Op een of andere manier lijkt het deze keer niet op gang te komen. Natuurlijk, er zijn de overdadig oranje versierde straten, waar het NOS Journaal trouwhartig komt filmen. Er zijn de zouteloze reclames met mannen in oranje leeuwenpak of in afschuwelijk oranje trainingspak – ze lijken dit jaar nog zoutelozer dan anders. En elke avond zijn er alleen al op de publieke zenders drie voetbalprogramma’s waarin eindeloos over de wedstrijden wordt nagepraat.

Maar op een of andere manier maakt het allemaal een lusteloze indruk. Alsof de voetbalkoorts dit EK niet echt wil toeslaan. Ook niet nadat Oranje gisteren de tweede wedstrijd had gewonnen en nu al zeker is van de eerste plaats in de poule.

Zou het komen door de pandemie? We bevinden ons nu in het staartje ervan en je zou denken dat dat de perfecte omstandigheid is om euforie aan te jagen. Komt het omdat we deze keer zulke lage verwachtingen van het Nederlands elftal hebben? Door de bondscoach? Zijn met nasale stem en veel ‘uhhhs’ uitgesproken perspraatjes zijn in ieder geval telkens weer een probaat slaapmiddel. Is het het systeem? 5-3-2 in plaats van het vertrouwde 4-3-3; nooit werd voor een toernooi zo eindeloos doorgezeurd over ‘het’ systeem.

Eind jaren negentig zorgde Ruud Gullit voor een schok in Engeland toen hij op de BBC sprak van ‘sexy voetbal’. Sexy, dat hadden de Britten nooit in verband gebracht met voetbal. Gullit deed zijn uitspraak nog vóór ‘Cool Brittannia’ en nog voordat de Premier League het mekka voor voetballers werd. Voetbal in Engeland was de bal zo snel mogelijk naar voren rossen en er dan hard achteraan rennen. Voetbal was er vooral hard werken, met sexy had het niets van doen.

Dan het Nederlandse voetbal. Gullit was zelf de belichaming van sexy voetbal, met zijn sierlijke rushes langs de zijlijn, zijn loop waar een permanent huppeltje in leek te zitten, zijn wapperende haar en zijn passeerbewegingen waarin kracht en souplesse moeiteloos samengingen.

Een paar jaar na Gullits optreden bij de BBC, in 2000, publiceerde de Britse journalist David Winner het boek dat zou uitgroeien tot de klassieker over het Nederlandse voetbal: Brilliant Orange. Het gaat over het totaalvoetbal dat wij uitvonden, over Cruijff vooral, maar evenzeer schreef Winner over ons landschap, onze architectuur en schilderkunst: van Vermeer en Saenredam tot Mondriaan, van ingenieur Lely die ons land inpolderde tot de bouwmeesters van de Amsterdamse School, van het moderne ballet tot de manier waarop de grachtengordel en onze dijken en waterwerken waren aangelegd .

Zijn stelling was dat wij een neurotische relatie onderhouden tot de ruimte. We hebben er altijd te kort aan. We zijn een van de dichtst bevolkte landen ter wereld; nergens is ruimtelijke ordening zo intensief gepland als bij ons. Ruimte is hier een schaars goed en al eeuwen lang wordt er over elke vierkante meter van onze steden en onze polders nagedacht en gediscussieerd. En dan ligt meer dan vijftig procent van het Nederlandse land ook nog onder de zeespiegel. Wij moesten het land veroveren op het water; onze ruimte is door onszelf gemaakt. Zoals het cliché luidt: ‘God schiep de wereld, maar de Hollanders maakten Holland.’

De Engelsen mogen graag zeggen ‘football is coming home’, als ze ‘thuis’ spelen, zoals in dit toernooi. Maar het schoppen tegen een bal in wedstrijdverband mag dan in Engeland zijn uitgevonden; wij, dat wil zeggen Johan Cruijff, Rinus Michels, het Ajax en Oranje van de jaren zeventig, hebben het modern voetbal geconcipieerd. En dat deden ze op een manier die typisch Nederlands was: door ruimte te scheppen. Zoals wij ons land hadden ingericht, gebruikten spelers als Cruijff en Van Basten elke vierkante meter van het voetbalveld. Het totaalvoetbal was, aldus Winner, ‘gebouwd op een nieuwe theorie van flexibele ruimte’. En ja, dat kun je sexy noemen.

Op die traditie zijn we trots. Vandaar de gemeenplaats dat we liever mooi spelen dan winnen. Na het EK in 1974 en de verloren finale van West-Duitsland voelden wij ons de morele winnaar. Voetbal gaat voor ons gepaard met superioriteitsgevoelens, en daardoor ook vaak de nonchalance die daar de keerzijde van is. Vandaar, merkt Winner ook op, de Nederlandse minachting voor de penalty.

En nu, nu speelt het Nederlands elftal op z’n best ‘degelijke’ wedstrijden. We halen onze neus niet meer op voor ‘zakelijke’ overwinningen. Het werd al opgemerkt in een van de voetbalpraatprogramma’s: het zijn nu de Italianen die avontuurlijk de ruimte benutten en wij spelen het typische Italiaanse ‘catenaccio’, een woord dat ‘grendel’ betekent en staat voor een systeem waarin het er vooral om gaat de tegenstander geen kansen te gunnen. Onze beste spelers zijn verdedigers en een verdedigende middenvelder. ‘Man of the match’ is nu al twee keer een verdediger met de techniek van een houthakker en een ontembare werklust; hij is vooralsnog onze topscorer. En we werden in het zadel geholpen door een penalty die nu eens niet dramatisch werd gemist.

Zou het komen door decennia neoliberale politiek? Onze polders worden onverschillig volgeplempt met bedrijventerreinen. Ruimtelijke ordening wordt al tijden overgelaten aan projectontwikkelaars; we hebben de ruimte uit handen gegeven aan wie het meest betaalt. Onze kunsten hebben klap na klap gekregen van schraalhanzerige kabinetten die hoempapamuziek ook cultuur vinden. Nee, het zijn geen tijden om ons superieur te voelen.