Neelie en de bimbo’s

Ik zag Neelie Kroes op de cover van _Vrij Nederland _en schrok. Wie haat haar zo dat hij/zij haar op die manier heeft gefotografeerd? Zou ze zelf de foto van tevoren hebben gezien?

Uit ervaring weet ik dat fotografen daar meestal niet zo happig op zijn. Zij hebben hun eigen visie op hun object. Ik kijk altijd met jaloezie naar volledig gezandstraalde portretten van collega’s, speciaal gemaakt op Bermuda, of op de trappen van een Venetiaans palazzo, terwijl van mij alleen maar felrealistische opnames in omloop zijn.

De laatste keer dat een foto van mij werd gemaakt voor bij een interview werd ik in een kelder op een verrotte stoel gezet en werden er drie stormlampen op me gericht. De fotograaf in kwestie zei er nog geruststellend bij dat degenen die hij fotografeerde nooit blij waren met het eindresultaat. Hij zei het ook met trots: alsof het hem lukte iemands wezen bloot te leggen en dat dat natuurlijk voor iedereen schrikken was.

Waarom ik me het liet gebeuren, die sessie in de kelder, afgezien ervan dat het mijn instinctieve neiging is geen obstructie te plegen? Omdat ik vind dat het bijzaak moet zijn, hoe je eruitziet. Het moet om de inhoud gaan, niet om het plaatje.

Het is iets wat ik mezelf wijs heb gemaakt in een streng-stalinistisch verleden, toen iedereen nog de mond vol had van vals bewustzijn en dat soort zaken, en niemand zijn haren kamde. Ondertussen was ik hard bezig zelf een dermate intens en gigantisch vals bewustzijn aan te kweken dat ik het nog steeds niet van me heb weten af te schudden. Op cruciale momenten, in zo’n kelder bijvoorbeeld, breekt dit me op. Daar zit ik, lam, slachtbank. Hoe harder hoe beter, houd ik mezelf voor. Dana Lixenberg, die Nederlandse fotografe die in New York zo aan de weg timmerde, maakt ook iedereen raarder dan ze zijn.

Ondertussen schreeuwt alles in mij om verzet. En een kam.

Het levert een mentale toestand op waarvoor in de DSM nog geen bevredigende omschrijving is gevonden, maar die het dichtst ligt bij acute ambivalentie. In de praktijk vertaalt zich dit in een argusblik op andere vrouwen, die al dan niet ‘vals spelen’, lees: hun mooiste jurk hebben aangetrokken voor de fotograaf, zich laten begeleiden door een leger aan stilisten en Mike de Boer en alsnog alles laten fotoshoppen dan wel liften. Ik vind ze stom en dom, haat ze van harte, maar wil natuurlijk eigenlijk ook in die dure jurk uit de golven van de Stille Oceaan opduiken en dat mijn gezicht volkomen uitdrukkingsloos blijft.

Aan die jurk ligt het overigens niet bij Neelie. Kijk haar daar staan, fier en goed gekapt, en wat heeft ze nou aan, er is iets over haar schouders gedrapeerd, dat moet wel haast brokaat zijn, of pure zijde. Uit de kleuren valt niks op te maken, want het is een zwart-witfoto. Het is een ­staatsieportret, haar hele houding straalt macht en zelfvertrouwen uit, wat is mijn ­probleem eigenlijk met die foto?

Precies die vraag stelt mijn collega die naast me bij het tijdschriftenschap in de boekhandel staat, en mijn afgrijzen signaleert.

‘Jij kijkt alleen maar naar haar huid’, zegt hij.

Inderdaad. Ik zie rimpels. Diepe rimpels, haar gezicht zit er vol mee.

‘Die vrouw is de zeventig gepasseerd’, zegt hij. ‘Stel je voor dat ze geen rimpels had.’

Ik kijk nog een keer, probeer niet alleen te denken in termen van verval.

‘Moet je zien wat een mooie vrouw daar staat’, zegt hij. ‘Jij wil dat je iemands leeftijd niet kan zien. Alsof alleen jeugd mooi is.’

Gelukkig is mijn ambivalente geest van alle ideologische geselingen door de verschillende tijdperken heen behoorlijk soepel geworden, en dus kost het me slechts een minuut of wat om de karakterisering ‘mooi’ in dit verband te kunnen toelaten. Dapper blader ik het tijdschrift door op zoek naar de tekst van het interview, waar een andere foto bij staat, nu alleen van haar gezicht.

‘Heel mooi’, prevel ik.

En zie dat het een foto van Stephan Vanfleteren is, die van de week cabaretier Dolf Jansen bloot op de foto zette in de Volkskrant, waardoor mijn ontbijt in de keel was blijven steken. Eerst wilde ik meteen de volgende pagina opslaan, maar toen ben ik toch even blijven turen. Was dat zijn arm, of wat?

Mijn collega heeft ondertussen een heel ander tijdschrift opgeslagen. Hij wijst me op een gephotoshopt rijtje bimbo’s in sexy oranje outfits. Hun haren zijn gecoiffeerd, de gezichten dichtgeplamuurd, de pijpmondjes gestift en getuit. Victoria Koblenko, Tanja Jess, Fatima Moreira de Melo…

‘Zie je wie die vierde is?’ vraagt hij.

Ze heeft een stralende blonde kuif en draagt een jurkje dat net haar bilpartij bedekt. Haar verschijning bewerkstelligt een onmiddellijke verzoening met de rimpels van Neelie.

‘Stine Jensen’, zeg ik.

Nu is hij ontsteld. ‘Dat je dat meteen ziet!’

Het is een gave.