Muziek - De dirigent moet al die musici

‘Nee, verdikkeme, subito pianissimo!’

In het coach- en trainingswezen staat de dirigent model voor charismatisch leiderschap, maar de macht over een symfonieorkest kan op een taai gevecht uitdraaien. Ook voor de grootsten.

Medium gettyimages 523426496

Leiderschap begint met ergens verstand van hebben. Je hebt meer greep dan anderen. Op koffie, oorlogvoering, voetbal, of muziek. De beste strateeg wordt trainer of generaal, de slimste kruidenier Albert Heijn, de meest gezaghebbende musicus dirigent.

Daarom is het zo’n interessant verschijnsel dat veel grote maestro’s op papier verre van optimaal gekwalificeerd waren voor hun vak. Toen Willem Mengelberg Stravinsky’s ritmisch gecompliceerde Sacre du printemps aan zijn collega Pierre Monteux overliet, speelde achter de opgevoerde ongesteldheid mogelijk toch de vrees voor onbekwaamheid op. Wilhelm Furtwängler, wiens hulpeloos klapwiekende slag orkesten voor raadsels stelde, leidde toch de Berliner Philharmoniker. Tijdens repetities onder Furtwängler speelden zich volgens biograaf Berndt Wessling soms chaotische scènes af. Collega Arturo Toscanini noemde hem een geniale amateur, en bewaarde filmopnamen geven hem deels gelijk. Die professorale, soms door vreemde grimassen verstoorde uitdrukking van dat uitgerekte hoofd, de handen fladderend als de met pek besmeurde vleugels van een vogel – het is bizar dat musici er chocola van konden maken. Orkesten speelden onder zijn leiding goddelijk, zijn gezag kwam ondanks alles blijkbaar ongehavend door, zijn technische gebreken vormden geen hindernis. Hoe kan dat nou?

Ten eerste heeft een dirigent voor de informatieoverdracht meer ijzers in het vuur dan lichaamstaal en stok, indien gebruikt. Hij heeft het woord, al wordt dat gewantrouwd; dominees vallen bij orkesten vaak in slechte aarde, maar de literaire metaforen van een Carlos Kleiber of de Rus Valeri Gergjev (‘luider dan de zon’) kunnen inzichtelijker werken dan een strakke slag. De dirigent kan iets voorzingen, communiceren met zijn ogen. Bij Jevgeni Mravinsky, een van de grootste Russische dirigenten van de twintigste eeuw, seinen de blikken grimmig zeker de complete marsroute, terwijl de handgebaren minimaal blijven. Was Frans Brüggen een dirigent volgens de spelregels? Allesbehalve. Voor Mahler had hij de techniek niet, zei hij stellig. Maar hij had dat brandende verlangen Bach, Rameau, Haydn en Mozart uit te voeren. Hij wist hoe het moest, namelijk anders dan we dachten. Daarom ging het, met het voorstellingsvermogen als gereedschap en de techniek van de wil. Met zijn eigen orkest, dat hij zelf had opgericht. Bij niet-ontvankelijke symfonieorkesten ging het niet. Er moest consensus zijn over de inzet, geven en nemen in eendracht.

Daarnaast, lijkt het, is falen een bestaansvoorwaarde voor dit vak, een noodzakelijk kwaad. Een coureur die nooit crasht is ook een slechte, die heeft verzuimd zijn grenzen af te tasten. De rol van dirigent is een soms pijnlijk levenslange school in weerbaarheid op het snijvlak van muzikaal gezag en een nooit helemaal natuurlijk overwicht. Gezag bestaat, hoewel het wel erkend moet worden; macht is in een samenleving die gelijke kappen cultiveert een ongemakkelijk bezit. De dirigent heeft in veel opzichten een anachronistisch en onmogelijk beroep, dat hem noodlottig moet vervreemden van zichzelf.

  1. Televisiepresentator Charlie Rose voert een groepsgesprek met de maestro’s Valeri Gergjev, Kurt Masur en Leonard Slatkin. Wat maakt een grote dirigent? vraagt Rose. Ik denk, zegt Masur maar, dat de kwaliteit van het leiderschap telt. Dat is iets anders dan machtsvertoon, want een grote muil helpt niet. ‘Je kunt orkesten in de topklasse alleen overtuigen als je niet komt om te laten zien hoe goed je bent. Musici willen van je kunnen zeggen: hij is ook een musicus.’ Gergjev wijst op het vermogen in orkesten los te maken wat zich niet laat afdwingen, release the potential instead of blocking it. Hij bedoelt inspireren, het uitlokken van begeesterde zelfredzaamheid. Het is een zaak van vertrouwen dat er dan wel moet zijn. Die bevinding sluit aan op wat Masur over het werken met jeugdorkesten zegt, die de routine van beroepsensembles missen: ‘Hoe meer vertrouwen je ze geeft, des te beter ze spelen.’

Als het niet of niet alleen op bewezen partituurkennis en technische bekwaamheid aankomt, moet er wel magie in het spel zijn. Die toverkracht kunnen ze in het bedrijfsleven goed gebruiken. De dirigent als rolmodel, leert Google, is op bescheiden schaal een coach- en trainingsmarkt geworden. De zoekresultaten brengen presentaties en workshops aan het licht – ‘De leider als dirigent’, een masterclass ‘dirigeren voor bestuurders’ – die het mystieke overwicht van de geroepene thematiseren. In een workshop Music Leadership mogen managers zelf dirigeren. ‘Essentiële vaardigheden als non-verbaal communiceren, visie uitdragen, teamwork optimaliseren en dienend leiderschap worden door de workshopleider besproken en zichtbaar gemaakt.’

Laat ons vaststellen dat je het zo geen leven volhoudt, als terreur niet in je aard ligt

Je zou de cursisten willen confronteren met de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van het vak, ironisch ongerijmd geschreven door zowel de querulanten als de meesters. Ze zouden navrante leermomenten zijn, de beelden van het Concertgebouworkest dat met Amsterdams rumoer protest aantekent tegen Mengelbergs lekenpreken. Of die van de repetitie waar de musici van de Wiener Philharmoniker het te kwaad kregen toen de daar als een godheid vereerde Carlos Kleiber in december 1982 hun incasseringsvermogen overbelastte met gedram over het kopmotief van het adagio uit Beethovens Vierde symfonie. Kleiber eiste dat de strijkers het zouden spelen op het ritme van de naam ‘Theres’’, de mogelijke geadresseerde van de brief die Beethoven overigens pas later aan de ‘Unsterbliche Geliebte’ schreef. De wanhoop nabij – ‘Sie spielen nicht Theres’, sondern immer nur Marie’ – smeet hij zijn stok weg en verliet de zaal, het orkest in verbijstering achterlatend. Lorin Maazel moest hem op het allerlaatst vervangen. Tot zo ver de optimalisatie van teamwork en dienend leiderschap.

Achteraf snapten de musici het wel, zeggen de getuigen-medeplichtigen in de Kleiber-biografie van Alexander Werner. Bijna beschaamd biechten ze op dat ze hem op zijn Olympische hoogten niet meer konden volgen. Maar gebeurd was gebeurd. De meest charismatische dirigent van zijn generatie was gestruikeld over de onverkwikkelijke kartelranden van zijn aura.

Bernard Haitink, naar eigen zeggen een matig violist, werd in een rap democratiserend tijdsgewricht door schade en schande toch die grote dirigent. Maar als dertiger stond hij naakt. Zijn leiderschap, zegt hij zelf, liet te wensen over. Op YouTube is het roemruchte filmpje uit 1965 te vinden waarin hij met het Concertgebouworkest Mahlers Tweede symfonie repeteert. Een verschrikkelijk, gênant gezicht is het. De gezagsverhoudingen zijn in het eerste provojaar bij het regentendom nog feodaal, de toon is gebiedend, de te jong ogende dirigent bejegent het orkest als een onberekenbare vijand. Elke zin eindigt op een narrig ja. ‘Het is forte, diminuendo, piano, en dan weg, ja?’ ‘Pas nou op ja, we hebben het gisteren afgesproken, dit is een zestiende.’ Er wordt formeel gevousvoyeerd. Dirigent, streng: ‘Juffrouw Badings?’ En juffrouw is er als de kippen bij om te gehoorzamen. Haitinks veelvuldig uitgesiste ‘ssst’ betekent zowel ‘zachter’ als ‘koppen dicht’. ‘Let u op, wilt u?’ ‘Nee, verdikkeme, subito pianissimo, doet u dat nou!’ Schoolmeesterachtig neerbuigend zet hij de troepen op hun nummer. ‘Natuurlijk is uw tempo beter dan het mijne, maar u bent met z’n honderden, dan hebben we honderden tempi, dat kan toch niet, beter één slecht dan honderd goeie.’

Laat ons vaststellen dat je het zo geen leven volhoudt, als terreur niet in je aard ligt. Er moest iets kantelen in dat bestaan. In een mooie documentaire van Hans Hulscher zien we Haitink, intussen wereldberoemd, in 1992 repeteren met de Staatskapelle Dresden en opnemen met de Berliner Philharmoniker. Je kent hem niet meer terug. Ontspannen en beheerst, een grapje op z’n tijd, deelt hij de lakens uit. Tegen Hulscher zegt hij hoe hij heeft geleerd de musici te vertrouwen, ze uit te nodigen tot musiceren. Hij vertelt over de ‘tactiek van manoeuvreren’ die voorkomt dat je musici ‘stapeldol maakt’. De kunst is niet op alle slakken zout te leggen maar het gemeenschapsgevoel te bevorderen door het orkest de vrijheden te gunnen die je terugkrijgt. Daarvoor is nodig dat de dirigent zelf in de spiegel kijkt, erkent Haitink. Hij heeft geleerd, zegt hij, ‘de weg te vinden die bij je karakter hoort’, en dat hij niet de dompteur moest uithangen. De rest was ervaring. Hij is, zegt hij, ‘opener en rustiger geworden door het vele doen’. Steeds denk ik dat hij versluierd spreekt over de moed zijn eminente angst te overwinnen.

Anderen lijken er niets voor te hoeven doen. Simon Rattle, de dirigent over wie Peter Sellars zegt dat hij ‘werkelijk is geïnteresseerd in de mogelijkheid van democratie’, verovert op zijn 25ste spelenderwijs de leiding over het orkest van Birmingham, dat met en onder hem heel groot wordt. Op zijn 47ste volgt hij Claudio Abbado op bij de Berliner Philharmoniker. Een perfecte, moeiteloze carrière, solide techniek; bij hem klinkt elke partituur als bravoureus doortimmerd masterplan, brevet van overkoepelend vermogen.

Alles lukt, bijna alles, want bij het Concertgebouworkest gaat het in de jaren tachtig ernstig mis tussen de musici en die informeel ogende Brit. Dat vond iedereen toen raar, ik ook. Tot ik jaren later met Rattle en de pianist Stephen Bishop Kovachevich in een café neerstrijk. Prettig gesprek, onbewolkte atmosfeer, geen spoor van haat en nijd. Maar ik voel iets onaangenaams in Rattle dat ik hem in een tv-documentaire tot mijn stomme verbazing hoor benoemen: bad vibes. Uit wat hij zegt blijkt dat hij ook zelf die trillingen heeft opgevangen. ‘De vraag is: welk pact sluit je met de duivel? Als jong musicus moet je echt uitvinden wie je bent. En is de musicus dezelfde persoon als de mens? Kunnen ze met elkaar verbonden worden? Of blijf je altijd Jekyll Hyde?’ Precies wat ik aan de cafétafel voelde: welwillende beheersing van de negatieve krachten die ik opving. Natuurlijk kan het net zo goed zijn dat ze van mij naar hem kaatsten en terug. Maar dan was het me als lid van het Concertgebouworkest net zo vergaan en hadden wij in tweedracht een acuut probleem gehad. Wat moet je als dirigent sterk zijn en fantastisch veel in je mars hebben om die onderstromen in de hand te houden. Daarom is Rattle zo goed geworden, hij kon het. En daarmee lijkt dirigeren toch de triomf van de wil. Enfin, sindsdien denk ik dat ik begrijp wat er in Amsterdam is voorgevallen. Rattle, nogmaals: ‘Of course you’re an actor in a way.’ Precies. Het masker viel, het spel mislukte. Even.


Beeld: Bernard Haitink voert met het New York Philharmonic Mahlers Negende symfonie uit, 2016 (Hiroyuki Ito / Getty Images)