‘nee, geen tuinbroek!’

Er waren mannen die leerden breien, koken en opmaken, die mannencafés, mannenhuizen en mannentelefoons oprichtten en die aan mannenlijfwerk deden. Maar daar moesten deze heren niets van hebben. Toch richtten ze, in 1977, een mannenpraatgroep op. Twintig jaar na dato blikken ze terug. ‘Ik had een affaire met zijn vrouw.’
EIND JAREN zeventig togen Louk van der Post en Flip Schrameijer naar een door de mannenbeweging georganiseerd weekend. ‘Weet je nog, Flip?’ zegt Louk van der Post terwijl hij zich op de dijen slaat, ‘dat was fantastisch! Van de zestig mannen waren er zo'n veertig homoseksueel en zij probeerden een weekend lang de andere twintig te bekeren tot de herenliefde.’

Schrameijer: ‘Ik herinner me nog dat ik tegen jou zei: “Wat prettig, alleen mannen. Dus we hoeven ons nergens druk over te maken.”’
Van der Post: 'Geen seks!’
Schrameijer: 'Geen spanningen. En toen ik dat had gezegd, lispelde er zo'n man naast me: “Helemaal niks spánnends?”’
Van der Post: 'Op zondagmiddag hadden we de plenaire slotzitting en jij had Ruben bij je, die toen nog in de luiers zat.’ Hij wendt zich tot zijn gehoor en vervolgt: 'Het was prachtig weer, we zaten buiten aan een grote tafel. Ik zat aan de ene en Flip aan de andere kant. Hij had Ruben op schoot en op een gegeven moment klimt Ruben op tafel, zwaait naar mij en roept: Mama! Je had die mannen moeten zíen.’
Schrameijer: 'Dat was eens maar nooit weer.’
HOEWEL ZE met de officiële mannenbeweging niets van doen wilden hebben, besloten de twee wel een praatgroep op te richten, een mánnenpraatgroep. 'Maar’, haasten ze zich erbij te zeggen, 'eerder uit nieuwsgierigheid dan uit ideologie, want ideologie, daar hielden we niet van.’
Een paar geestverwanten waren snel gevonden, en van 1977 tot 1981 was er eens in de drie à vier weken een samenkomst. Behoudens één afvaller zit de voltallige praatgroep nu, twintig jaar na de oprichting, weer bij elkaar rond de tafel van De Groene-redactie.
Louk van der Post (1944) is inmiddels als psychiater aan de Riagg verbonden en woont samen met zijn huidige vriendin. Hetzelfde geldt voor schrijver-journalist Geert Mak (1946) en voor socioloog Flip Schrameijer (1945), die sinds kort projecten uitvoert 'tussen wetenschap en journalistiek in’. Hertrouwd is Age Bakker (1950), onderdirecteur van De Nederlandsche Bank en hoogleraar economie. Diens zwager Bert Bakker (1949) - onder meer hotelhouder, olijfolie-importeur en communicatiedeskundige - is nog steeds getrouwd met zijn toenmalige vriendin, net als Tjit Reinsma, die beter bekend is onder zijn schrijversnaam Nicolaas Matsier (1945).
Nee, hadden ze van tevoren al gewaarschuwd, ze zouden niet cynisch gaan terugkijken op een door de tijd ingegeven gril. Ze denken nog steeds met een goed gevoel terug aan hun praatgroep. Maar, zo zullen ze gedurende het gesprek steeds weer benadrukken, met de softe schuldbelijdenissen van de mannenbeweging hadden ze niets van doen. Hoewel?
Schrameijer: 'We werden wel gestimuleerd door de vrouwen om ons heen. Ze vonden dat wij ook eens met iemand anders moesten praten in plaats van almaar tegen hen aan te zeuren.’
Mak: 'Die vrouwen zaten zelf in praatgroepen en dat werkte heel goed. Het was de tijd waarin de vrouwenbeweging in volle kracht losbarstte en een heleboel mannen kregen veel over zich heen. Bij de mannen die omgingen met de vrouwen van de vrouwenbeweging heerste echt totále verwarring.’
Age Bakker: 'Ik had het gevoel dat de vrouwen enorm samenklonterden en dat er uitsluiting dreigde - terwijl ik mezelf zie als een man die erg op vrouwen is aangewezen.’
Mak: 'Maar al na korte tijd was er ook wel enige jaloezie van thuisgebleven vrouwen. Zij hoorden voortdurend golven van gelach de trap af komen, want het was ook gewoon zeer gezellig.’
Schrameijer: 'Ik herinner me dat er, als je over je vrouw vertelde, voornamelijk veel verwondering was bij de anderen. Dan was je serieus met een relatie bezig en had de rest iets van: waarom met die? Jij zat er dan bedremmeld bij: ja, dat weet ik eigenlijk ook niet…’
Van der Post: 'Er is menige scheiding tot stand gebracht! Toch zeker een stuk of drie. Zelf wilde ik eigenlijk ook weg bij mijn vrouw.’
Schrameijer: 'Jij hield de eerste paar jaar juist vol dat je de enige was die niet weg wilde, man!’
Van der Post: 'Klopt. Ik was getrouwd met een meisje dat ik al sinds de lagere school kende. Dat waren diepe banden, maar het was typisch ook een situatie waarin je de vraag kon stellen: “Maar in godsnaam, waarom dan met díe vrouw?” Dan zat ik inderdaad met mijn mond vol tanden.’
DE GROEP besprak de grote en kleine dingen des levens: werk, vriendschap, jeugdervaringen, seks, relaties. Door iemand eerst zijn verhaal te laten doen en vervolgens flink door te vragen, analyseerde men de problemen grondig.
Mak: 'Je werd vriendelijk doch streng ondervraagd.’
Reinsma: 'Af en toe stond er iemand in het zonnetje en daar werd dan hulp aan verleend.’
Van der Post: 'Het sterke was dat het groepsproces niet alleen ondersteunend, maar ook confronterend was.’
Age Bakker: 'Er werd vooral nogal wat doorgeprikt.’
Van der Post: 'Met vaagheden en flauwekul namen we geen genoegen. We moesten het naadje van de kous weten. Máár: in een steunende context.’
Reinsma: 'God weet wat we allemaal besproken hebben destijds. Dat waren zeer persoonlijke en intieme dingen: seks, erotiek, diverse jeugddingen, ontuchtkwesties…’
Mak: 'Maar ook wat we deden als we bij onze vrouwen thuis waren. Het exacte gedrag, of we dan de koekjes gingen vreten…’
Van der Post: 'Of je op de bank in slaap viel!’
Reinsma: 'Het kwam in een soort kader te staan waardoor je altijd, hoe particulier jij je zaak ook vond, dacht: hé, dit is een variant van een probleem dat hier onmiddellijk, al dan niet met een glimlach, wordt herkend. Dat is op zichzelf een heel prettige sensatie.’
Heel anders was het dan praten met de geliefde of met vrienden in de kroeg.
Age Bakker: 'Velen van ons zeiden in het begin dat ze beter met vrouwen konden praten - iets wat ik soms nog wel heb. We merkten dat bij een mannenvriendschap al snel concurrentie komt kijken, dat mannen geneigd zijn tegen elkaar op te bieden. Of dat ze gewoon niet zo goed luisteren. Hier werd wel gestructureerd geluisterd, waardoor je iets langer doorpraatte en ook helemaal de behoefte niet meer had om je groter voor te doen dan je was.’
Schrameijer: 'We hadden het over werk op een manier waarop je daar met een vrouw nooit over kunt praten. Over de strijd met andere mannen bijvoorbeeld, of over wat je eigenlijk wilde met je werk. En dat werd, hoewel het naar mijn gevoel absoluut niet therapeuterig was, wel vaak doorgetrokken naar hoe je vroeger omging met broers en zo. Vrouwen begrepen niet waar je het over had als het ging over dingen als eergevoel en concurrentie. Hier werd je onmiddellijk begrepen en dat was nieuw.’
Mak: 'We hadden het ook over het samenwerken met vrouwen, hoe erotiek aan beide kanten gebruikt wordt om een machtsstrijd uit te vechten. Je denkt: het gaat allemaal om de erotiek. Daaraan vooraf gaat de strijd om de macht. Maar nee, het is omgekeerd, erotiek dient om een machtspositie te bepalen. Dat waren echt ontdekkingen die we deden.’
Een haast ondeugend lachen stijgt op wanneer Flip Schrameijer zich een vraag herinnert die ze elkaar stelden: 'Als je met een vrouw samenwerkt, denk je dan in enig stadium van zo'n relatie ook wel eens niet aan seks?’
Van der Post: 'En wat was het antwoord, Flip?’
Schrameijer: 'Ik geloof dat een enkeling ook wel eens aan iets anders dacht.’ Als het gebulder een beetje zakt, wendt hij zich tot de gespreksleider: 'Nou, kom daar maar eens bij je partner mee aan.’
Het onderwerp 'seks’ werd het langst vooruitgeschoven. Schrameijer: 'Toen we hadden bedacht dat we het daar ook eens over moesten hebben, stelden we het een half jaar uit, totdat iemand vaststelde dat we het daar binnenkort toch maar eens over moesten hebben.’
Van der Post ramt Schrameijer krachtig op de schouder en roept: 'En jij was wel een krachtige motor daartoe!’
VIER JAAR voor ze voor het eerst samenkwamen, in de zomer van 1973, was het feminisme een andere groep grootstedelijke mannen te veel geworden. 'Verlos ons van de prestatiedrang’, schreven zij in een pamflet, 'van de onophoudelijke werkplicht, van de gevoelsarmoede, van de maagzweer en het hartinfarct, van de passiviteit van de vrouw die ons de versierdersrol oplegt, van het huwelijk als enige volwassen levensvorm want dat stempelt ons definitief tot kostwinner.’
Besloten werd tot capitulatie. Daartoe zou de man, opgejaagd door het feministisch offensief, een nieuwe realiteitsgrens moeten overschrijden: Voortaan had de man gevoel. Het onderaaide geslacht wou ook wel eens een knuffel.
En toen?
De nieuwe man trok een tuinbroek aan en sloeg als een gek aan het imiteren. Hij ging in een praatgroep, en las Mannentaal of Infoman, bladen die met onderwerpen als make-up, masturbatie, relaties, anticonceptie, onzekerheden en angsten, dromen en nachtmerries, en wel of niet klaarkomen overigens sterk doen denken aan hedendaagse meisjestijdschriften. Hij belde met de mannentelefoon, ging naar een apart mannencafé, volgde danslessen, make-up-cursussen, breilessen en kookcursussen en bezocht het wekelijkse naaikransje in het mannenhuis. De nieuwe man moest zich van een hoop ballast ('of is het bal-last’, schreef een blad olijk) ontdoen en vierde zijn bevrijding in een groots mea culpa. Het nieuwsblad van de vereniging Man Vrouw Maatschappij publiceerde gewillig hun belijdenissen en beloften van beter gedrag : 'We gaan het hebben over de man, jongens! De man, de slover, met zijn draadloze Philishave en dicteerapparaat… Wij arme stakkers, die op ons veertigste aan kanker heengaan en dan nog spelend met twee doetjes van kinderen in de tuin.’
De zes zweren zich verre te hebben gehouden van dergelijke excessen van de mannenbeweging. Dat betekende wel dat ze goed klem zaten. Zoals de zachtmannen wilden ze niet worden, maar ook niet zoals hun vaders - zelden thuis, en indien wel, dan achter krant of masker van gevoelloosheid.
WAT VOOR soort man wilden zij dan wel zijn? Er zat niets anders op dan zelf een nieuw rolmodel uit te vinden. Age Bakker: 'We wilden er sterker, weerbaarder uit komen, maar dan wel sterker op een door ons gedefiniëerde manier.’
Van der Post: 'Maar toch vooral weerbaar in de zachte hoek van het leven.’
Age Bakker: 'Het punt was dat je kwetsbaar werd wanneer je je openstelde. Je wilde beide: je eigen ik laten zien en tegelijk niet onderuitgehaald worden.’
Mak: 'Buiten de groep werden we echt geprakt en gemangeld door de vrouwen. Verschríkkelijk! Ik heb echt alles over me heen gekregen, tot aan verwijten over het gedrag van mijn overgrootvader toe.’
Bert Bakker: 'Je kon niet in een café zitten met vrouwen erbij of hup… daar ging het weer.’
Schrameijer: 'De groep vormde een krachtig antidotum tegen het politiek correcte feminisme. Ik herinner me dat in elk geval bij mij het uitgangspunt was dat wij toch wel erg vrouwonderdrukkend waren, maar dat idee was ook snel weer weg. We hadden het ook nooit over Anja Meulenbelt.’
Reinsma: 'Het was natuurlijk dubbel. We waren wel gefascineerd door de feministische beweging en ik denk dat we in onze methode veel van de vrouwenbeweging hebben geleerd.’
Schrameijer: 'Natuurlijk: om weerbaar te zijn zonder betonnen muur voor je snufferd, stevig in je schoenen te staan maar wel open te zijn. Inhoudelijk waren we best geïnteresseerd, maar aan de andere kant dacht je als je er iets van las na vijf bladzijden: ja, maar dat ben ìk dus, ìk ben dat stuk ongedierte. Daar hebben we het wel heel veel over gehad. Dat je aan de ene kant denkt: dit is slim, hier is goed over nagedacht, en dat je aan de andere kant merkt dat jij het object bent. Je was toch een man en je moest jezelf tegenover dat beeld stellen, want je moest ook niet je man-zijn verloochenen. Sommigen mannen van die zogenaamde mannenbeweging deden dat juist wel en kropen als kleuters onder tafel.’
Van der Post: 'Je had zelfs zo'n man die de naam van zijn moeder aannam - Gerard van Beusekom-Fretz. Dat vond ik zo mooi symbolisch!’
Reinsma: 'Maar we hadden het dus wel over de verdeling van taken en macht, en hoe je daar thuis over discussieerde.’
Van der Post: 'Over wie er de baas was in de keuken. Want wij waren geen mannen die de hele dag naar hun werk waren en thuis nooit wat deden.’
Mak: 'Wij waren tamelijk beschikbare heerschappen.’
Van der Post: 'En er werd veel gekookt, voor kinderen gezorgd en boodschappen gedaan.’
Mak: 'Ik had ook best enige correctie nodig op dat punt. Maar er waren anderen bij die we echt moesten steunen, want onder de vlag van het feminisme kon ook zeer veel onrecht geschieden en daar kan niet genoeg tegen gedaan worden! Dan zag je dat mannen driekwart of zelfs nog meer van de huishouding deden. “Hé, let eens even op jezelf”, zeiden wij dan, “kijk eens even hoe dat precies verdeeld is.”’
Van der Post: 'Genoeg is genoeg!’
WIE IS ER nu eigenlijk baas over keuken en wasmachine? Hebben de heren zich blijvend in de zelf ontworpen rol geschikt? Age Bakker past als bankdirecteur en hoogleraar economie ogenschijnlijk wel heel erg in het model van de uithuizige man. Age Bakker: 'Je probeert dat wat je hebt geleerd mee te nemen, maar ondertussen zit ik in de praktijk een of twee dagen per week in het buitenland. Dat kan eigenlijk alleen doordat mijn vrouw, die zangeres is, thuis kan werken.’
Mak: 'Maar ik heb het gevoel dat het voor jou absoluut geen vanzelfsprekendheid is dat het huishouden voor je wordt gedaan. Jij denkt er wel over na.’
Age Bakker: 'Ja, na mijn scheiding heb ik acht jaar voor mezelf gezorgd en heb ik alles helemaal zelf gedaan. Toen ik daarna in een relatie rolde, moesten de dingen opnieuw gedefinieerd en dat was heel spannend. Dat deed me echt denken aan discussies die wij nauwelijks tien jaar eerder hadden gevoerd.’
Van der Post: 'De regel die ik me na al die perikelen eigen gemaakt heb, is: men zal de partner niet veranderen! Dat is iets wat zo verrotte goed helpt. Als ik terugkijk naar mijn vroegere relaties, was het toch altijd mijn streven om mijn partner zo veel mogelijk naar mijn evenbeeld te krijgen. Dat was echt een bron van ellende en machtstrijd. Dat moet je dus niet doen.’
In 1976, een jaar voor de oprichting van de groep, was het nieuwsblad van de vereniging Man Vrouw Maatschappij voor het eerst met een special over de man en zijn emancipatie gekomen. Hanneke van Buuren schreef daarin: 'Het is voor mij overduidelijk dat het fallusdragend zoogdier, die, contradictio in terminis, man heet, op dit punt van de evolutie in al zijn kaarsachtig rechtlijnig denken ongeschikt is voor de zon… Oppervlakkig gezien kan hij best lief zijn en soms zelfs ontroerend als hij voor ons aan de marges sleutelt, maar ik voel dat hij gevaarlijk is, in zijn paternalisme een denkrem, in zijn naïviteit een denkvervuiler.’
De volgende aflevering al reageerde een verdrietige man: 'Je hele verhaal deed me pijn, ik voelde me door jou als mens ontkend. Je wil niet inzien dat jij en ik in deze maatschappij net zo veel moeite hebben in onze pogingen om onszelf te worden en te zijn en net zoveel weerstand ontmoeten. (…) Ik vind het afzetten tegen “de” man onjuist; wel juist vind ik het ageren tegen die vastgeroeste figuren: èn mannen èn vrouwen. Ik voel me lullig met je eenkennige agressiviteit.’
Gerard van Beusekom, de man die de naam van zijn moeder aannam, schreef in datzelfde jaar het boekje De komende en de gaande man, een ongekend staaltje van die-hard feminisme op grond waarvan de schrijver met recht roomser dan de paus genoemd mag worden. Zijn utopie - een wereld ontdaan van ouderwets masculiene kenmerken - moest worden bereikt door middel van een voelensnappelijke veranderingskunst. Wat dat precies was, werd niet helemaal duidelijk, maar het had iets te maken met de I-Tching en het zenboeddhisme. Ter voorbereiding kon de nieuwe man overgaan tot de oprichting van een wekelijkse praatgroep, maar 'natuurlijk niet op de avond dat broer Koot en broer Bie op de tv zijn’. Door met lotgenoten vrijuit te praten over je ervaringen ('en ook die waar je niet zo trots op bent’), kon je daar de ervaring krijgen van 'Hé, ik voel me veilig bij mannen!’ Bij Gerard in de groep werd dan ook nooit 'geduwd’ of 'getrokken’.
DE HEREN rond de tafel wilden niets met zulke ideologische praat te maken hebben. Wel durven ze te bekennen ooit eens het thema 'man en lijfelijkheid’ dermate grondig te hebben behandeld dat de kleren werden afgeworpen. Maar ook die actie beschouwen zij nog steeds als functioneel en niet als zijig experimenteel.
Schrameijer: 'Dat was héél komisch. Iedereen zei wat hem niet beviel aan zijn lichaam en daar waren de anderen dan stomverbaasd over.’
Bert Bakker: 'Het had een heel goeie functie. We hadden het in alle toonaarden over man en lijfelijkheid gehad en toen riep vanzelf iemand: nou, laat maar eens zien!’
De groep werd als veilig ervaren, maar dat betekende niet dat er geen conflicten speelden. Was er bijvoorbeeld niet sprake van een affaire? De heren reageren met een zacht gegrinnik. Van der Post doorbreekt de spanning en roept op quasi-schijnheilige toon: 'Daar hoor ik van op!’ Schrameijer repliceert onmiddellijk: 'Het was bij jou thuis man! Ik zie haar nog zitten daar in dat hofje van je.’
Van der Post, schuldbewust: 'Ik had een affaire met zijn vrouw. Dat was wel een groot conflict. Flip was natuurlijk heel erg boos.’
Schrameijer: 'Ik herinner het me niet als een grote crisis in mijn leven, maar ik was wel heel boos ja! Dat was op zich wel weer grappig, want de anderen zaten daar zo'n beetje omheen.’
Van der Post: 'Nou, voor Flip…’
Mak: 'Jij voelt je denk ik schuldiger dan dat Flip boos was.’
Van der Post: 'Ja ja. Dat was niet makkelijk.’
Schrameijer, spottend: 'Hij heeft het er erg moeilijk mee.’
Hoe gaat het verder met ze? Wat voor betekenis heeft vriendschap nu voor ze?
Age Bakker: 'Je merkt dat je, deels door tijdgebrek, sterk de neiging krijgt om mannenvriendschappen aan activiteiten te koppelen. Je gaat samen sporten of een weekend op stap. Ik kan jaloers zijn op de eindeloze telefoontjes van mijn vrouw die met haar vriendinnen heerlijk over de alledaagse dingen kan praten. Ik heb vrienden die ik nooit meer kwijtraak maar die ik soms maar eens in het halfjaar zie. Dan zit je vaak op het niveau van het uitwisselen van nieuwtjes en dan lijkt het soms zo niks.’
De heren zijn het erover eens: even de telefoon pakken en informeren naar de ander komt er niet zo van. En dat ligt niet alleen aan de werkdruk, zo blijkt als ze concluderen dat die voor hun telefonerende partners ook geldt.
Mak: 'Ik merk dat een deel van mijn vriendschappen in het werk zit. Mannen werken graag samen. Nou, laat het zo wezen, dat is onze vorm van aan de telefoon kwekken. Ik zit weer een beetje met een eindredacteur te keten of zo en daar zit ook veel warmte onder.’
HET LIJKT EROP dat de mannenpraatgroep werd geïnstigeerd door het om zich heen grijpend feminisme, maar deze aanleiding ook ontsteeg. In de overgangsperiode tussen het vrijblijvende studentenleven en het leven met werk en partner vormde de praatgroep, zoals Reinsma het noemt, 'een langgerekte initiatierite’.
Schrameijer: 'Maar er zijn ook heel veel dingen niet gebeurd. Terugkijkend zie ik dat het beter had gekund. Ik had last van een beetje onderwaardering van mezelf en ik voelde me vaak wel heel gewaardeerd als ik van de praatgroep weer naar huis ging. Je kunt ook zeggen: als dat anders was gegaan, dan had ik er misschien op dat moment zelf wat meer aan gedaan. Toch stond mij wel voor ogen dat de wereld er een stuk beter van zou worden als mannen emotioneler werden en durfden toe te geven dat ze met problemen zaten zonder dat ze daarmee meteen kleuters werden.’
Reinsma: 'Wij wilden géén tuinbroek aan, toen hèt symbool van de verkeerde man.’
Schrameijer: 'We wilden krachtig zijn, maar ik geloof dat ik wel dacht dat het goed was voor iedereen om emoties te tonen, om niet dichtgemetseld te zijn en strak in de rollen te zitten.’
Age Bakker: 'Dat is ook veel interessanter en spannender. Maar je merkte dat je er ook wel eens last mee kon krijgen als je emotioneel was en een beetje doorschijnend werd. In die zin is er toch wel sprake van ideologie.’
Schrameijer: 'In ieder geval van een ambitie die iets verder ging dan alleen maar de wens er zelf goed uit te komen. Je had toch het gevoel dat je een bijdrage leverde aan iets groters.’
De heren concluderen dat het fenomeen mannenpraatgroep in deze tijden ook een functie zou kunnen vervullen. Zelf zijn ze nog vol lof, maar tegelijk moet de rol niet overdreven worden.
Van der Post: 'De jongere generatie van rond de dertig heeft echt geen flauw benul van wat feminisme is.’
Reinsma: 'Maar kunnen ze lekker koken?’
Van der Post: 'Dat vraag ik me af. Maar ik bedoel meer het vlak van de seksespecifieke emoties. Daar hebben ze helemaal geen idee van. Ach, ik heb zelf ook fouten gemaakt. Een gesprek met mijn oudste zoon over emoties is behoorlijk hard werken voor mij en dan denk ik: hè wat jammer, ik wil zo graag ook over die dingen met je spreken…’