De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Nee Sneeuwwitje

‘Zij heeft hoogtevrees’, zegt mijn vriendin, met een knik naar de vrouw, in een rode jurk, die laat is binnengekomen en nu langs de balkonrand schuifelt in de schouwburg, langs het publiek dat voor haar is opgestaan. Eén onverhoedse beweging en ze zou weg zijn, twee verdiepingen omlaag storten.

Even buig ik voorover om te zien waar ze neer zou komen. Ik zie vooral grijze hoofden. Vervolgens denk ik aan die passage in Couperus’ verhaal De binocle, over een jongeman die net als wij op het balkon zit, met een zware toneelkijker, waarvan hij zich ineens afvraagt waar die terechtkomt als die valt. ‘Het was een bijna ondeugende nieuwsgierigheid, wellende om de snelle bedenking van een bijna niet mogelijke mogelijkheid. Want nu hij er aan gedacht had, dat de kijker kòn vallen, zoû de kijker immers niet vallen.’

Nu ik me voorgesteld had hoe de hoogtevrezende vrouw zou vallen, zal ze niet meer vallen. Logisch is ze niet, en toch begrijp ik de redenering. Als het film of toneel was, ja, dan zou die vrouw vallen, uiteindelijk, na wat schijnbewegingen. Of iemand anders zou juist vallen. Of er zou iemand vanaf het balkon boven ons vallen. In elk geval zou de Wet van Tsjechov in werking treden (als in akte zoveel een geweer afgaat, laat het dan in de eerste zien) ook wel Het Verbod op het Onverwachte genoemd (Gerard Reve).

Ineens en onaangekondigd omlaag storten kan alleen in de werkelijkheid gebeuren. Er valt een politiehelikopter op een volle pub in Glasgow. Boem. Totaal niet spannend. De pubbezoekers krijgen niet de gelegenheid om het toekomstig lijden te vrezen.

Dagblad Trouw berichtte vorige week over een Brits onderzoek naar de angst voor pijn. Proefpersonen kregen elektroshocks en konden kiezen: negen shocks binnen enkele seconden of zes shocks met steeds een kwartier ertussen. Een meerderheid koos voor de eerste optie: meer pijn, maar dat wel allemaal in één keer achter de rug hebben, in plaats van steeds een kwartier te moeten lijden aan toekomstig lijden.

Het bericht citeerde uit De idioot van Dostojevski: ‘De voornaamste en ergste pijn zit hem niet in het lichamelijke lijden, maar in de zekere gedachte dat in een uur, en dan tien minuten, en dan een halve minuut, en dan nu, op dit moment, de ziel het lichaam zal verlaten en dat dat zeker is; het ergste is dat het zeker is.’

Ineens en onaangekondigd omlaag storten kan alleen in de werkelijkheid gebeuren

In fictie moet je je publiek laten lijden aan het lijden dat ze vrezen. O nee, die vrouw gaat toch niet…! Nog mooier is om je lezer al te laten weten dát het mis gaat. Plotspoiler? Welnee, het is juist het Nee-Sneeuwwitje-Effect. Nee Sneeuwwitje, blijf van die klote-appel af! Nee hoogtevreesvrouw, loop niet langs die man met die dikke buik, want die krijgt straks een hoestbui en dan… te laat.

Goed. Ik had eraan gedacht dat ze kòn vallen, dus zoû ze niet vallen, want in de werkelijkheid gebeurt alles juist wel onverwacht. De deuren sloten. Het licht dimde. We zaten, kortom, als ratten in de val. De hoogtevreesmevrouw zat op haar stoel, maar onstuimig gelukkig leek ze niet. Bloednerveus zat ze daar vooraan. Zelf zaten wij een rij verder. (‘We zitten helemaal vooraan, op rij twee!’ had ik mijn vriendin nog verlekkerd beloofd, om pas binnen te ontdekken dat het rij twee van het tweede balkon was). De vrouw kneep hard in de leuning van haar stoel, zoals ik mezelf meestal in vliegtuigstoelen zie doen bij het opstijgen. Meer zaallicht zou sneeuwwitte knokkels zichtbaar maken.

Toen deed ze iets verstandigs: ze overlegde met de toeschouwer achter haar, een kaalschedelige man met een bril, en daarop wisselden ze van plek. Dat ging wat stuntelig, vooral omdat de vrouw zich al die tijd vastklampte aan een pilaar. De kale man kon maar met moeite passeren. De balkonrand kwam tot iets boven z’n knieën.

‘En nu flikkert hij omlaag, zul je net zien…’ mompel ik tegen mijn vriendin, die daarop haar gezicht afwendt en bedrukt omlaag staart, zoals ze ook doet als er bloed en/of verkrachting en/of marteling op tv is.

Het gehannes op rij één was nog niet ten einde, want ook de partners van de hoogtevreesmevrouw en de kale man moesten van plek wisselen. Het was hier tenslotte geen ranzige swingersclub, maar een deftige Koninklijke Schouwburg.

En in het gedrang gebeurde het. De man struikelde, werd nog door anderen bij de armen gegrepen en in één beweging – néééé, niet doen Sneeuwwitje! – vloog z’n bril van z’n hoofd. Beneden in de zaal sloeg iemand een gil uit en er spatten hersens in het rond. Althans, zo eindigt het bij Couperus, maar hier is niets gevallen, zelfs geen bril, die moest ik alleen maar verzinnen van Tsjechov en Reve.