Neerstortende icarussen

Zo ongeveer het enige wat tussen 1780 en 1800 in Parijs werd gebouwd, was een nieuwe tolmuur. Wel scheidden nijvere architecten honderden ontwerpen af van de meest idealistische en fantastische bouwsels. Op een handjevol na, onder andere de gehate en na de revolutie weer snel afgebroken muur, werden deze gedetailleerde ontwerpen nooit omgezet in steen. Dat was ook de bedoeling niet: zo zuiver als de ideale architectuur op papier was, kon zij nooit in werkelijkheid zijn.

Deze opvatting zou een kenmerk worden van de moderne kunst: niet het kunstwerk staat centraal, maar de kunstenaar. Shelley stelde met betrekking tot toneel: ‘Als de compositie begint, is de inspiratie al op de terugtocht, en de prachtigste poezie ooit aan de wereld meegedeeld is slechts een zwakke schaduw van het oorspronkelijke concept van de kunstenaar.’ Volgens Lamartine zijn kunstwerken in potentie aanwezig in de kunstenaar, en het dondert verder niet of ze eruitkomen.
Anderhalve eeuw later zijn we er al aardig aan gewend dat we op een tentoonstelling slechts schetsontwerpen te zien krijgen en dat een kunstenaar de uitvoering van zijn idee toevertrouwt aan mensen die daarvoor hebben doorgeleerd. Er is blijkbaar een onoverkomelijk verschil tussen concept en uitvoering - en als er al iets wordt gerealiseerd, dan ziet dat er heel anders uit dan de kunstenaar voor zich zag.
Door de binnenstad van Hoorn zwiept de kunstmanifestatie Kustlijn, een evenement leent zich voor velerlei woordspelingen. Al geruime tijd geleden gaven zo'n honderdzestig Noordhollandse en buitenlandse kunstenaars gehoor aan het verzoek zich te laten inspireren door de kustlijn, en vorige zomer resulteerde dat in een tentoonstelling van speelse, vrije en soms grootse ontwerpen. Daarna werd een groep kunstenaars geselecteerd op basis van die getoonde ontwerpen. Er werden er maar weinig uitgevoerd: ongebreidelde fantasie stoort zich nu eenmaal niet aan aardse zaken als praktische uitvoerbaarheid of financiering. De wel uitvoerbare ontwerpen bleken een zwakke schaduw van het oorspronkelijke concept te zijn of leken er zelfs helemaal niet op.
Vaak leverde dat toch een sterk kunstwerk op, zoals het huis met roeispanen van Sjef Henderickx, de lege stalen mantel van Marion Jebbink (hoewel je inmiddels een Kreymborg kunt vullen met sculpturen van ongevulde kledingstukken) en de bolle spiegels van Sue Williamson, waarin behalve de zee ook verweerde gezichten van negers en Indianen te zien zijn.
Andere ontwerpen hebben de uitvoering niet overleefd. De Zwitser Bob Gramsma ontwierp een trap in het IJsselmeer, een transparante wenteltrap die op een eveneens onder water gelegen deur uitkomt. Uiteindelijk ligt nu een klein, nagenoeg onzichtbaar trappetje terzijde in de jachthaven, terwijl de transparante bodem al geheel groen is uitgeslagen.
De Australische kunstenaar Richard R. Thomas stelde voor een levende boom op een stalen zuil van twintig meter hoogte voor de kust van Hoorn te plaatsen, als een verticale kustlijn. Ondanks de kennelijke onuitvoerbaarheid en veel te hoge kosten kreeg Thomas toch de opdracht iets te maken en hij kwam met een drastisch ander plan. Een bestaand strekdammetje van een meter of vijf zaaide hij in met witte bloemen in het patroon van de plattegrond van Insulinde, verwijzend naar het VOC-verleden van Hoorn. Een raadselachtig contrast met zijn geselecteerde ontwerp. Wellicht was er bij de opening iets zichtbaar van het beoogde patroon, maar koud een maand later geven wat her en der verspreide plukjes groen de indruk van tegen de wind in gezaaide andijvie.
Hoe kun je nu kunstenaars selecteren op grond van prachtige ontwerpen die toch niet gerealiseerd kunnen worden? De selectiecommissie had als Daedalus de teugelloze fantasie van de Icarussen moeten waarschuwen voor al te hoog vliegen. Nu storten de overmoedigen jammerlijk in zee.