Gaat Tom Lanoye de politiek in?

Nederlands onderbewuste

De duistere passies en vunzige verlangens die in de gereguleerde Nederlandse maatschappij onderdrukt worden, vinden hun uitweg via België. Daar zijn tegenwoordig de geëngageerde schrijvers te vinden. Tom Lanoye voorop. Gaat hij de districtraad in? Over literatuur en politiek. Over de schrijver als geweten van een natie.

‘IK HOOP EN ik vrees dat Tom Lanoye in het parlement moet komen’, zei de Belgische oppositieleider Guy Verhofstadt een paar jaar geleden in een dubbelinterview met hem en de schrijver in het Vlaamse weekblad Knack. Hij voegde er meteen aan toe: ‘De impact van de schrijver is groot en hij kan de politiek veel bijbrengen. Hij kan — nee, hij moet — zich engageren wanneer essentiële waarden of onvervreemdbare beginselen op het spel staan. Scherpte, intelligentie, confrontatie, het is zo zeldzaam in het parlement. Het zou de kwaliteit van de politiek en de democratie goed doen als je al die krokodillen — mij incluis — af en toe een spiegel voorhoudt en ons zegt waar het echt op aankomt.’ Wat kon de arme man anders zeggen na — om maar een paar zaken te noemen — de bende van Nijvel, Agusta, Dutroux en de moord op André Cools?


Inmiddels zijn de politieke kaarten herschud. Verhofstadt is nu premier. Hij leidt een paars-groene coalitie die niet alleen het imago van het land wil oppoetsen maar ook iets wil doen aan de onderliggende grieven van de bevolking. Het lakse overheidsapparaat wordt te lijf gegaan met hervormingen, zowel van de politiediensten als van justitie. De corruptie en de steekpenningen, zo wordt gezegd, behoren tot het verleden.


En wat met Lanoye? Is hij inmiddels al gaan speechen in het parlement? En had hij toen zijn krokodillenspiegel mee? Nee dus. Het is er nooit van gekomen. Wel komt hij in oktober, bij de volgende verkiezingen voor een district in Antwerpen, op als lijstduwer voor het groene Agalev. Het is niet de bedoeling dat Lanoye ook werkelijk het stadhuis zal gaan bemannen, maar hij sluit dit ook niet uit. Als het aantal voorkeurstemmen overweldigend is, zal hij toch raadslid worden. Zoals hij vorig jaar in een Humo-interview al zei: ‘Een mandaat als gemeenteraadslid is veel lichter en valt, denk ik, wél te combineren met mijn schrijffabriekje.’


Lanoye zou met zijn mandaat niet aan zijn eerste politieke daad toe zijn. Bij de vorige gemeenteraadsverkiezingen, in 1994, bracht hij immers de onafhankelijke Patsy Sörensen en de groene Mieke Vogels — van de slagzin ‘Vissen in de Schelde, Vogels in ’t stadhuis’ — samen op een lijst en maakte de vorming van een brede anti-Vlaams-Blokcoalitie na de verkiezingen daardoor een stuk makkelijker. Zelf opkomen is echter nog een ander paar mouwen. ’s Lands populairste schrijver die wekelijks in debat zou gaan met de voormannen van het Blok — ook voor Vlaanderen zou dit een nooit eerder vertoond staaltje van literair engagement zijn.


In Nederland, waar verbaal engagement stilaan ondenkbaar is geworden, laat staan dat een schrijver er de actieve politiek in zou gaan, moet dit de zoveelste aflevering van een surrealistische sitcom lijken. Na de ontsnapping van Dutroux en de politieke partij van Paul Marchal, nu Tom Lanoye als gemeenteraadslid, wat zeg ik, misschien wel als burgemeester. Engagement, dat is iets uit de jaren zeventig. Inmiddels weten we wel beter. Harry Mulisch kreeg de Cubaanse boemerang vol in zijn gezicht en daar hebben we heel wat van geleerd, dank u.


De Mexicaanse dichter-diplomaat en Nobelprijswinnaar Octavio Paz zei ooit dat de geschiedenis van de poëzie in de moderne tijd te lezen is als de geschiedenis van de relaties die de poëzie onderhoudt met de mythe van de revolutie. Ieder land heeft wel zijn geëngageerde schrijvers gehad. Nederland had zijn Multatuli, Vlaanderen zijn Boon. In Frankrijk schreef Zola de sociale misstanden de wereld uit en in Engeland kwamen Shelley en Byron op voor de politieke emancipatie. Deze laatste zelfs zo hevig dat hij naar Griekenland trok om deze bakermat van de democratie van de Ottomaanse overheersing te bevrijden en er — o ironie — aan moeraskoorts sneuvelde nog voor hij een Turk van nabij had gezien. Maar er bestaan ook minder ludieke en vooral ook veel minder geslaagde voorbeelden van politiek engagement. Wat bijvoorbeeld te denken over Brechts gebrouilleerdheid met het DDR-regime of over Sartre, de ongekroonde koning van het engagement, die in een verwoede poging zijn existentialisme aan Marx te linken zowat ieder totalitair regime aan het hart drukte. En toch zit er een grond van waarheid in de woorden van Paz, alleen mag je ze niet veralgemeniseren. Enkel in probleemgebieden, waar de politiek corrupt is en er naar een alternatief wordt gesmacht, slaat literair engagement aan en heeft het politiek gezien een rol te spelen. Vandaar dat Tom Lanoye in België zo’n succes kan hebben, terwijl Nederland zich bij al zijn politieke capriolen vertwijfeld in de haren krabt.


Een recent onderzoek peilde bij de gemiddelde Amerikaan naar het beeld dat deze van de Europese staten heeft. Zoals te verwachten bleek Frankrijk een soort Cocagne te zijn en Italië het land van de hartstochtelijke passie. Nederland kaapte echter de hoofdprijs weg: voor Bill Modaal is het de vleesgeworden utopie. En België? Dat lag nogal moeilijk. Er deden verschillende geruchten de ronde, maar een beeld hadden ze er niet van. België, zo bleek, is gewoon niets, een zwarte in plaats van een witte vlek op de kaart.


Maar elke medaille heeft natuurlijk een keerzijde: met zijn status van utopie heeft Nederland ook de minder fraaie kanten van het sprookjesachtige bestaan geërfd. Niet alleen is alles er perfect geregeld (ook de in Vlaanderen zo met preutsheid beladen seksualitiet, zoals blijkt uit de voor prostituees bedoelde afwerkzones en de bosjes die bij nieuwbouwwijken meteen worden aangeplant zodat de homoseksuele medemens niet tussen een paar kniehoge struikjes met zijn leuter moet staan zwaaien) — het is er ook een doodsaai land door geworden. Nederland loopt als een pas doorgesmeerd naaimachientje: het reutelt niet en het stamelt niet. Fundamentele discussies worden er niet meer gevoerd. De grote ideologische tegenstellingen zijn er bijgelegd in het poldermodel en als het er al eens warmpjes aan toegaat in de Tweede Kamer blijkt een onverwacht overschot van elf miljard gulden het hete hangijzer te zijn.


Het midden tussen zwart en wit is inderdaad grijs, en veel engagement moet men in zo’n situatie niet meer verwachten. Er heerst een soort zelfgenoegzaamheid die, zoals Bas Heijne niet nalaat te herhalen, alleen nog een eco-engagement toelaat: voor walvissen en zeehondjes. Of zoals Tom Lanoye het zelf zei in een Humo-interview naar aanleiding van het verschijnen van zijn laatste roman: ‘De Nederlanders kunnen ons provincialisme verwijten, of ze kunnen zeggen dat de Vlaamse schrijver in een luxepositie verkeert, maar los daarvan merk ik één ding: dat ik met mijn Nederlandse vrienden steeds minder goed kan babbelen over Europa, laat staan over België en over politiek. Daardoor kan ik ook steeds minder goed over literatuur met hen praten. In hun poldermodel leven die Nederlanders onder een stolp, en daardoor blijven zij gespaard van de stormen die nu door Europa trekken.’ Een uitspraak die, met de nieuwe Oostenrijkse regering in het achterhoofd, er alleen maar relevanter op is geworden.



MAAR NEEM NU België, met zijn donkere mijngangen en zijn witte marsen. Dit is een land van extremen. Geef je een Belg een regel of een wet, dan begint hij onmiddellijk naar het achterpoortje te zoeken, want regels zijn er om ontweken te worden. Rijd je met de trein van Roosendaal naar Antwerpen, dan merk je meteen waar Nederland ophoudt en België begint: daar waar de huizen er opeens een stuk smeriger uitzien, waar er geen einde aan de bewoning lijkt te komen en alle bossen verkaveld schijnen te zijn. Het mocht misschien niet, maar we deden het toch. Beweren dat in Nederland alles eerlijk en volgens de regels verloopt en in België niets, zou natuurlijk onzin zijn. ‘Ook bij ons’, zo vertelde een Nederlandse ondernemer me ooit bij een glas, ‘moet je weten wie je iets toestopt als je een belangrijke overheidsopdracht wil binnenrijven. Alleen hangen wij dat niet aan de grote klok.’


Ook in België spelen ideologieën allang geen rol meer. Ze zijn er echter niet vervangen door een strikte regelgeving, maar wel door cliëntelisme en vriendjespolitiek. En waar regelgeving een aura van rechtvaardigheid uitstraalt, slaat van de Belgische aanpak niet meer dan een kwalijke stank af. Hoeft het dan te verbazen dat schrijvers als Tom Lanoye of Jeroen Olyslaegers tegen de onrechtvaardigheid opkomen en zich geëngageerd opstellen? Waarschijnlijk niet. Wanneer er een draak doorheen het land trekt, moet toch iemand de moed opbrengen om ertegen te vechten. En het is precies ook doordat er geen duidelijke ideologieën meer zijn en doordat zowel de Waalse als de Vlaamse socialisten — vanouds de huispartijen van de intellectuelen — meer maffiafiguren lijken te huisvesten dan enige andere partij, dat deze schrijvers zich opstellen als onafhankelijken, of opkomen voor een partij die bij de traditionele ideologieën past als een tang op een varken.


Dat horrorshow België, zoals Jeroen Olyslaegers zijn vaderland betitelt, zo’n aantrekkingskracht uitoefent op Nederland is vanuit deze optiek heel goed verklaarbaar. De duistere, onbewuste passies en vunzige verlangens die in de gereguleerde Nederlandse maatschappij niet welkom zijn en daardoor onderdrukt worden, vinden hun uitweg via dat lugubere landje in het zuiden. Om het met het ideeëngoed van de Sloveense filosoof Slavoj Zizek te zeggen: al die fantasieën van ongebreideld geweld die iedereen in zijn onderbewuste met zich meedraagt, kunnen zo op een onschuldige manier gebotvierd worden. België is het onderbewuste van Nederland. Met alle reusachtige complottheorieën over door toppolitici georganiseerde sadistische seksfuiven waarbij kinderen ritueel verkracht en vermoord worden, lijkt het land zichzelf zelfs te overtreffen. De waarheid lijkt nog erger dan de fantasie.



TRADITIONEEL WORDT tegen geëngageerde literatuur een aantal min of meer sluitende bezwaren ingebracht. Het zou helemaal geen literatuur zijn, maar in dure woorden verpakte goede bedoelingen. Het engagement verengt de literatuur, en het taaiste van allemaal: waarom zou een boek of een schrijver politiek gezien iets uitmaken? Literatuur kan immers niets veranderen aan de wereld. Inderdaad, er is nog nooit een revolutie uitgebroken omwille van een literair werk. Alleen in het voormalige Oostblok geloofde men dat de culturele onderbouw en de economische bovenbouw in overeenstemming moesten zijn. Een destabilisering van de onderbouw door een subversief boek dat de mythen van de bovenbouw doorprikte, zou dan de contrarevolutie kunnen veroorzaken en daar moest koste wat het kost een stokje voor gestoken worden. Vandaar dat schrijvers er als staatsgevaarlijke individuen werden gezien die als ze zich niet naar de wetten van het dialectisch marxisme wilden voegen, best een tijdje konden brommen. Bij ons in het Westen gelooft niemand meer dat een roman het volk zodanig kan opjutten dat de politiek andere wegen moet inslaan. De literatuur speelt een maatschappelijk futiele rol, vandaar dat op literair vlak alles is toegestaan.


Wanneer we het nu specifiek over het engagement van Tom Lanoye hebben, moeten we beseffen dat we hier in feite met iets heel anders te maken hebben: niet het engagement van de literatuur, maar wel het engagement van een bekende Vlaming. De man achter de boeken is in Vlaanderen veel belangrijker geworden dan die boeken zelf. Lanoye is immers niet alleen een schrijver. Hij geeft ook conférences met performance-allures en roert zijn mond over zowat alles wat er in het land misgaat. Vandaar dat zijn succes daar vanzelfsprekend is, terwijl Nederland met andere maatstaven meet en vrijwel ongevoelig blijft voor het fenomeen Lanoye. En zo bekeken kan de geëngageerde literatuur natuurlijk wél politiek iets veranderen. Naar Lanoye wordt geluisterd, ook door politici, zoals blijkt uit het interview met Guy Verhofstadt. Hij is praktisch op zijn eentje de vijfde macht geworden, zoals hij dat noemt, na de drie wettelijke machten en de journalistiek: de kunst. De enige andere schrijver die in Vlaanderen net zo’n maatschappelijke status zou kunnen verwerven is Herman Brusselmans, maar met zijn in wezen elitaire nihilisme zal hij nooit meer dan een kleine minderheid van de bevolking kunnen bekoren.


Dat engagement de literatuur verengt tot louter boodschap, andere veel gehoorde kritiek, hoeft niet altijd waar te zijn. Het werk van Osip Mandelstam, Hans Magnus Enzensberger of Pablo Neruda bewijst dit voldoende. Maar toegegeven, in veel gevallen is dit wel zo, denken we maar aan de gedichten van Brecht. De reden daarvoor is dat bevlogen personen met een boodschap er al te vlug van uitgaan dat ze die boodschap in een literair jargon moeten gieten. De politiek komt dan op de eerste plaats, de literatuur op de tweede. Wie Gorters marxistische gedichten leest, of — om een minder politiek geladen voorbeeld te geven — zijn door Spinoza geïnspireerde poëzie, merkt meteen dat dit rotzooi is in vergelijking met Mei. De reden: de literatuur wordt hier gebruikt om iets anders te bereiken, een politiek of filosofisch statement te maken. Of Lanoye dit in zijn boeken doet is nog maar de vraag. Tot op zekere hoogte misschien, maar de voortdurende vormexperimenten, het vermengen van verschillende genres als proza en poëzie, het gebruik van de soapstructuur en de constructie van iets heel nieuws vanuit de bestaande gegevens maken dat zijn werk toch uitstijgt boven het louter programmatische. Bij Lanoye is het verhaal nooit ondergeschikt aan een politieke of filosofische waarheid. Hij doet wat goede (geëngageerde) literatuur altijd moet doen: de realiteit in twijfel trekken. Hij kiest ervoor dat te doen door bijna met zijn neus op de feiten te gaan zitten.



IN DE NEDERLANDSE kritiek op Lanoyes laatste boek, Zwarte tranen, kwam één opmerking al gauw bovendrijven. De roman zou al te nauw aansluiting zoeken bij de politieke gebeurtenissen in België en daardoor zijn meerduidigheid en vooral ook zijn potentiële levensduur verkleinen. Zoals Hans Goedkoop het in de NRC schreef: ‘Want wat als het krantennieuws vervolgens oud wordt? Wat gebeurt er dan met de roman?’ Waarschijnlijk hebben we hiermee de grond van alle tegenstand tegen het werk van Tom Lanoye opgespoord: de fundamenteel andere visie die de auteur heeft op wat literatuur is. ‘Als schrijver leef ik in een tijd waarin de literatuur in hoofdzaak door intellectualisten wordt gedragen, door mensen die academistisch — niet academisch — zijn’, zei Lanoye in een interview met de krant De Morgen, begin vorig jaar. ‘In mijn ogen hebben ze een overdreven grote bewondering voor het cerebrale, en daar pas ik niet tussen.’


Hiermee nauw verbonden is de eeuwigheidswaarde die veel schrijvers en cerebraal gerichte critici voor de literatuur weggelegd zien. Het is een populaire mythe dat een goed boek een eeuwige waarheid verkondigt, alsof een schrijver een soort medium zou zijn dat in rechtstreeks contact staat met Plato’s vormenwereld. En is dit niet inhoudelijk zo, dan toch op z’n minst vormelijk. Sommige boeken zijn zo goed, zegt het merendeel van de critici, dat ze de andere boeken zullen overleven en hun auteurs zullen er, in de beste joods-christelijke traditie die wil dat er in den beginne het woord was, het eeuwige leven mee verkrijgen. Voor Tom Lanoye liggen de zaken toch anders, eigentijdser ook. Hij is geen aanbidder van het geschreven woord, maar wil het daarentegen naar beneden halen, ermee spelen en het voor een groot publiek toegankelijk maken. Hij ziet zichzelf niet zozeer als een verheven intellectueel als wel als een arbeider-schrijver wiens werk nooit voltooid zal zijn. Vandaar dat hij niet alleen romans en poëzie schrijft, maar ook toneel. Tijdens het instuderen van de theatertekst en het repeteren ervan verandert die tekst constant. Het woord wordt er gemanipuleerd en vervormd. Het komt tot leven. En zelfs tijdens de vertoningen moet een acteur kunnen improviseren en zijn tekst aanpassen. Lanoye opnieuw: ‘Een zin op papier kun je omgooien en omgooien, maar op een podium tellen andere factoren, van het publiek tot en met de verwarming, van het soort stoelen tot en met het griepje van de hoofdrolspelende diva. Sommige van onze schriftgeleerden zijn daar bang voor, omdat ze het leven zelf niet onder controle hebben.’


En ook zelf ervaart Lanoye hoe zijn teksten leven. Wanneer hij een tournee maakt langs de theaterzalen van Vlaanderen en Nederland met een van zijn one-manshows zoals Gespleten en bescheten, merkt hij dat de laatste voorstelling een stuk langer is geworden dan de eerste. Onderweg is de tekst veranderd. Het woord is geëvolueerd, om het heiligschennend darwiniaans uit te drukken.



DE LITERATUUR moet geen eeuwigheidswaarde nastreven, volgens Lanoye. Integendeel, ze moet met haar tijd meegaan, steeds actueel zijn, en in een era van grensoverschrijding en het doorbreken van vastgeroeste ideeën moet ook zij die weg volgen. Vandaar de vele cross-overs die hij maakt en vandaar het soapmotief in zowel Het goddelijke monster als Zwarte tranen. Vandaar ook de overweldigende theatraliteit van deze romans. Want het theater is actie, terwijl de roman dreigt onder te gaan in de door het medium zelf bepaalde inertie. Op een podium moet je zijn, niet denken. Het actieve haalt het er op het cerebrale. Niet toevallig heeft één van Lanoyes boeken de titel Doen!


De stap naar de politiek is dan heel klein geworden. Guy Verhofstadt in het Knack-interview: ‘Er is geen wereld waar het verschil tussen schijn en werkelijkheid groter is dan in de politiek.’ Waarop Lanoye repliceerde: ‘Nog een reden waarom politiek me zo interesseert, of liever intrigeert. Het is haast een jazz-versie van toneel, waarbij men permanent improviseert.’ Zowel de politicus als de schrijver is woordkunstenaar. Beiden gebruiken de taal om een visie op de wereld en de maatschappij naar voren te brengen en de anderen ervan te overtuigen dat zij een werkbaar alternatief voor het bestaande hebben. Alleen doet de een dit in het parlement en de ander in een boek of op het toneel.



VOOR EEN SCHRIJVER is actief engagement niet zonder gevaar, zo leren ons een aantal voorbeelden. De Peruviaan Mario Vargas Llosa stelde zich een jaar of tien geleden kandidaat om president van zijn land te worden. Zijn campagne, regelmatig gestoord door Llosa’s eigen idealisme, werd een toonbeeld van hoe het niet moet en de grote schrijver beet in het zand. Politiek heeft hij nadien geen potten meer gebroken en zijn verbazingwekkend vruchtbare prozabron lijkt sindsdien ook al opgedroogd. Meer succes had de Tsjech Vaclav Havel. Als uithangbord van de dissidente schrijvers viel het presidentschap na het verdwijnen van de Muur hem in de schoot. Tot op de dag van vandaag staat hij nog steeds — niet onverdienstelijk zelfs — aan het roer. Maar of we daar zo blij om moeten zijn, blijft de vraag. Een nieuw boek hebben we sindsdien niet meer mogen lezen. Dichter bij huis overkwam de Vlaamse toneelauteur Jan Decorte hetzelfde. Na zijn verkiezing op de Rossem-lijst viel zijn artistieke productie stil. Eens terug uit het parlement heeft hij echter de draad weer kunnen opnemen, waardoor er toch één zieltje minder verloren is gegaan.


In de praktijk blijken politiek engagement en literaire activiteiten water en vuur te zijn. Niet alleen is er het tijdgebrek, de politiek verandert een mens ook, en meestal niet ten goede. Verhofstadt: ‘Het politiek bedrijf is meedogenloos. Het verminkt de persoonlijkheid en heel vaak is een succesvol politicus een geamputeerd mens.’ Laat ons hopen dat het er in de Antwerpse gemeenteraad toch iets minder hevig aan toegaat dan in het nationale parlement, want met zijn idealistische stellingname lijkt Lanoye heel kwetsbaar te zijn in een wereld waar compromissen tot de orde van de dag behoren. Het is niet denkbeeldig dat zijn politieke tegenstanders hem graag zijn tanden zouden zien stukbijten op de ‘hete’ dossiers.


Voor veel toeschouwers van boven de Moerdijk mag het engagement van Tom Lanoye misschien een anachronisme of een gevecht tegen de bierkaai lijken, de Belgen staan daar gelukkig anders tegenover. Zij omhelzen hun populairste schrijver omdat ze uit dezelfde cultuur komen en zijn desillusie over het huidige politieke systeem snappen. Ook zij zijn opgegroeid in een provinciestadje waar er op praktisch iedere hoek een café was en waar je ’s avonds de mannen van de buurt kon treffen, achter een pint, lurkend aan hun ‘groene Michel’, de zware sigaret uit het befaamde donkergroene pakje met daarop Sint-Michiel, bezig een harde strijd te leveren tegen de duistere, duivelse draak.



 


 


— kader —


Afgelopen weekend nam Hugo Claus in een Vlaamse zondagskrant het politiek engagement van Tom Lanoye nogal scherp op de korrel. ‘Hij begaat de fout van zijn leven’, aldus de peetvader van de Vlaamse letteren. ‘Het gaat hier immers om temperament. Politiek is de leer van compromissen te sluiten, de kunst om iets te geven en iets terug te krijgen. Dat moet ook zo zijn, maar ik denk niet dat Tom voldoende leugenachtigheid of farizeïsme bezit.’


Maandag heeft Lanoye het nieuws ook vernomen.


Lanoye: ‘Claus begon het artikel met de opmerking dat we hem niet volledig au sérieux moeten nemen. Hij speelt hier de grootvader die zijn favoriete kleinzoon tijdens diens huwelijksfeest even apart neemt en zegt: “Trouwen is de grootste fout die je in je leven kunt maken. En ik kan het weten, want ik ben al vier keer getrouwd geweest.”


Na de eerste zwarte zondag stonden wij samen op het podium bij de oprichting van Charta ’91. Claus is altijd een politiek bewust auteur geweest. Maar toegegeven, tussen bewustzijn en zelf opkomen tijdens de verkiezingen ligt een hemelsbreed verschil. Gerard Mortier, inmiddels opgestapt als intendant van de Salzburger Festspiele omwille van Haider, schreef me een felicitatiebrief toen hij van mijn beslissing hoorde. Jeroen Olyslaegers vond het dan weer een stap te ver. Maar ik ben helemaal geen unicum. Paul de Wispelaere kwam al op voor Agalev, Boon voor de socialisten, Joseph Conrad stond ooit op een Labour-lijst en bij de laatste Nederlandse verkiezingen hadden ook Giphart en Deelder zich kandidaat gesteld.


Wat Claus over de literatuur suggereert, valt me tegen. Ik beschouw literatuur juist als sublieme leugenachtigheid, een compromis tussen schoonheid enerzijds en onoprechtheid en manipulatie anderzijds. Kunst als zuiverheid, wat Claus hier impliceert, doet me juist denken aan het Vlaams Blok, dat zich voordoet als een zuivere partij. Kunst kan niet zuiver zijn, en dat wil ik ook in de praktijk brengen. Vooral in Nederland bekijkt men de politiek als iets vies waar je als kunstenaar maar beter zo ver mogelijk vandaan blijft. Adriaan van Dis stelde in Zomergasten dat alle politiek gesjoemel is, wat mij betreft een uitspraak die riekt naar Vlaams-Blok-simplismen. Zo eenvoudig als Claus het stelt — politiek bestaat uit leugens, literatuur uit schoonheid — is het dus niet. Ik denk dat hij met zijn uitspraak eerder zijn eigen teleurstelling over het politieke bedrijf onder woorden heeft gebracht.’


Het lijkt er wel op. Claus vervolgt in De Zondag met: ‘Ik wens hem in ieder geval het allerbeste toe en als hij struikelt, kan hij dat in ieder geval in mijn armen doen.’ Waarop Lanoye repliceerde met: ‘Stel je voor dat ik iedere keer als er iets mis ging in de armen van een vreemde vent zou vallen!’


De negatievere kritieken die hij in Nederland krijgt brengt Lanoye in verband met een verschillende literatuuropvatting.


Lanoye: ‘Dat verandert stilaan. Over Zwarte tranen waren de critici al veel positiever dan over Het goddelijke monster en de reacties op mijn pas gestarte Ten oorlog-performance zijn unaniem lovend. Maar dat neemt niet weg dat de Nederlandse literatuur in een andere politieke, sociale en culturele biotoop leeft dan de Vlaamse. Men spreekt er over kunst alsof de waardeoordelen van vandaag een universele waarheid zouden hebben en niet het resultaat zouden zijn van specifieke socioculturele omstandigheden. Andere landen, die er toevallig niet dezelfde mening op nahouden, lijken dan al vlug achterhaald.


In Vlaanderen beseft men beter dat universele waarheden een illusie zijn. Met uitzondering van het theater groeien de kunsten in Nederland en Vlaanderen uit elkaar. Het is bijvoorbeeld niet alleen meer zo dat Vlaamse schrijvers het aartsmoeilijk hebben om in Nederland aan de bak te komen, tegenwoordig geldt ook het omgekeerde. Glastra van Loon, Thomése en Roosenboom zijn in het noorden grote successen terwijl ze in het zuiden voor geen meter lopen.’



— einde kader —