De taalkloof

Neerlandicus versus hiphopper

Neerlandicus Herman Pleij (1943 – ‘Als iemand “relatief” zegt, zak ik tevreden in mijn stoel’) en rapper Pepijn Lanen (1982 – ‘Soms kort ik “see you” af tot “cu”’) over taalverloedering, straattaal en taalverrijking.

‘HET LELIJKSTE WOORD uit de Nederlandse taal vind ik “bieb”’, begint neerlandicus Herman Pleij. ‘Men vindt “bibliotheek” te lang. Het hoort bij een algemene ontwikkeling van verkorting, ellipsering, van de taal. Zo’n twintig jaar geleden ben ik dat voor het eerst tegengekomen en het werkte meteen op mijn zenuwen. Ook van snelle kreten als “zeker weten” of “absoluut” krijg ik rillingen.’
Pleij wordt bijgevallen door Pepijn Lanen, beter bekend als P. Fabergé van hiphopformatie De Jeugd van Tegenwoordig. ‘Alleen heeft het bij mij meestal niet te maken met specifieke woorden, maar met de uitspraak ervan. Mensen die “zeven” uitspreken als “zeuven”, of “puzel” zeggen in plaats van “puzzel”. Taalsnobisme hoort er in zekere zin bij, als je je geld verdient met taal.’
De Jeugd van Tegenwoordig had in 2005 een grote hit met Watskeburt, een nummer doorspekt met een voor de leek onbegrijpelijke terminologie; een mengelmoes van verzonnen, geleende en alledaagse woorden. Sindsdien is de groep toonaangevend op zowel muzikaal als taalvernieuwend gebied. Pepijn Lanen (1982), ‘het intellectueel geweten’ van het trio, heeft hiernaast ook eigen projecten: hij schrijft columns en maakt internationaal naam onder het muzikale pseudoniem Le Le.
Naast hem aan tafel zit taalliefhebber Herman Pleij (1943), in 1979 gepromoveerd en sinds 2008 emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Waar Pleij zijn leven heeft gewijd aan het beschrijven van langdurige taalkundige processen staat jongeling Lanen aan de frontlinie van de taalinnovatie. Samen buigen ze zich over het heden en de toekomst van de Nederlandse taal: verandert de taal sneller dan ooit, is er sprake van taalverloedering of -verrijking en spreekt de jeugd van nu een andere taal dan hun ouders?
Zodra het gaat over de finesses van de Nederlandse taal beginnen de twee vol enthousiasme hun betoog. Pleij: ‘Wat ik daarentegen een ontzettend mooi woord vind, is “relatief”. Wanneer iemand dat zegt, zak ik tevreden in mijn stoel. Het maakt alles betrekkelijk. Wat we ook beweren, uiteindelijk is alles relatief. Heerlijk.’
Lanen: ‘Ik opteer voor “corpulent”.’
Pleij: ‘Ja, dat is ook een mooie. Betekenis en klank lijken samen te vallen; een dik woord met een vette, ronde “o” erin.’
Lanen: ‘Verder heb ik weinig met jonge columnisten die beginnen in het UvA-krantje, op een gegeven moment een column krijgen in nrc.next en dan bijkans nog slechter gaan schrijven. Oppervlakkig, niet mooi geschreven en zonder humor. Ze willen een column schrijven over een luchtig onderwerp en er dan wat gewichtigheid omheen hangen. Aaf Brandt Corstius vind ik bijvoorbeeld verschrikkelijk. Of nee, ik vind het gewoon helemaal niets. Ik vind het zo nikserig dat het me stoort dat het ruimte krijgt.’
Pleij: ‘Ik vind haar stukjes juist erg aardig, maar misschien is dat generatiegebonden. Ze heeft een groot relativeringsvermogen en kan op een boeiende manier over de meest onbenullige dingen schrijven. Wie ik echt bewonder om zijn taalgebruik is Hugo Claus. En dan vooral Het verdriet van België, waarin hij een niet-bestaande taal schept: een combinatie van dialect, algemeen beschaafd Nederlands en eigen ingevingen, die geheel natuurlijk overkomt. Die natuurlijkheid, dat is de kracht van literatuur.’

HEEFT TAAL niet juist altijd gediend als uitsluitingsmechanisme tussen bevolkingsgroepen? Bij De Jeugd van Tegenwoordig zie je dat ook. Hun teksten worden geciteerd door politici en commentatoren, tegelijk zijn ze ontoegankelijk voor mensen zonder kennis van de jongerentaal.
Pleij: ‘Taal is altijd een van de voornaamste elitiseringsmiddelen geweest en heeft altijd gediend als scheidslijn tussen bevolkingsgroepen. Vroeger meer dan nu, maar het speelt nog steeds in de hogere kringen: tussen adel en nouveau riche, gezetene en parvenu. Door “toilet” te zeggen in plaats van “wc” diskwalificeer je je in die kringen onmiddellijk. Maar dat geldt natuurlijk ook voor gebieden als popmuziek, jazz of de digitale wereld. Iemand valt door de mand als hij de verkeerde term gebruikt.’
Lanen: ‘Dat heb je inderdaad ook in de muziekwereld. Een voorbeeld van zo’n woord in mijn omgeving is “never”. En dan juist niet in de zin van “nooit”, maar als antwoord op om het even welke vraag. “Kun je mij het zout aangeven?” “Never.” Het is een bevestiging dat je de vraag begrepen hebt. Zoiets begint in een klein groepje en wordt dan steeds groter. Tot het zo groot wordt dat de oorspronkelijke groep haar interesse verliest. Watskeburt begon ook klein; toen het de massa bereikte, waren wij alweer veel verder. We gingen het bewust opnieuw gebruiken toen de videoclip werd opgenomen, om het opnieuw relevant te maken. Dat is vrij gemakkelijk te sturen. Het is een kwestie van het juiste woord op het juiste moment, en gebracht met een serieus gezicht. Op taalgebied ben ik altijd een voorloper geweest, op de middelbare school al. Soms raakt een bepaald woord of een bepaalde zegswijze in gebruik en breekt het door, andere keren verdwijnt het heel snel.’
Pleij: ‘Als je voortdurend met taal bezig bent, let je automatisch ook op andermans taal, ook in je directe omgeving. Taal is levend en verandert continu. Naarmate je ouder wordt, maak je meer taalveranderingen mee en vergaan automatisch woorden waarmee je bent opgegroeid. Dat is de last van een lange taaltraditie, al lig ik er ook niet wakker van: ik ben geen taalpurist. In elke tijd klaagt men over het heden en kijkt men met nostalgie terug naar het verleden. Vanaf de jaren negentig klinken de klachten over spelling en anglicismen steeds luider. We draaien volop mee in de wereldeconomie en de grotere invloed van het Engels vind ik dan ook een gezond verschijnsel. In de achttiende eeuw waren dit veelal Franse termen, daarvoor Latijnse. Taal incorporeert die woorden en gaat haar eigen gang. Ik ben daarom ook erg tegen voorschriften op taalgebied. Steeds meer jongeren zeggen “hun hebben”. Daar moet je als wetenschapper niet te veel tegen willen doen. Pogingen om dat tegen te houden zijn belachelijk. Al herken ik me in sommige ergernissen natuurlijk wel. Ik vind het vreselijk als studenten “hun hebben” zeggen. Maar toch zeg ik er niets van, er is immers geen historisch argument om dat wél te doen: taal is grillig en niet logisch. In het Nederlands van de Middeleeuwen komt “hun hebben” ook al voor.
Of ik het studenten dan nog kwalijk kan nemen dat hun taalbeheersing achteruitgaat? Het is een ingewikkeld probleem. De docenten zijn opgeleid in de jaren zestig en zeventig, in een periode van losmaking van het gezag. Het protest van toen heeft natuurlijk veel voordelen gehad, maar ook een paar nadelen, waarvan de vrijwording van het onderwijs er een is. Die docenten willen hun studenten niet al te veel regels opleggen, dat voelt tegennatuurlijk. Een dergelijk gezag moet je ook niet willen definiëren. Zolang schrijvers en dichters zich actief met taal bezighouden, komt het goed. Ik moet echter een kanttekening maken: als je bepaalde gebieden gaat uitsluiten van het volkstaalgebruik wordt het link. En het gebruik van Engels op universiteiten brengt dat risico met zich mee. Een taal blijft leven zolang je er alles in kunt doen: bidden, vloeken, dichten én wetenschap bedrijven. Als je wetenschap hieraan onttrekt, ligt regionalisering op de loer. De moedertaal wordt uitgesloten van een onderdeel van het menselijk bestaan. En dat is een serieus probleem, zonder duidelijke oplossing.’
Lanen: ‘De angst voor de ondergang van het Nederlands vind ik zo onzinnig. Taal is nooit tien jaar hetzelfde gebleven. Als je kijkt naar de ontwikkeling van digitale communicatie, iets waar geen enkele officiële autoriteit wat mee te maken heeft, ga je je afvragen wie nog bepaalt wat wel of niet kan.’

MEN SMS’T, msn’t en twittert. Er wordt meer geschreven dan ooit. Is de huidige tijd een uitzonderlijke periode van taalvernieuwing?
Pleij: ‘Ja, het is niet te vergelijken met bijvoorbeeld het ontstaan van de boekdrukkunst. Dat leidde niet meteen tot veel meer lezers; het bleven teksten die waren gemaakt om voor te dragen, niet om te lezen. De huidige veranderingen gaan veel dieper. De snelheid van taalverandering wordt steeds groter en taal raakt zo sneller versleten. De nieuwe media zijn weliswaar een bron van creativiteit, maar leiden ook tot een versimpeling van de taal. Een hoger tempo van leven heeft behoefte aan snellere kreten, wat overigens een universeel verschijnsel is.’
Lanen: ‘Soms vind ik het praktisch om “see you” af te korten tot “cu”, maar mooi is anders. Ik heb een goed taalgevoel, wat me helpt bij het schrijven van columns en dergelijke. Ik maak dan gebruik van regels, net zoals iedereen. In de studio voel ik me veel vrijer: daar laat ik alle taalconventies los. Engels, Frans, Duits: ik schrijf in allerlei talen door elkaar, het belangrijkste is dat het goed klinkt. Ik zie onze muziek ook meer als popmuziek, met een goed klinkend refrein, dan als rap. We gaan op een heel losse, associatieve manier met taal om. Als we geforceerd bezig zouden zijn met het veranderen van taal, zouden we niet succesvol zijn.
Er was bij De Jeugd van Tegenwoordig zoveel te doen over de betekenis van onze nummers dat we hebben besloten de teksten niet bij onze albums te voegen en het helemaal aan de luisteraar over te laten. Overanalysering vermoordt de muziek. Het zijn namelijk altijd dezelfde types die zich vastbijten in onze vaak willekeurige kreten: mensen die er ver van af staan. Het gaat om het geheel, en de sfeer van de muziek. Toch noem ik me een “schrijvend kunstenaar”. Zeker bij Le Le, omdat ik daar de enige tekstschrijver ben. Bovendien ben ik mijn columns aan het bundelen, korte verhalen aan het schrijven en hoop ik ooit een roman te publiceren. Het tastbare van een boek vind ik wel iets toevoegen.’
Pleij: ‘Er is altijd de behoefte geweest om naast de gewone, communicatieve taal een vrijplaats te creëren waarin je kunt spelen met taal. Mensen die met taal werken verdienen het volste respect. Wat Van Kooten en De Bie op taalgebied hebben gedaan, is bijvoorbeeld heel bijzonder. Ze hebben tal van woorden geïntroduceerd die nu in de Van Dale staan. “Regelneef” is er zo een, fantastisch. Ook voor de popmuziek is een rol weggelegd: de taal verrijken en zo levend mogelijk houden.
Dat rappen doet me denken aan de rederijkers: strofische gedichten met een vaste stokregel aan het eind van elke strofe. Ze hadden een speciale refreintoon, wat een sterk retorisch effect had. Die toon heb ik wel eens met rappen vergeleken. Het brengt de luisteraar in een zekere trance. Daarom rapte ik ook op mijn afscheidsrede. Ik wilde laten zien hoe teksten destijds werden gebruikt: men las ze niet stilletjes in een hoekje, maar bracht ze luidkeels ten gehore.’

DE JEUGD van Tegenwoordig verrijkt de taal door nieuwe woorden te bedenken, maar ook door aan reeds bestaande woorden nieuwe betekenissen toe te kennen, zoals met het woord ‘kerk’, dat zoiets betekent als ‘te gek’.
Lanen: ‘Dat “kerk” is een letterlijke vertaling van Snoop Doggs (een van de grootste Amerikaanse rappers – red.) “church”, die dat gebruikt in plaats van “amen”. Als je dat naar het Nederlands vertaalt, krijgt het een andere lading. Het krijgt iets potsierlijks. Die ironie vind ik grappig. Het beste voorbeeld is het woord “goeiemoggel”. Eerst was er die reclame van KPN. Toen nam iedereen dat woord over en kon ik het niet meer uitstaan. Maar daarna was het weer zo ver gevorderd dat het juist leuk werd om ermee te koketteren en zo is het in de hiphop-scene terechtgekomen. “Buenos moggel”, “mosjemoggel”, de mogelijkheden zijn weer legio.
Als we bij De Jeugd van Tegenwoordig al een boodschap hebben, is het dat mensen niet zo moeten zeuren. Het is een reactie op een muzikaal tijdperk waarin mensen met het vingertje wijzen. Wij protesteren hooguit tegen de starheid van het gezag. Hiphop is tegenwoordig het belangrijkste genre voor de jeugd van twaalf tot achttien jaar. Dat moet zijn weerslag hebben op de taal als geheel. Het gaat niet om zomaar een paar woorden; het heeft zijn eigen regels, vervoegingen en grammatica. Ik denk dat die invloed erg groot en blijvend zal zijn. Jongeren gebruiken zinsconstructies die rechtstreeks uit het Engels komen, “beter ga je naar huis” bijvoorbeeld. Het is misschien wel ooit begonnen in de Bijlmer, maar het heeft inmiddels de subcultuur verlaten. Zelfs in dorpjes in de Achterhoek spreken mensen deze taal.’
Dus de jeugd spreekt een andere taal?
Pleij: ‘Het gaat inderdaad verder dan woorden alleen. Ik vraag me echter wel af of die straattaal blijft bestaan wanneer ze door een bredere groep gebruikt wordt. Een dergelijke taal ontwikkelt zich meestal in een groep die zich anders voelt dan de rest van de samenleving en op zoek is naar een uitzonderingspositie. Maar er komt een moment dat de oorspronkelijke gebruikers tot andere groepen gaan behoren, waarin die oude taal misschien helemaal niet meer nodig is. Zo blijft ze een verbruiksgoed en raakt ze nooit de kern van onze standaardtaal.
De toegenomen hoeveelheid communicatiemiddelen en vooral de snelheid waarmee dat gepaard gaat, zijn natuurlijk wel nieuwe verschijnselen. De afgelopen eeuwen is er op taalgebied niet zoveel gebeurd, tot de telefoon en de radio hun intrede deden. Vanaf dat moment is het hard gegaan. En dat heeft het aantal verschillende taalgroepen en taalsituaties natuurlijk erg doen groeien. Maar ik vind het ontroerend dat Pepijn zijn columns wil bundelen en een boek wil schrijven. Zolang vernieuwende mensen als hij ook de behoefte hebben aan iets tastbaars, denk ik dat de verschillen overbrugbaar zijn. De letter blijft houvast geven.’
Lanen: ‘Ik denk dat de jeugdtaal fundamenteel anders is, maar aan de andere kant is er wel de bereidheid om met elkaar te communiceren en de wil om elkaar te begrijpen. Het zal dus wel tot een overbrugging komen. Ons publiek bestaat ook niet alleen uit jongeren, wij maken geen jongerenmuziek. De Jeugd van Tegenwoordig is een geuzennaam, geen doelgroep.’
Pleij: ‘Mijn kleindochter van twee zegt aan de lopende band “echt niet” en “echt wel”. De herkomst daarvan wilde ik meteen traceren: ze heeft het van haar grote broer. Vervolgens zag ik hetzelfde staan op een aanplakbiljet van de master Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam: “Echt verder, in Nederlandse letterkunde”. Toen dacht ik bij mezelf: Jezus, dit verbindt mijn kleindochter van twee met het centrum van onze letteren.’


DE KLOOF
Sinds enkele jaren lijkt Nederland te zijn opgebroken in talloze ‘kloven’: de kloof tussen burger en politiek, allochtoon en autochtoon, ‘Den Haag’ en ‘Brussel’, et cetera. De samenleving heeft geen zuilen meer, maar kan worden opgedeeld in door kloven gescheiden groepen. In een serie dubbelinterviews staan Daan Heerma van Voss en Daniël van der Meer (beiden van 1986) bij de diepe verschillen stil.