Neemt en eet

Leonardo da Vinci’s meesterwerk het ‘Laatste Avondmaal’ toont het moment dat Jezus Christus zijn discipelen laat weten dat een van hen Hem zal gaan verraden. Wat voor een man was die Judas Iskarióth eigenlijk? En, belangrijker nog, wat aten de dertien heren?
LATEN WIJ ONS vooralsnog beperken tot de getuigenverklaring van Mattheüs, al was het maar omdat Johann Sebastian Bach er zulke mooie muziek bij heeft geschreven: ‘Toen het avond geworden was lag Hij aan met de twaalf discipelen. En terwijl zij aten zeide Hij: Voorwaar, ik zeg u dat een van u Mij verraden zal. En zeer bedroefd begonnen zij, een voor een, tegen hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Here? Hij antwoordde hun en zeide: Die met Mij zijn hand in de schotel heeft gedoopt, die zal Mij verraden.’

Het tafereel van de meest dramatische maaltijd uit de beschavingsgeschiedenis is vele malen vereeuwigd. In het christelijk avondland was er geen refter, de plaats waar de monniken hun broodje kaas plegen te eten, die niet door een Laatste Avondmaal werd opgevrolijkt. Het meest aangrijpende, modernste en meest doordachte Laatste Avondmaal bevindt zich sinds vijf eeuwen in de refter van het Milanese klooster Santa Maria della Grazie. Het zijn de door de tand des tijds aangevreten restanten van het fresco dat Leonardo da Vinci heeft vervaardigd.
Al die andere Laatste Avondmalen tonen Christus en zijn discipelen in doffe berusting bijeen, in de wetenschap dat de Zoon des Mensen een dag later zal worden geëxecuteerd. Da Vinci koos voor het moment dat Christus liet weten dat een der aanwezigen naar zijn doodsvijanden - de Israelische clerus - was overgelopen. Op de gezichten staan individuele emoties als ongeloof, woede en twijfel. Petrus heeft zich half van zijn zetel verheven. Philippus maakt een radeloze indruk. Thomas, die niet kan geloven wat hij heeft gehoord, steekt een honende wijsvinger in de lucht. Johannes, Christus’ lievelingsapostel, leunt aangeslagen achterover. En men hoort het gemompel en gesteun, het geschreeuw en de solidariteitsverklaringen:
‘Moet je horen wat-ie zegt!’
'Ben ik het, Heer?’
'Hoe kun je dat van ons denken, Jezus…?’
'Wat zei-ie?’
'Heb je het niet gehoord? Hij zei dat een van ons hem verraden zal.’
'Wat een onzin!’
'Zeker een glaasje wijn te veel op.’
Christus zwijgt. Judas, twee stoelen verder gezeten, zwijgt eveneens. Krachtig omklemt zijn rechterhand de beurs met de kas. Hij is immers de penningmeester van het gezelschap. Christus ontwijkt zijn blik. Dan houdt Judas het niet langer uit. Te midden van het tumult fluistert hij:
'Rabbi, zeg op! Bedoel je mij?’
'Wis en zeker’, zegt Christus.
LEONARDO DA VINCI startte zijn werkzaamheden aan het Laatste Avondmaal in 1447. Hij nam de tijd voor zijn artistieke mammoetoperatie, zoveel tijd dat de prior van het klooster enigszins nerveus begon te worden. Hij trok zijn beste pij aan en vervoegde zich bij de wereldlijke vorst van de streek, hertog Ludovico Maria Sforza, en deed zijn beklag over het gedrag van de, zijns inziens nalatige kunstenaar. Wat had Da Vinci zelf op de klacht te zeggen? De schilder voegde zich op bevel bij het gezelschap en liet geamuseerd de stortvloed aan verwijten over zich heen komen.
'En nu zijn weer twaalf maanden verstreken zonder dat ge ook maar íets aan de schildering hebt gedaan’, brieste de prior, 'ja, zelfs hebt ge tot nu toe eigenlijk nog helemaal niets zinnigs gedaan.’
'Weledele heer, u ziet mij vol verbazing voor u staan’, antwoordde Da Vinci, 'want ik werk met zoveel vuur aan dat Avondmaal dat ik vergeet te eten en te slapen.’
'En u durft dat tegen mij te zeggen!’ riep de prior, die vuurrood van woede was geworden. 'Tegen mij, die driemaal per dag in de refter komt om u, als u daar al bent, erop te betrappen hoe ge in de lucht staat te staren. Dus dat noemt u werken! Ben ik soms een buffel die aan een neusring wordt rondgeleid?’
'En door er onophoudelijk aan te werken heb ik’, vervolgde de schilder onverstoorbaar, 'dit schilderij in mijn hoofd zo ver uitgewerkt dat ik u spoedig tevreden zou kunnen stellen - als ik niet op zoek was naar een ding, namelijk naar de kop van de apostel die…’
DE HIERBOVEN beschreven scène is ontleend aan het boek De Judas van Leonardo, een roman van Leo Perutz, een laatromanticus die vertrouwd in de archieven was. Want Perutz is op zijn beurt schatplichtig aan Da Vinci’s tijdgenoot Giovanni Battista Giraldi, die de confrontatie tussen beide mannen - de schilder en de priester - in extenso heeft beschreven.
Naar welke kop van welke apostel was Da Vinci eigenlijk op zoek?
'Uwe Excellentie moge bekend zijn met het feit’, sprak Da Vinci, 'dat ik nog slechts het hoofd van Judas moet schilderen, van wie de hele wereld weet dat hij een ongelofelijke schurk is geweest. Hij moet dus de gelaatsuitdrukking krijgen die bij zijn schurkachtigheid past. Daarom ga ik sinds een jaar, en misschien wel langer, elke dag, ’s ochtends en ’s avonds, naar het Borghetto, waar, zoals uwe Excellentie niet zal zijn ontgaan, het uitschot van de stad woont, maar ik heb nog geen boeventronie gevonden die aan mijn eisen voldoet. Het is mogelijk dat mijn speurtochten niets zullen opleveren. Geen probleem, in dat geval zal ik de gelaatstrekken gebruiken van meneer de prior, die zich bij Uwe Excellentie over mij is komen beklagen, die meer dan geschikt zijn voor het doel dat ik mij heb gesteld.’
Het was soeverein gesproken, een groot kunstenaar waardig. Even later was het fresco klaar. Ook Da Vinci had er geen belang bij de hertog van Milaan tegen zich in het harnas te jagen.
HIJ KON ALLES. Hij was schilder, tekenaar, architect, wiskundige, beeldhouwer, essayist en decorontwerper, hij speelde luit, en tussen de bedrijven door ontwierp hij de pantserwagen, het orgelgeschut, de vrijzwevende dubbeltrap, het mechanisch braadspit en het closet-met-tuimelraam. Omdat hij, behalve de vleesgeworden homo universalis, ook een homo-in-den-vleze was, werd hij, beschuldigd van pederastie, door de zedenpolitie ('beambten ter onderzoeking van nachtelijke woelingen en van de kloosters’) in de cel gezet. Hij maakte van de nood een deugd en ontwierp een instrument 'om kerkers van binnenuit te openen’.
Over zijn geslachtelijke aandriften zijn de geleerden het nog steeds niet eens. Hij joeg in excessieve mate op schoonheid, dat staat vast, maar legde de grens benoorden de navel, ook als het zijn eigen geslacht betrof. 'De paringsdaad en de instrumenten die ertoe dienen’, schreef Da Vinci, 'zijn zo lelijk dat, waren er niet de schoonheid van het gelaat en de bevrijding van de geest, de soort zijn menselijkheid zou verliezen.’ Da Vinci was waarschijnlijk een niet-praktiserende homoseksueel, die ook picturaal weinig verstand van vrouwen had.
De glimlach van zijn Mona Lisa is weliswaar nog beroemder geworden dan de grimmige grijnslach van zijn Judas Iskarióth, de negatieve held van het Laatste Avondmaal. Niettemin is er iets geheimzinnigs met dit vrouwenportret, net als eigenlijk met alle vrouwenportretten van de schilder, tot zijn Madonna’s toe. Zij zijn a-seksueel. Of zoals de gerespecteerde Da Vinci-kenner Kenneth Clarke zei: 'Wij kunnen er wel zeker van zijn dat zijn gevoelens voor haar niet de gevoelens waren van een gewone man voor een mooie vrouw… En, zoals dikwijls bij Leonardo, doet de afwezigheid van normale seksualiteit ons een ogenblik huiveren.’
NU VALT HET NIET eenvoudig te definiëren wat onder 'een gewone man’ of 'normale seksualiteit’ moet worden verstaan. Feit is dat Da Vinci, zo te zien, meer verstand van mannen dan van vrouwen had. Zijn Laatste Avondmaal is de optelsom van grandioos geslaagde psychologische portretten. Ja, zij hebben allemaal hun eigen drama, ja, zijn allemaal wankelmoedigen, van de ongelovige Thomas tot de zoetsappige Johannes, die niets liever deed dan zich, onder het kirren van aanhankelijkheidsbetuigingen, aan de borst van de Meester te werpen. Judas verried Hem in de hof van Getsemane door middel van de judaskus, daar is geen twijfel aan. Maar toen Christus vervolgens, met behulp van zwaarden en stokken, gevangen werd genomen, was geen Zijner getrouwen bereid voor Hem in de bres te springen. 'Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten.’
Da Vinci was een christen die het christendom in feite intellectueel onder zijn niveau vond. Niettemin is de Christus van zijn Laatste Avondmaal, wijsgerig en berustend, de enige van het gezelschap die met sympathie wordt getekend. Alle anderen ogen menselijk-al-te-menselijk. Wij twijfelen er geen moment aan dat zij binnen vierentwintig uur, de tijdspanne die het Laatste Avondmaal van de Berg Golgotha scheidt, hun leider en leidsman in de steek zullen laten. Zie de agressiviteit waarmee Petrus door Da Vinci is geschilderd. Christus’ ogenschijnlijk trouwste volgeling ziet eruit als een Neanderthaler, die de grootspraak op het breedschedelige gezicht gebeiteld staat.
'Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit’, bezwoer hij Christus, in de schaduw van de Olijfberg.
'Voorwaar’, antwoordde Christus, 'ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen.’
En zulks geschiedde.
Da Vinci had geen hoge dunk van de mensheid. Zijn gereserveerde kijk op de soort betrof zowel de eerste de slechtste straatslijper van Milaan als de volgelingen van Christus, hun latere reputatie ten spijt. Het was een en al domheid, middelmatigheid, hebzucht en boosaardigheid, vond de schilder. 'Zie toch, hoeveel mensen zich slechts afvoerkanalen van voedsel, producenten van stront, dus vullers van het privaat kunnen noemen, want een andere bezigheid in de wereld hebben zij niet, zij brengen geen enkele deugd in de praktijk - alles wat zij achterlaten zijn volle latrines.’
Zijn Laatste Avondmaal is door Pierre Prud'hon, in een brief aan de gebroeders Goncourt, 'het mooiste schilderij van de wereld en het meesterwerk van de gehele schilderkunst’ genoemd. Het is een verdedigbaar standpunt. Over het Laatste Avondmaal, vond ook Kenneth Clarke, valt niet te discussiëren, net zomin als over de vraag of Groot-Brittannië wel of niet op de landkaart staat. 'Hoe zouden wij een werk kunnen bekritiseren, dat reeds vanaf onze kinderjaren op het netvlies staat gebrand?’
LATEN WIJ TOCH maar een poging doen. Da Vinci’s Laatste Avondmaal is wellicht, qua karakteranalyse, het eerste moderne schilderij uit de geschiedenis. Urenlang kan de kijker zich verdiepen in de psychologische drijfveren van al die merkwaardige mannen van de Herenclub rond Gods bloedeigen zoon. Zij krijgen plotseling psychologische contouren, anders dan in de Heilige Schrift, waarin hun respectievelijke karakters slechts ten dele zijn ingekleurd. Zelfs Christus is, dankzij de scherpe kijk van de schilder, het wijwatergehalte ontstegen. De enige uitzondering is Judas. Dat is de gewone, traditionele, eendimensionale schurk, een neurotische ellendeling, wachtend op het moment dat hij de benen kan nemen richting Sanhedrin, in zijn verkrampte knuistje de beurs die straks met die dertig, in schande verworven zilverlingen zal worden verrijkt. Toegegeven, het was het traditionele Judasbeeld van die jaren. De ongelukkige boekhouder uit Karióth is al die eeuwen, zonder uitzondering, in de zwartste kleuren afgeschilderd. Hij was een 'onreine hond’, hij was 'het Boze in zijn meest verschrikkelijke verschijningsvorm’, hij was 'een verdoemde aartsschelm’ en 'een verschrikkelijk hondsvot’.
Dat was ook het standpunt van Da Vinci, zelf niet erg gelovig, maar voor de rest een kind van zijn tijd. Redelijkerwijze kun je van een vijftiende-eeuwer, hoe geniaal ook, niet de wat humanere Judas-exegese verwachten, die pas in het begin van de twintigste eeuw enigszins van de grond is gekomen.
Ja, er zou menige eucharistieviering overheen gaan voordat de mensheid bereid was serieus over de drijfveren van de dissidente apostel na te denken.
Wie was de eerste? Ik denk Albert Schweitzer (Geschichte der Leben Jesu-Forschung, 1913), die in verscheidene opzichten een kapitale, moderne denker is geweest. Is de drijfveer voor Judas’ verraad inderdaad die luizige dertig zilverlingen geweest, de koopprijs van een slaaf? Dat valt in redelijkheid niet vol te houden. In werkelijkheid verried Judas, oppert Schweitzer, Christus’ messianisme, hij verried het feit dat de timmerman uit Nazareth zich in intieme kring had laten fêteren als 'de Christus, de Zoon des Levenden Gods’.
De overheid had op een dergelijke pretentie de doodstraf gesteld. Voor het uitspreken van een dergelijk vonnis waren, volgens de lokale wetgeving, twee getuigen nodig.
De eerste - zegt Schweitzer - was Judas. De tweede - zegt Schweitzer - was Jezus zelf.
'Zijt gij de Koning der Joden?’ vroeg Pontius Pilatus, de landvoogd over het bezette Israel.
'Gij zegt het’, sprak de beklaagde.
HAD LEONARDO DA Vinci, toch een kunstenaar en mensenkenner van allure, maar de joodse theoloog J. Klausner gekend! Dan was zijn beeld van Judas heel wat minder traditioneel geweest. Judas was in feite de graalhouder van het christendom, zegt Klausner (Jezus van Nazareth, 1934). De elf andere apostelen zagen in blinde adoratie naar hun voorganger op. Judas, de intelligentste van de twaalf, doorzag de tegenstrijdigheden tussen leer en leven. 'Jezus’ voorschrift om de Thora tot in de kleinste details te respecteren liet zich niet rijmen met zijn eigen gewoonte de Sabbath te schenden en verboden spijzen tot zich te nemen. Judas raakte vertwijfeld door dit vertoon aan menselijke zwakheid en begon te beseffen dat hij met een valse profeet te doen had, van de soort waarvan de Thora eiste dat zij ter dood moesten worden gebracht. Het was zijn plicht om de bedrieger aan de overheid uit te leveren, zulks uit respect voor het gebod “Gij zult het Boze dat te midden van u leeft verdelgen” (Deut. 13:2-12).’
Ook deze reconstructie is, net als de christelijke Judas-vorsing, grotendeels uit speculaties opgetrokken. Maar zij heeft in elk geval de verdienste van de logica.
REST DE VRAAG, wat kwam er die dag, tijdens het Laatste Avondmaal, eigenlijk op tafel?
Leonardo da Vinci kent, blijkens zijn fresco, geen twijfel. Het was brood en wijn. De eenvoudigste der eenvoudige maaltijden, anders dan het eigentijdse galgemaal waarin, in het aangezicht van de dood, al te vaak onbetamelijke vraatzucht wordt betracht. Het probleem is dat drie van de vier evangelisten (Lucas is de uitzondering) spreken over een schotel waarin Christus, alvorens Judas als zijn verrader te brandmerken, zijn bete broods heeft gedoopt. Wat zat er in die schotel? Het was vlees noch vis. Water was het evenmin. Waarom zou je een gezond, versgebakken, smakelijk, nieuwtestamentisch stuk brood met water verkleffen? De Evangelisten helpen ons niet veel verder, maar het lijkt duidelijk, redenerend via de wetten van het gezond verstand, dat er tijdens dat Laatste Avondmaal, behalve brood en wijn, ook soep is geserveerd.