldrieste plannen op een afstand. Nadat een bevrijdingspoging door een muur van de gevangenis op te blazen was mislukt, zochten de mannen hun toevlucht bij Wubben maar die wees hun de deur. Vele jaren later, in 1986, zag Wubben op de Duitse televisie een documentaire die aannemelijk maakte dat de beide mannen pionnen wa ren van de Duitse geheime dienst.

Wubben legde toen onmiddellijk een verband met de ontploffing van zijn huis in de Amsterdamse Quellijnstraat op 16 juni 1980, een ontploffing waar hij wonder boven wonder slechts licht gewond uit te voorschijn kwam. Volgens justitie zou de knal zijn veroorzaakt door onoordeelkundige omgang met explosieven. Wubben was er echter van overtuigd dat het een aanslag op zijn leven betrof en sinds de bewuste televisie-uitzending wist hij zeker dat de daders in de hoek van de Duitse en misschien zelfs de Nederlandse geheime dienst moesten worden gezocht. Toen vorig jaar BVD’er Frits Hoekstra in zijn boek de ontploffing opnieuw ter sprake bracht, zagen Wubben en zijn advocaat Cees Korvinus daarin aanleiding om heropening van de zaak te eisen. Wubben blijft hardnekkig hopen op bewijzen dat iemand wraak heeft willen nemen voor zijn weigering aan de operatie-Debus mee te werken.

Wubben is tegenwoordig niet meer bereid vragen van de pers over zijn radicale verleden te beantwoorden. Dat geldt ook voor zijn vriendin Ciska Brakenhoff, die ten tijde van de ontploffing bij Wubben in de Quellijnstraat was. In 1976 bracht zij samen met haar toenmalige echtgenoot Adrie Eeken vijftien mensen bij elkaar om in Zuid-Jemen een guerrillatraining te volgen in een kamp van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina. Aldaar maakte de Nederlandse groep kennis met een aantal leden van de RAF dat zich op nieuwe acties aan het beraden was.

Het was voor de Nederlandse groep een ontnuchterende ontmoeting. De ervaren Duitsers, van wie enkelen ook als instructeur optraden, ergerden zich enorm aan de onkunde en onwetendheid van de Nederlandse beginnelingen en achtten hen duidelijk volkomen ongeschikt voor de gewapende strijd. Dat vonden die Nederlanders kennelijk ook van zichzelf, want afgezien van het echtpaar Eeken beëindigden alle Jemen-gangers na terugkeer in Nederland abrupt hun loopbaan in de stadsguerrilla.

De Eekens gingen onder de vlag van het Rood Verzetsfront onverdroten door met hun activiteiten ter ondersteuning van de RAF. Ze lokten een nieuwe generatie RAF-sympathisanten naar hun boerderij op het Drentse platteland. Daar werd vervolgens Ronald Augustin met open armen ontvangen toen hij in 1980 vrijkwam uit de Duitse gevangenis. Augustin onderhield nog steeds contacten met kringen rond de RAF en voerde ook nog wel eens een opdracht voor ze uit. Ook andere leden van het RVF lieten zich gewillig inschakelen, zoals Rob Kamphuis, die in mei 1980 in Parijs een boodschap moest overbrengen aan een groep van vijf vrouwelijke Duitse terroristen. Eenmaal te rug meldde hij dat tot zijn verbijstering de vrouwen op de dag van zijn aankomst waren gearresteerd. Vele jaren later werd Kamphuis ontmaskerd als de BVD-agent Cees van Lieshout.

Op welke manieren het Rood Verzetsfront de RAF zoal ondersteunde, is althans voor wat het ondergrondse deel betreft moeilijk te achterhalen. Of bijvoorbeeld de diefstal van blanco paspoorten en stempels uit het Groningse gemeentehuis op verzoek van de RAF was geschied, is niet duidelijk. De daders werden overigens al enkele uren na de overval in de kraag gevat. Bovengronds deed het RVF aan propaganda door informatiebijeenkomsten te organiseren en de Knipselkrant uit te geven, met onder meer teksten van gedetineerde RAF-le den, ronkende pamfletten die hun advocaten uit de gevangenis hadden gesmokkeld.

Redacteur Paul Moussault, die na het uiteenvallen van het RVF de Knipselkrant in zijn eentje voortzette, heeft nooit een geheim ge maakt van zijn goede connecties in RAF-kringen. Zijn activiteit was nuttig voor de Duitse terroristen, omdat de verspreiding van teksten van de RAF in de Bondsrepubliek aan banden was gelegd. Dat bleek eens te meer in 1988, toen Moussaults kompaan Hans Alderkamp, per lijnbus onderweg in Duitsland, werd gearresteerd omdat hij tientallen exemplaren van een boek met RAF-teksten in zijn koffer had. Een aantal mensen uit de omgeving van Alderkamp was er sindsdien van overtuigd dat Moussault niet alleen contacten onderhield met de RAF maar ook met de Duitse inlichtingendienst.

Het beleggen van bijeenkomsten over de RAF en het uitbrengen van RAF-teksten had toen overigens al een lange traditie in Nederland. Pionier op dat terrein was de journalist Boudewijn Chorus. In de jaren zeventig was Chorus spin in het web van activistisch Nederland. Voor het Utrechtse uitgeverijtje Spuw vertaalde hij Ontwerp van de stadsguerrilla van de RAF en Handboek voor de stadsguerrillero van de Braziliaan Carlos Marighela. Na het terroristische rampjaar 1977 publiceerde hij een apologie van de RAF onder de titel Als op ons geschoten wordt… Daarnaast ontbrak hij zelden op de talrijke discussieavonden die in Nederland over de RAF werden belegd. In woord en geschrift legde Chorus telkens weer uit waarom het in de Bondsrepubliek wel tot gewapend verzet moest komen, om er steevast aan toe te voegen dat de situatie in Nederland niet met die in Duitsland kon worden vergeleken.

Hoe het ook zij, Chorus zorgde er met zijn engagement voor de RAF voor dat er in allerlei kringen in Nederland serieus over nut en noodzaak van gewapend verzet en ondergrondse organisaties werd gedebatteerd, met name ook in de anarchistische beweging, waar hij zelf deel van uitmaakte. Sommigen besloten daadwerkelijk ondergronds te gaan, zoals een groep anarchisten in Groningen rond de latere Volkskrant-journalist Jan Keulen. Dat initiatief verzandde al snel, maar het was wel tekenend voor de hevig ongeruste stemming in sommige radicaal-linkse kringen. Men meende dat de Bondsrepubliek zich onherroepelijk in de richting van een politiestaat ontwikkelde en was bang dat Nederland in die ontwikkeling zou worden meegesleurd.

In feite werd die angst door veel Nederlanders gedeeld. Maar veruit de meesten meenden dat informatie, debat en een kritische pers betere middelen waren om de dreigende politiestaat af te wenden dan een vlucht in het ondergrondse. Zo dachten ook organisaties als de Rode Hulp en het Kadt (Komité Anti Duitse Terreur) erover. Zij informeerden over de Duitse terreurbestrijding, protesteerden tegen het gevangenisregime waaraan RAF-leden werden onderworpen en voerden actie voor de RAF-gedetineerden die tegen hun behandeling in hongerstaking waren gegaan. Augustin be hoorde tot die hongerstakers, evenals Sigurd Debus, die bij een van die stakingen overleed.

De centrale figuur van het Kadt was de zeer geëngageerde moeder van Augustin, terwijl aan de Rode Hulp de namen waren verbonden van onder anderen Augustins advocaat Pieter Herman Bakker Schut, uitgever Rob van Gennep, psychiater Sjef Teuns en de journalisten Rudie Kagie, Rudie van Meurs en Boudewijn Chorus. Die trokken zich echter prompt terug toen na een onverkwikkelijke machtsstrijd het secretariaat van de Rode Hulp in handen kwam van voormalige leden van de inmiddels uiteengevallen Rode Jeugd. De stadsguerrillero’s wilden de Rode Hulp als dekmantel gebruiken voor hun ondergrondse activiteiten, zoals het rekruteren van deelnemers aan de guerrilla opleiding in Zuid-Jemen.

De weggelopen Rode Helpers vonden al snel een nieuw onderdak: het Medisch-Juridisch Comité Politieke Gevangenen. Dat ging onverdroten voort met het aan de kaak stellen van misstanden in de gevangenissen waar RAF-leden zaten opgesloten. De lijnen naar de RAF waren kort. Bakker Schut verdedigde naast Augustin ook andere leden van de RAF en had uit dien hoofde toegang tot das info, de geheime informatie die de RAF-gevangenen onderling en met de getrouwen in de buitenwacht uitwisselden. Ook Rob van Gennep gold in RAF-kringen als iemand bij wie men gerust kon aankloppen, al zijn er geen aanwijzingen dat de linkse uitgever enig aandeel had in de illegale activiteiten van zijn bezoekers.

De discussies over de RAF en over de gewelddadige gebeurtenissen in de Bondsrepubliek werden door een omvangrijk links pu bliek met gespannen belangstelling gevolgd. Veel mensen waren daadwerkelijk ongerust over hoe de Duitse staat het terrorisme bestreed. Groot was ook de verontwaardiging over de «beroepsverboden» voor mensen bij wie de Duitse inlichtingendiensten sympathie voor de RAF vermoedden. Toen de Hannoveriaanse hoog leraar Peter Brückner werd ge schorst omdat hij het had opgenomen voor een student die zijn «klammheimliche Freude» over een van de RAF-moorden had uitgesproken (om vervolgens die moord scherp te veroordelen) was de Universiteit van Amsterdam onmiddellijk bereid een gastleerstoel voor hem in te ruimen.

Die ongerustheid en verontwaardiging werden mede gevoed door de in Nederland almaar voort smeulende angst dat onder de oppervlakte van de Bondsrepubliek nog altijd een fascistische staat school. Dat was ook de reden waarom het linkse deel van de Nederlandse natie – en dat was in de jaren zeventig het dominante deel – maar al te bereid was te geloven dat de RAF-gevangenen een onmenselijke be handeling ten deel viel en dat Meinhof, Baader, Ensslin en Raspe in de Stammheim-gevangenis doelbewust zijn «verzelfmoord».

Dat in werkelijkheid de RAF-leden in Stamm heim ongekende privileges genoten en dat hun zelfmoord een gruwelijk staaltje politieke chantage was, werd destijds door links Nederland nauwelijks waargenomen. Wie de berichtgeving over de RAF in de linkse pers van toen erop naslaat, moet vaststellen dat men eigenlijk nauwelijks belangstelling had voor wat de RAF allemaal deed. De aanslagen, de gijzelingen en de bankovervallen werden in koele bewoordingen afgehandeld. Regelmatig sijpel de zelfs begrip door voor de anti-imperialistische en antikapitalistische motieven van de terroristen. De meeste aandacht ging echter uit naar het optreden van de Duitse politie, justitie en inlichtingendiensten en naar het publieke en politieke debat dat in de Bondsrepubliek over de RAF werd gevoerd. De angst voor een Duitse Überwachungsstaat domineerde de bericht geving over de RAF in de linkse media. Dat de RAF ook gewoon een bende misdadigers was, verdween daarbij nog al eens uit het zicht.

Antoine Verbij, Tien rode jaren: Links radicalis me in Nederland 1970-1980 (Ambo)

Presentatie: 29 maart, 20 uur, De Balie, A’dam, gevolgd door een debat over de jaren zeventigwww.debalie.nl