Nee-isoglosse

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: nee-isoglosse. Heeft de voorkeur voor ja of nee bij referenda te maken met het gebied waar je woont?

Ja of nee – duidelijk toch? Dat is de gedachte achter het referendum, maar de volksraadpleging over Oekraïne leerde anders. De nee-stem kon van alles beduiden. Wie nee zei, bedoelde vaak deels ja en andersom. We zullen nog maanden bezig zijn het nee- en het ja-gehalte uit de uitslag te distilleren.

Wel beantwoordt zo’n categorisch onderscheid tussen ja en nee aan een gekoesterd aspect van ons zelfbeeld. Nederlanders schilderen zichzelf graag af als bot en recht voor z’n raap. ‘Hier sta ik, ik kan niet anders.’ ‘Ik zeg waar ’t op staat.’

Maar voor zover dat al waar is, geldt het zeker niet voor alle Nederlanders. Dwars door ons land loopt een grens die de botteriken scheidt van degenen die zich juist in bedekte termen uiten. Ik noem die grens de nee-isoglosse. Een isoglosse is een lijn die gebieden afgrenst waarbinnen een bepaald taalverschijnsel voorkomt. Vaak gaat het om twee dialecten, maar in dit geval heeft de grens een diepere culturele betekenis: aan de ene kant zegt men nee als men nee bedoelt, aan de andere kant wordt nee als het maar even kan als ja vermomd.

Waar loopt hij, die nee-isoglosse? Onderzoek is er niet naar gedaan. Navraag bij taalkundigen en bij het Meertens Instituut leverde niets op. Ik stak dus mijn licht op bij vrienden en kennissen uit verschillende delen van het land.

Dat leverde een paar zekerheden op. Zo loopt de nee-isoglosse in ieder geval ten noorden van Limburg en Noord-Brabant. Kennissen uit die contreien demonstreerden met onnavolgbare tongval en intonatie hoe men daar in plaats van ‘nee’ een hele reeks ‘jaoo’s in petto heeft, waarachter evenzovele gradaties van ontkenning schuilgaan. Wie deze subtiele verschillen niet onderkent, moet vertrouwen op het door een Limburgse vriend naar voren gebrachte adagium: ‘Niks doen is hier de belangrijkste manier van nee zeggen.’

We weten ook wel zeker dat de nee-isoglosse ten zuiden van Groningen en Friesland loopt. ‘Ze kennen ja. En ze kennen nee. Daartussen kennen ze niks’, citeerde Gerard van Westerloo in zijn boek Voetreiziger een meisje uit het Friese Hindeloopen. Wijd land met veel wind en water lijkt bevorderlijk voor ‘vierkant’ zeggen waar het op staat.

Komt dat doordat de adem van de Heere, die alles weet en ziet, daar onbekommerd waait? Valt de nee-isoglosse samen met de grens tussen katholiek en protestant, ongeveer gelijk op met de vroegere Romeinse limes, ‘de grote rivieren’ van nu?

Een bevriende Zeeuw bevestigt dat de Westerschelde, die het overwegend katholieke Zeeuws-Vlaanderen van de protestantse rest van Zeeland scheidt, die rol speelt. Op Zuid-Beveland zegt men over Zeeuws-Vlamingen: ‘Zodra ze Terneuzen uit zijn, zijn ze hun jawoord al vergeten.’

Maar een andere vriend gooit roet in het eten van deze reli-theorie. Hij groeide op in het Overijsselse Salland: ‘Dat is overwegend protestant, maar toch wordt daar meestal nee gezegd via de band van het ja.’ Volgens hem loopt de grens noordelijker, ongeveer door de Stellingwerven in Zuidoost-Friesland.

Het begint er dus op te lijken dat de nee-isoglosse niet een noord-zuidgrens is, maar eerder een diagonale lijn van Westerschelde naar Eemsmond. De nee-kant is de zeekant: de kustprovincies, waar sinds jaar en dag de welvaart en de macht van Nederland zich concentreert.

De ja-kant – de zand- en hoogveengronden van Oost- en Zuid-Nederland – zijn de gebieden waar de bevolking tot in de vorige eeuw gedwongen was ja en amen te zeggen tegen adellijke en kerkelijke machthebbers en tegen hoge heren uit Holland. Wingewesten, ‘generaliteitslanden’, tijdens de Republiek, waar verzet hoogstens mogelijk was door ja te zeggen en nee te doen.

Maar daarmee zijn we er niet, want de nee-isoglosse is geen Nederlands verschijnsel. Vraag maar eens de weg in Afrika of Azië. Nee is ‘slecht nieuws’, schreef Jelle Brandt Corstius in Het Parool, en ‘Ik weet het niet’ ook. Daarom sturen ze je bijvoorbeeld in Indonesië vaak de verkeerde kant op.

In zulke landen overheersen hiërarchische samenlevingen met een grote machtsafstand tussen mensen. Tegenspraak leidt er algauw tot spanningen, die verkeerd kunnen aflopen. Nee zeggen past ook slecht in een schaamte- en eercultuur. De ander mag geen gezichtsverlies lijden, dus omzichtigheid is geboden.

‘Je wilt geen nee verkopen tegenover gewaardeerde gasten’, vergoelijkte een van mijn zegslieden. ‘Dat leidt tot verlegenheid. Zo bezien zit er een heel sympathieke, zachtaardige kant aan die voorkeur voor ja.’

Klinkt mooi, maar ik geloof er niks van. Pure angst is het, een primordiale angst die alleen wordt overwonnen waar mensen zich beschermd weten door democratische garanties. Dat zijn ook de gebieden waar tegenspraak ons verder heeft gebracht. Dus help de nee-isoglosse de wereld uit, te beginnen in Nederland.


Met dank aan Ralf Bodelier, Albert de Lange, Riemer Reinsma, Paul Rijnders, Nicoline van der Sijs en Marian van de Veen-van Rijk