Nee dank je

Zoveel soorten van verdriet, en ook: zoveel soorten van troost. Er zijn mensen die meehuilen (moeders), en mensen die zeggen: kom op, het wordt wel beter (moeders). Sommige mensen troosten je op de manier waarop ze zelf willen worden getroost. Weer anderen denken dat je helemaal wegkwijnt van ellende, en troosten je zo intens dat je genoodzaakt bent te zeggen: nou, nou, het valt wel mee hoor.

Die laatste categorie mensen verdenk ik van troostverslaving. Hun troost lijkt een verregaande vorm van empathie, maar staat in werkelijkheid helemaal los van de persoon die ze troosten. Ze menen je te moeten redden en zijn bereid je daarvoor eerst eigenhandig tot slachtoffer te maken. Je ziet er niet goed uit, zeggen ze, waarop ze je te lang en te stevig vasthouden. Ze dragen te veel parfum, een hele muur van parfum, bedoeld om je overeind te houden terwijl je niet van plan was te vallen.

‘Ik heb gewoon een vrouw nodig die er voor me is en me niet in de steek laat’, zegt de ene alcoholist tegen de andere op hun vaste bankje in het park.
‘Ja, man’, antwoordt de ander.

Ik vraag me af of je de mensheid kunt opdelen in twee soorten: zij die een baby zoeken om te troosten en zij die altijd een baby blijven. De baby jengelt, de moeder geeft melk. Allebei zijn ze er op hun eigen manier op gericht om elkaar stil te krijgen, sterker nog: het stilkrijgen van de ander is hun raison d’être.

Ze menen je te moeten redden en zijn bereid je daarvoor eerst eigenhandig tot slachtoffer te maken

Mijn vriendin M heeft een huisgenoot die, iedere keer als er een wisseling van huisgenoten plaatsvindt, een machtsstrijd aangaat met de rest. Er moet dan plotseling van alles veranderen aan de keuken en de gang die ze delen. Dit wordt zo dwingend gebracht dat er jarenlang niemand tegenin ging. Totdat mijn vriendin er schoon genoeg van had, en zei: ik zie niet in waarom we de keuken opnieuw moeten veranderen. De overige huisgenoten vielen haar bij, en sindsdien maakt die ene huisgenoot iedereen het leven zuur. Ze stampt door de gang, schopt naar de kat, zegt niemand meer gedag en heeft zomaar de grote antieke keukentafel inclusief alle stoelen bij het grofvuil gezet. ’s Ochtends om half acht staat ze vissen te bakken, met de radio op het luidste volume.

Mijn vriendin weigert zich te laten intimideren. Zonder iets te zeggen draait ze de volumeknop weer omlaag, die de huisgenoot zonder iets te zeggen weer omhoog draait, waarop mijn vriendin de stekker eruit trekt en het ding meeneemt naar haar eigen woning – het is goddank haar radio.

Straks maakt ze je kat nog dood, zeg ik, maar half voor de grap.

Als het nodig is maak ik háár dood, antwoordt ze, naar waarheid.

Ik weet dat ik me door zo iemand volledig onder de voet zou laten lopen. Ik ben te slap, te bang. Te zachtaardig opgevoed; fragiel door privilege. Dat veel menselijke gedragingen er, al dan niet bewust, op zijn gericht een ander (de ander in jezelf) het zwijgen op te leggen, is een gegeven waarvan ik me maar erg langzaam gewaar ben geworden.

‘To speak of our life as we feel it is a freedom we mostly choose not to take’, schrijft Deborah Levy in The Cost of Living, het eerder dit jaar verschenen tweede deel van haar essayerende ‘levende autobiografie’. Ze herinnert zich dat ze op haar vijftiende kleding droeg om zich los te maken van haar omgeving: korte rokjes en zilveren platformlaarzen. Ze deed zich dapperder voor dan ze zich van binnen voelde, reikend naar een vorm van vrijheid die voor een jonge vrouw in de jaren zeventig niet vanzelfsprekend was. Het dreef haar moeder tot waanzin. Maar wat had ze anders kunnen doen?: ‘To become the person someone else had imagined for us is not freedom – it is to mortgage our life to someone else’s fear.’

Misschien blijf je een leven lang bezig met het afwerpen van andermans angsten. En je dapperder voordoen dan je bent. Spreken is het grootste deel van de tijd bluffen. Het is jammer dat sommige mensen meer recht menen te hebben op bluffen dan anderen, en waarheid verwarren met luid en veel spreken. Het is jammer dat je onderweg zoveel tijd kwijt bent van alles terug te geven waar je om mee te beginnen al niet om had gevraagd. Als kind leerde ik ‘nee dank je’ te zeggen als ik iets niet wilde, in plaats van alleen maar ‘nee’. Het probleem van nee dank je is dat veel mensen het verwarren met ja. Soms is duidelijk spreken een kwestie van woorden schrappen.