Perquin

Neef

Hij is veel langer dan ik dacht. Langer en hariger. Een bos wilde krullen op zijn hoofd. Ongeschoren kaken. Borsthaar dat vanonder zijn half opengeknoopte overhemd naar boven kruipt. Ik denk aan hem zoals hij vroeger was, zoals hij vijftien jaar lang in mijn hoofd heeft gezeten, onaangetast. Wat is er met je gebeurd, wil ik vragen. Waar was je? Mijn neef leunt ontspannen achterover in de tuinstoel. Het is warm, de lucht is strakblauw. We drinken witte wijn. Mijn neef steekt een sigaret op. Hij heeft wel iets weg van mijn vader, als hij zijn hoofd zo schuin houdt. ‘Je rookt mijn merk’, zeg ik. Mijn neef gooit het pakje mijn kant op. Ik wil gaan uitleggen dat ik overdag niet rook, dat ik die gewoonte heb teruggedrongen naar de avonduren. In plaats daarvan steek ik een sigaret op. Nu delen we alvast een handeling. 'Dacht je dat het bij ons goed zat?’ zegt hij. Ik schenk de glazen vol. 'Nee’, zeg ik. 'Ik dacht nooit dat het ergens goed zat. Ik dacht alleen dat andermans ruzies interessanter waren dan de onze. Dáár was ik jaloers op. Op de kwaliteit van jullie problemen.’

Mijn neef lacht. Ja, zie ik, duidelijk mijn vader. Die wenkbrauwen. En die opkrullende mondhoeken, die heb ik ook. Een lastig te lezen onderdeel van een toch al verwarrende mimiek. 'Mijn zus woont nu in Londen’, zegt mijn neef. 'Ze komt nooit naar Nederland, ook niet voor mij. Mijn vader is getrouwd met een Duitse van 28. Mijn moeder is ziek. Soms belt ze me op zonder iets te zeggen. Ik hoor alleen aan de stilte dat zij het is. Dan zeg ik ook niets. Ik blijf gewoon aan de lijn tot ze ophangt.’

Hij maakt zijn sigaret uit en duwt de asbak naar de andere kant van de tafel. 'Wil je weten hoe het bij ons was?’ zeg ik. 'Nou’, zegt hij, 'hoe was het?’ Ik ga rechtop zitten en kijk naar de blauwe lucht. Ik blaas de rook omhoog in kleine wolkjes. 'Gezellig’, zeg ik. 'Bij ons was het eigenlijk best gezellig.’