Nederverbeelding

De meest trefzekere opmerking die Henry Asselin in zijn omvangrijke boek La Hollande dans le monde neerpende is dat Nederlanders uiterst ingewikkeld in elkaar steken en dat ze daardoor ‘rebelles à l'analyse’ zijn. Wat een mooie formulering van de schrijver is om zijn onvermogen te maskeren het karakter van de Lagelanders in een definitieve structuur te vangen.

Volgt een huiveringwekkende zin die niet alleen het werk van de auteur gelijk tot een prul zou moeten degraderen, maar mij in een existentiële afgrond doet tuimelen: ‘Hoe langer je in hun midden leeft, hoe minder je de Nederlanders kent.’
Voor iemand die pretendeert zich tot in de dubbele bodem van de Nederlandse ziel te hebben ingesneden om haar beter te ontleden, is er na een dergelijke bewering reden tot ongerustheid. Maar alvorens mijn operatieblok failliet te laten verklaren en de koffers te pakken, heb ik monsieur Asselin verder willen lezen. Van de auteur weet ik niet meer dan dat hij een vijftal boeken heeft geschreven, waaronder de roman Pierrot de la lune, die naar ik vermoed nooit de literaire Prix Goncourt heeft gewonnen. In november 1920 legde hij de laatste hand aan zijn La Hollande dans le monde, dat in 1931 een herdruk beleefde.
Meer dan zestig jaar later vond ik het boek op de stoffige plank van een antiquariaat. Pas deze week raapte ik voldoende energie bijeen om me door het suffe werk heen te worstelen. Hoewel Asselin, evenals later de beroemde Spaanse hertog de Baena, de nadruk legt op het paradoxale en de voor een buitenlander moeilijk te begrijpen Nederlandse eigenheid vol tegenstrijdigheden, waagde hij zich toch aan die gevaarlijke onderneming: het samenvatten van de karaktereigenschappen van de bizarre autochtonen.
Zo is de Nederlander volgens Henry Asselin bovenal 'wantrouwig en prudent’. Hij vertelt je zo min mogelijk en laat je twee keer je vraag stellen alvorens, zich hullend in een weefsel van vaagheden, toch geen antwoord te geven. En dan te bedenken dat deze Franse zeurpiet politici als Lubbers en Kok onmogelijk heeft kunnen observeren. Deze extreme voorzichtigheid heeft, dixit Asselin, spontaniteit en gulheid uit het vlakke landschap verdreven: 'De Nederlander, ruw en ijzig, verbergt zich volledig en komt terug alsof hij gaat aanvallen, de ellebogen tegen de romp geperst, een sluier voor zijn blik.’ Met zo'n bloeddorstige zombie kun je beter geen zaken doen, want voor je het je realiseert, ben je al het slachtoffer van zijn ontelbare aftreksommetjes, zegt de auteur.
Asselin, die zich als een vriend van Nederland opwerpt - en van vrienden moet je het natuurlijk hebben - gaat nog een stapje verder. Hij ziet de armzalige Nederlander als een calculerende burger met weliswaar een groot gevoel voor rechtvaardigheid en gelijkheid maar vooral 'zonder hartstocht en idealisme’, want 'de Nederlander wordt gekenmerkt door een totaal gebrek aan verbeelding’.
Op dit punt aangekomen heb ik het boek van Henry Asselin in de frituurpan gedeponeerd en rustig afgewacht totdat het uitgeknetterd was. Vanzelfsprekend sta ik open voor tal van kritische kanttekeningen van mijn voorgangers bij Nederlanders, maar het is toch geen jalousie de métier te beweren dat Asselin met zijn poging tot ontrafeling van het Nederlandse mysterie de plank finaal heeft misgeslagen. Had hij deze week weer tot leven gewekt kunnen worden, dan had hij gezien hoe hartstocht en idealisme onlosmakelijk verbonden zijn met de vaderlandse identiteit. En ik doel hier niet op de furieus geëngageerde strijd van de schrijver Koos van Zomeren, die in zijn advertentie in kranten 'iets goeds voor varkens wil doen’. Nee, ik heb het over de vurige passie die verlichte Nederlanders, zich revianen noemend, heeft doen samendrommen in een Amsterdamse kerk. Daar, een boek tegen hun hart gedrukt, vierden zij de vijftigste verjaardag van de verschijning van De avonden. Een daad van gedrevenheid werd hiermee gesteld, temeer daar het boekje zelf misschien wel tot de minst gepassioneerde werken uit de polderliteratuur behoort. Voor dit staaltje van saai en droog proza zouden die revianen best op die gedenkwaardige dag hebben willen sterven. En dit terwijl hun meester en goeroe Gerard vanuit zijn Belgische rustoord hun fanatisme beschimpte of negeerde. Hun slaafse bezetenheid, die niet voor die van Spice Girls-groupies onderdoet, bracht ze er zelfs toe een nagemaakte avondmaaltijd uit de jaren veertig, zoals in De avonden beschreven, kokhalzend gezamenlijk te verorberen. Al die oer-Hollandse kinderen op behoorlijke leeftijd gingen vervolgens de gevaarlijke stad in voor een Stille Omgang langs de plaatsen die in het boek een rol spelen, achtervolgd door een walm waarin stokvis en bessen-appelwijn bleven drijven. Hoe kon u, monsieur Asselin, ooit beweren dat Nederlanders geen verbeeldingskracht bezitten?