Herontdekte schrijfsters

‘Nee, ik ween niet om de wereld’

Zora Neale Hurston wilde het wereldbeeld van zwarte Amerikanen in proza vangen. Dat was toen niet makkelijk. Haar boeken resoneren sterk in onze tijd. ‘Ik behoor tot geen ras, noch tot een tijdperk. Ik ben het eeuwige feminiene met haar kralenketting.’

Zora Neale Hurston had in Eatonville lang niet beseft dat ze van kleur was, schreef ze in haar essay © archivio effigie / ANP

In 1973, dertien jaar na het overlijden van Zora Neale Hurston, vloog Alice Walker naar Eatonville, Florida, Hurstons geboorteplaats. Walker was toen nog niet het literaire icoon dat ze nu is, als auteur van het gecanoniseerde The Color Purple, maar een voor-zichzelf-naam-makende redacteur van het net opgerichte feministische tijdschrift Ms.

Eatonville is een van die typische zuidelijke gehuchtjes, waar leegstaande huizen worden overwoekerd door oprukkend hoog gras. Walkers stuk is een geweldige kastje-naar-de-muur-reportage. Walker doet zich voor als Hurstons nichtje, in de hoop zo meer verhalen los te krijgen. Ze weet hoe gesloten kleine dorpjes in het Zuiden kunnen zijn. Alle dorpsbewoners die ze spreekt kennen de naam, vaag. Ze twijfelen over waar ze precies woonde. Sommige mensen zeggen dat ze heel obees was, andere dat ze aan ondervoeding is overleden.

Heeft ze een pauperbegrafenis gehad? Ja, zegt iemand. Maar waar dan? vraagt iemand anders. Walkers gids durft het kerkhof niet op: te veel slangen tussen de bosschages. Ze heeft geen grafsteen, zegt iemand, want ze had ruzie met haar familie. Later blijkt dat ze heel ergens anders in Florida begraven is – ‘in obscurity and poverty’, zoals het AP-bericht indertijd schreef. De leerlingen op de school waar ze invalkracht was hadden een benefietconcert gehouden om geld voor haar uitvaart te verzamelen.

Wat Walker onderzoekt, als eerste, is hoe het kan dat een van de sterren van de zwarte literatuur van die eeuw vergeten op een gesegregeerd kerkhof in Florida ligt. Want de succescurve in de chronologie van het leven van Hurston is indrukwekkend: geboren circa 1901, wees op haar negende. Op haar veertiende wordt ze werkster bij een cabaretgezelschap, op haar twintigste gaat ze naar de middelbare school, rond haar 25ste naar het voorname Barnard University, in de jaren dertig ontvangt ze twee prestigieuze Guggenheim Fellowships, en ze wordt in 1941 staff writer bij Paramount Studios in Hollywood. Om na de oorlog door de Cariben te trekken om folklore te verzamelen, bibliothecaresse te worden, werkster, invalkracht, en in 1960 te sterven in een opvanghuis voor armlastige vrouwen.

Een leven en dood als metafoor, suggereert Walker, voor hoe Amerika met zwarte kunstenaars omgaat. Walker lijkt zelf niet te willen zeggen wat er met Hurstons carrière gebeurde, maar citeert een academicus die zegt dat Hurston heeft opgegeven: het lukte haar niet het wereldbeeld van zwarte Amerikanen in proza te vangen. Of in ieder geval was het niet het wereldbeeld waarop de lezer zat te wachten.

Walkers artikel leidde tot de eerste van een reeks herontdekkingen van Hurston, waarbij er historici aan te pas moesten komen om vast te stellen wie Hurston nu precies was. Het AP-bericht dat haar dood aankondigde had haar leeftijd op 57, 58 of 59 gezet. Walker legde haar geboortejaar op 1901 – pas veel later bleek ze geboren in 1891. En niet in Eatonville, Florida, maar in Notalsulga, Alabama. Ze was niet 59 geworden, maar 69. Weer later vonden historici het certificaat van haar tweede huwelijk, waarop het geboortejaar 1910 stond.

Het vreemde is, kunnen we nu zeggen, dat Hurston bij leven vergeten raakte door wat postuum haar grootste succes zou worden: de roman Their Eyes Were Watching God, uit 1937.

In 1937 had Hurston al lang Florida achter zich gelaten en woonde in Harlem, New York – op dat moment het centrum van de ‘Harlem Renaissance’. Die Renaissance was zo’n beweging die nooit een bewuste beweging was – eerder een maalstroom die een korte tijd een aantal verschillende mensen, ideeën en kunstvormen bij elkaar bracht. In dit geval van zo’n beetje 1918 tot eind jaren dertig, in de overwegend zwarte wijk Harlem, op het noordelijke deel van Manhattan.

De droge sociologische verklaring voor het ontstaan van de Harlem Renaissance is: door de Eerste Wereldoorlog was de stroom migranten van Europa naar de VS tijdelijk opgedroogd, waardoor er in de grote noordelijke steden veel vraag naar arbeidskrachten was. Die vraag werd vervuld door honderdduizenden zwarte mensen die weg wilden uit het virulent racistische Zuiden van de VS (de zogenaamde Great Migration). Tegelijk kwamen duizenden zwarte Amerikaanse soldaten terug uit de loopgraven in Europa, en ontdekten dat ze van het land waarvoor ze gevochten hadden niet het respect kregen dat ze verdienden.

Hurston wil het niet over slavernij hebben. Ze wil vooruit: ‘Ik ben niet “tragisch van kleur”’

Daarop volgde een meer poëtisch, ongrijpbaar fenomeen. In Harlem kwamen talloze zwarte kunstenaars, dichters, predikanten, filosofen, organisatoren, modeontwerpers, dansers, muzikanten bij elkaar – ze beïnvloedden elkaar, concurreerden met elkaar, gaven elkaar zelfvertrouwen. Denk aan de filosoof Alain Locke, aan de schrijver Langston Hughes, de dichter Claude McKay, aan zo’n beetje alle jazzmuzikanten die je kunt bedenken, met Duke Ellington als bekendste. Zwarte artiesten hoefden niet meer voor een wit publiek te spelen, want nu hadden ze vaak voor het eerst een betalend zwart publiek. Ze konden veel meer zichzelf zijn.

Zora Neale Hurston was via allerlei omzwervingen langs steeds betere universiteiten in New York terechtgekomen. In Eatonville had ze lang niet beseft dat ze van kleur was, schreef ze in haar essay Hoe het voelt om van kleur te zijn (in 1928), omdat iedereen daar zwart was. Pas toen ze de verdere wereld in trok snapte ze wat haar huidskleur betekende. In Harlem kon ze het op momenten ook vergeten: ‘Op bepaalde momenten heb ik geen ras, dan ben ik mezelf. Wanneer ik mijn hoed op een bepaalde manier op zet en door Seventh Avenue in Harlem City slenter, voel ik me bijvoorbeeld net zo’n snob als de leeuwen voor de 42nd Street library’, schreef ze. ‘Ik behoor tot geen ras, noch tot een tijdperk. Ik ben het eeuwige feminiene met haar kralenketting.’

Zora Neale Hurston – ‘Er is geen grote treurnis opgesloten in mijn ziel, noch verscholen achter mijn ogen’ © Lomax collection / Library of Congress

Die relativerende houding paste niet altijd even goed in Harlem – waarin identiteit, qua huidskleur, geloof, politieke overtuiging, rauw werd bevochten. Their Eyes Were Watching God gaat over slavernij, verkrachting, geweld – het is volkomen geëngageerd met het drama van het gesegregeerde, racistische Zuiden. Maar het gaat ook over vriendschap, over liefde, seks. Het was geen politiek pamflet, wat haar door andere meer politiek-uitgesproken zwarte auteurs werd verweten. Vooral Richard Wright, de angry young man die al snel tot de grote autoriteit onder zwarte intellectuelen uitgroeide, vond Hurston nep. Ze zou schrijven over blije, naïeve zwarte mensen, die in het vrolijke dialect spraken zoals ze dat ook in de black face minstrel shows deden – kortom, Hurston schreef voor een wit publiek.

Voor de politieke activisten in Harlem was ze in feite een contrarevolutionair. Dat ze uitgesproken anticommunistisch was, in grotendeels socialistisch Harlem, hielp ook niet.

Wrights boze Native Son werd een bestseller; Hurstons romantische boek verdween uit het zicht en ze besloot haar carrière te verleggen. In New York was ze bevriend geraakt met de Duits-joodse immigrant Franz Boas, die de antropologiefaculteit op Columbia University had opgericht. Hij doceerde dat cultuur en onderwijs net zo bepalend waren voor de menselijke ontwikkeling als afkomst – Hurston noemde hem ‘Papa Franz’. Hij overtuigde haar van het belang van volksverhalen, van tradities die onder de nakomelingen van slaafgemaakten vanuit Afrika waren doorgegeven, en dus ging Hurston terug naar het Zuiden om die verhalen op te tekenen. Dat lukte slecht. Hurston was te lang weg geweest, het lukte haar niet een connectie met de gesloten mensen te maken.

In New York ondertussen klaagde een emotioneel verward tienjarig jongetje haar aan voor misbruik – ten onrechte, maar de kranten kregen er lucht van en het werd een schandaal. Ze werd depressief, vertrok, keerde nooit meer terug naar New York.

Alice Walkers herontdekking zorgde aanvankelijk, mondjesmaat, voor heruitgaven van Their Eyes Were Watching God. De heruitgaven werden steeds groter, haar toneelstukken werden begin jaren negentig weer opgevoerd, talkshowpresentatrice Oprah Winfrey tilde het boek nog eens op en liet het uiteindelijk verfilmen. Vijftig jaar na Hurstons dood waren er een miljoen exemplaren van verkocht.

En de herontdekkingen van Hurston kregen steeds andere betekenissen; eerst was het een correctie op haar vergeten status binnen de zwarte literatuur, daarna een correctie op haar status binnen de vrouwenliteratuur, daarna een correctie op de gehele literatuur – omdat ‘vrouw’ en ‘zwart’ natuurlijk geen genres zouden moeten zijn, Hurston hoort binnen elke canon. Bovendien groeit de nalatenschap van de Harlem Renaissance; van zo’n beetje alle kopstukken zijn de laatste tien jaar grote biografieën verschenen, die op veel media-aandacht konden rekenen.

Ook binnen het huidige racismedebat is Hurston ‘herontdekt’, met het wonderlijk humane essay Hoe het voelt om van kleur te zijn. Uitgeverij Chaos gaf het onlangs uit in het Nederlands, vertaald door Sayonara Stutgard. Het is geen hartgrondig politiek pamflet – maar een heel soevereine bezinning. In Hurstons houding ligt een belangrijk idee van zelfbeschikking ten grondslag, schrijft dichter Dean Bowen in het voorwoord: ‘een die van ons eist onszelf niet te reduceren tot enkel onze ervaringen en trauma’s – om op die manier nog steeds te opereren binnen de begrenzing van een opgelegd dominant narratief’.

Hurston wil het niet over slavernij hebben, over de zware geschiedenis. Ze wil vooruit, met een grenzeloos zelfvertrouwen: ‘Ik ben niet “tragisch van kleur”. Er is geen grote treurnis opgesloten in mijn ziel, noch verscholen achter mijn ogen. Ik vind het helemaal niet erg. Ik behoor niet tot de snikkende school van Negrohood die vindt dat de natuur hen een gemene streek heeft geleverd en wier gevoelens alleen daarover gaan. Zelfs in de ijlingste op-en-neer-rit van mijn leven heb ik gezien dat de wereld de sterksten toebehoort, ondanks een klein beetje pigment meer of minder. Nee, ik ween niet om de wereld – ik ben te druk met het scherpen van mijn oestermesje.’