Neem het beven over

Op 15 juni wordt de winnaar bekendgemaakt van de Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. Van de vier genomineerde bundels is er één die verplettert.

De dichtkunst is een edel tijdverdrijf met een eerbiedwaardige traditie van ten minste vijfduizend jaar. Overal ter wereld staan iedere generatie opnieuw vrouwen en mannen op die in zichzelf de drang ontwaren datgene onder woorden te brengen wat anderen misschien wel vermoeden, maar niet kunnen zeggen. Hoewel je in het domein van de poëzie best iets kunt leren, wordt het dichterschap toch allereerst als een speciale genade gezien, als een gunst van de Muzen. Daarom accepteren we van dichters uitspraken die in elke andere context als nonsens zouden worden aangemerkt. De dichter, zo wil het romantische, maar zeker niet ongefundeerde cliché, is een zonderling die in oncontroleerbare vlagen van vervoering eeuwige waarheden uit het diepst van zijn ziel omhoog weet te takelen, of liever: als een vulkaan weet uit te braken. Weliswaar beweert menige dichter dat hij in de eerste plaats voor zichzelf schrijft, maar dat berust doorgaans op valse bescheidenheid die smacht naar erkenning. Je wenst gehoord te worden, gelezen, toegejuicht en bewonderd, men moet verliefd op je worden, je wilt eeuwige roem verwerven, en er als het even kan ook geld mee verdienen. Blijkbaar levert het dichterschap zelfs in ons vercommercialiseerde tijdsgewricht nog eer en aanzien op.
Aan genieën ontbreekt het niet, maar het is de kunst anderen ervan te overtuigen dat je een van hen bent. Nog steeds is het zo dat een boekpublicatie bij een gerenommeerde uitgever voor een dichter essentieel is om voor vol te worden aangezien. Regionale bekendheid, overwinningen bij Poetry Slams, uitgaven in eigen beheer, publicaties op het web, uiteindelijk telt het allemaal niet. Je moet in de boekhandel liggen. Helaas garandeert ook de fysieke presentie van je poëzie in het Centraal Boekhuis nog geen aandacht. Er verschijnen ieder jaar tientallen bundels, en het is nu eenmaal een journalistieke wet dat alleen de dichters die al enige bekendheid genieten, besproken worden; de ruimte in de dag- en weekbladen is immers beperkt. Daarom is het goed dat de Buddingh’-prijs voor debuten bestaat, en dat deze met nominaties werkt, zodat steeds een handvol dichters de kans krijgt een greep naar de glorie te doen.
De prijs wordt sedert 1988 uitgereikt. De lijst van allen die in de loop der jaren genomineerd zijn geweest, biedt een aardige dwarsdoorsnede uit de Nederlandstalige poëzie van die periode. Niet altijd werd de beste dichter bekroond, maar de meeste genomineerden zijn erin geslaagd tot het establishment van de literatuur door te dringen, wat zonder die nominatie zeker moeilijker was geweest. Slechts van een enkeling werd nooit meer iets vernomen. Alleen al het feit dat de Buddingh’-prijs vaak discussie oplevert, maakt hem tot een waardevol instituut.
Het is opvallend dat de vier genomineerden van dit jaar geen van allen echte debutanten zijn. Nina Werkman (1947), wier gedichten in verschillende tijdschriften en bloemlezingen zijn opgenomen, publiceerde vorig jaar een bundel in het Gronings. Elmar Kuiper (1969) debuteerde zes jaar geleden al in het Fries. De Vlaamse Delphine Lecompte (1978) trok eerder de aandacht met Engelstalig proza. En Gert de Jager (1957), neerlandicus aan een hoofdstedelijk gymnasium, heeft als essayist van zich laten horen. Het gaat hier dus om dichters die de eerste horden al genomen hadden.
Dat wil niet zeggen dat ze nu ook meteen binnen zijn. Niet alleen is binnen dit viertal de regionale en poëticale verscheidenheid groot, ook de kwaliteit loopt uiteen. Antidata van Werkman behelst typische amateurspoëzie. Het zijn brave gedichten vol jeugdherinneringen waarvan niemand zal opkijken, overgoten met een quasi-diepzinnig sausje dat de lezer moet doordringen van de ongrijpbaarheid van de tijd. Dit is negentiende-eeuwse huiselijkheid met een poëticale lading:

Tussen het geslonken hoopje op de strijkplank
wel weer de zakdoeken, hun kleur verwaterd
en verroest van lang geleden dienstig geweest,
van oudsher zacht en meer betrouwbaar
dan papier.

Maar schrijven is niet hetzelfde als je neus snuiten en een strijkbout is geen pen, ook al herinnert Werkman aan de befaamde uitspraak van Cees Buddingh’ dat de beste gedichten ontstaan tijdens het schillen van aardappels. De zakdoeken komen later terug in een gedicht dat opnieuw poëticaal is, want er wordt een pen gewogen en ‘in de bladstilte’ wordt een tafel gedekt 'met wit’. Maar het begint zo, met een overkill aan symboliek:

In de tussentijd de zakdoeken wegruimen,
het bed richten, de kamers vrijmaken van
fijn stof, het vriesvak van genadebrood.

Overigens bevat dit gedicht de enige regel die in het geheugen blijft hangen: 'aan het raam het liggen van de storm’.

Wat Werkman te weinig heeft, heeft De Jager te veel. Zijn poëzie is die van iemand die niet alleen de hele modernistische traditie kent, maar ook graag wil laten zien dat hij filosofisch geschoold is. Daar is op zichzelf niets op tegen, maar dan moet je wel iets te vertellen hebben. Bij deze 'terugval in het sublieme’, zoals het gedicht heet, moeten de regelafbrekingen een subtiel denkproces suggereren, maar wat er staat is minimaal:

De lelijkheid van de
wereld is zonder meer
aanwezig, maar weet je
opmerkelijk weinig te
beïnvloeden: sterk
is je geest. Als van beton zijn de
stenen en tot in zijn
stuifdennen rafelt het
duin.

Is De Jager op z'n slechtst een haiku-mijmeraar, Sterk zeil bevat wel degelijk een paar goede gedichten, waarin hij een zen-achtige lichtheid weet op te roepen die aan het beste werk van Martin Reints doet denken. De witte pauw begint als een abstracte beschouwing over de verbeelding, maar komt tot leven door de trefzeker gekozen details. Het begint zo: 'Zoals een nogal matig gedicht de gedachte aan een echt gedicht/ kan oproepen, schreef de dichter - je stelt het je voor,/ het bestaat in je hoofd en dus bestaat het - zo verhoudt// de schepping (…) zich tot de volledige denkbaarheid van het opperwezen’. Vervolgens 'moet er een wending komen’, en die komt in een gewaagde stelling: 'Het heelal is liefde.’ Daarop lijkt het gedicht zijn eigen gang te gaan:

De
koning wordt duizelig als hij zijn paleis uitgaat,
de tuin betreedt met orangerie en menagerie. Ook

mijn witte pauw is een voortbrengsel van de natuur.
Een kroon, een evenbeeld langs het sierperk.
Exotische vruchten kietelen straks mijn smaakpapillen.

Het effect is inderdaad dat je de imaginaire witte pauw voor je ziet en in je mond op zoek gaat naar de smaak van wat je straks van plan bent te eten. Dit is geen matig, maar een echt gedicht.
Elmar Kuiper, wiens Hechtzwaluwen eerder in deze krant werd geprezen, is een origineel en geestig observator. Een strofe als deze maakt direct duidelijk dat we te maken hebben met een dichter die goed kijkt en scheef denkt: 'Aan de horizon daalt een vogel,/ zijn motor is afgezet.’ Soms is hij wreed en wanhopig:

De traan van een winnaar droogt achter het lint.
In hem schuilt mijn faam. Hij verdient een dood
lopende straat. Open hem met de grootste schaar.

Bovendien weet Kuiper op indringende wijze verdriet te verwoorden, juist door het aan absurditeiten te koppelen. De overleden vader, die in het boek enkele malen opduikt, instrueert zijn zoon over de omgang met het pluimvee:

De haan die in vier lettergrepen kraait
moeten we koesteren, jongen.

De haan die in drie lettergrepen kraait mag dood.

De zoon luistert elke dag naar het kraaien en volgt de aanwijzingen van zijn vader zorgvuldig op. Sterker nog, hij neemt diens rol over:

De haan die in vier lettergrepen kraait
moeten we koesteren, vader.

De haan die in drie lettergrepen kraait is dood.

Van de vier genomineerde bundels is De dieren in mij van Delphine Lecompte de enige die verplettert, verschrikt en naar adem doet happen. Net als Kuiper vertoont Lecompte een hang naar het absurde, die hier lijkt voort te komen uit een onvermogen, maar misschien ook een onwil om orde in de chaos van het leven aan te brengen. De gedichten zijn hilarisch en huiveringwekkend. Dit is een typerende strofe:

Op de drempel van een gesloten wasserette
beeft een ondefinieerbaar zoogdier met geperforeerde oren
ik leg mijn jas over het onredelijk weerloze schepsel en
neem het beven over.

Lecompte grossiert in verontrustende regels, waarin verrassende bijvoeglijke naamwoorden een ereplaats innemen: 'Vrouwen mogen hier niet schieten/ omdat ze te fragiel en te wraakzuchtig zijn’. Of: 'Mijn lichaam nestelt zich op/ een strak georganiseerde insectenkolonie’. En: 'Ademloos bereiken we de parking/ van een vijandige meubelketen’. En dit is montere horror:

Nu sta je op een golfbreker
je hebt een onaf kind bij de kraag gevat
zijn rug is open, zijn blik meewarig
zal ik hem in de Noordzee gooien?

In deze bundel tref je geen goedkope symboliek, geen modieuze filosofie, geen milde grappen, maar rauwe scènes die je bij de kladden grijpen juist doordat ze akelig concreet én onbegrijpelijk zijn. Als de jury op 15 juni niet voor Delphine Lecompte kiest, is dat een vergissing.

Gert de Jager, Sterk zeil, De Contrabas, 64 blz.,
€ 12,50; Elmar Kuiper, Hechtzwaluwen, Augustus, 80 blz., € 19,90; Delphine Lecompte, De dieren in mij, De Contrabas, 48 blz., € 12,50; Nina Werkman, Antidata, De Windroos-reeks, Uitgeverij Holland, 32 blz., € 5,95