Nederlanders kunnen niet debatteren

Voordat u zich op den pik getrapt voelt: Nederlanders zijn niet het enige volk dat niet kan debatteren. Er zijn er meer. Maar Nederlanders dus ook niet.

Vooral niet over onderwerpen waar emoties bij betrokken zijn. En dat zijn er steeds meer. Zo niet, dan bedenken we de emoties erbij. En oké, er zijn meer volkeren die juist niet kunnen debatteren wanneer het om gevoelige zaken gaat. Maar Nederlanders dus ook niet.

Dat zie we ook weer tijdens het Oekraïne-referendumdebat.

Het debat is een van de motoren van de open samenleving.

De open samenleving waarin een vreedzame strijd van ideeën de kern is van de succesformule.

Volgens het systeem wint in die vreedzame strijd van ideeën het beste idee aan invloed.

Maar dat vereist wel deelnemers aan en toehoorders van het debat die bereid zijn zich eventueel door de ander te laten overtuigen. Anders heeft debat namelijk helemaal geen zin. Dan werkt het systeem gewoon niet.

In Nederland is aan die voorwaarde niet voldaan. Voor- en tegenstanders staan nauwelijks open voor standpunten van de ander. Het lijkt slechts het doel te zijn die standpunten te ridiculiseren, criminaliseren of anderszins te neutraliseren. Alsof het een voetbalwedstrijd betreft. Morele Schwalbes waarbij je anderen een rode kaart probeert aan te smeren, nuttige overtredingen met een gestrekt been. Alles voor de winst. De tegenstander moet waar nodig het spelen onmogelijk worden gemaakt.

De tegenstander vindt iets niet echt. Nee, ze doen maar alsof en hebben snode plannen. En die plannen komen neer op in het beste geval zelfverrijking en in het slechtste geval genocide (ja echt).

Of de aanhangers van het andere standpunt zijn dom, gek naïef of getraumatiseerd. Tegenstanders die niets mankeren of te goeder trouw zijn bestaan niet.

Mensen stemmen óf om Oekraïense nazi’s in het zadel te helpen om zich op wat voor manier dan ook ten koste van ‘het volk’ door de EU te laten fêteren óf men wil Poetin helpen om met één grote clean sweep het oude sovjetrijk te herstellen. Of gewoon om fatsoenlijke mensen te plagen.

Andere redenen zijn er niet.

Nu lijkt dit grotendeels slechts een toetsenbordstrijd. Geen echte. Een strijd in kranten, op websites en op Twitter en feestboek.

Ik zie geregeld de afzenders van de polemiekpijlen samen lachend aan het bier over fraaie exemplaren van het andere (of zelfde) geslacht praten. Of over FC Twente of de acteerkwaliteiten van Aart Staartjes.

De consumenten van hun stukskes hebben hier echter helemaal geen weet van.

Die gaan op internet al dan niet anoniem vol op het orgel tegen elkaar.

Godwins en de meest kromme vergelijkingen. Uitvergrotingen van het zwakste deel van de argumentatie van de tegenpartij. Verdraaiingen van uitspraken. Rare insinuaties en tactisch bedachte associaties met in eigen kring impopulaire derden.

Het nee-kamp komt met foto’s van neonazi’s, daarmee suggererende dat de ja-burgers als diepste doel hebben om deze mannen vrij spel te geven. Of spotprenten van (of all people) Geert Wilders zoenend met Poetin. Alsof, pak ’m beet, Marianne Thieme het voornamelijk om het plezieren van deze twee heren te doen is.

Iets opsteken van het debat, een uitwisseling van argumenten of langs deze weg je analytisch kritisch vermogen scherpen lijkt geen onderdeel meer van het proces.

Vandaar dat we voorlopig ook niet zo gek veel bij zullen leren op het gebied van de debatkunst.

En voetballen kunnen we ook al niet meer zo goed.