In Mijn leven als mens geeft vertelster Dinka met een tienerachtige bravoure gewiekst commentaar © Alessandra Sanguinetti / Magnum Photos / ANP

In een roman hoef je niet achter elk T-shirt-opschrift een diepere betekenis te zoeken, maar als een probleemtiener, weggelopen uit een tehuis en verdwaald in de prostitutie, met een regel uit Miltons Paradise Lost rondloopt, dan jaagt de auteur je wel heel uitdrukkelijk de steeg in van de symboliek.

‘Better to reign in hell than serve in heaven’, is de tekst. Draagster van het shirt is ‘Mier’ (Miranda), jeugdvriendin van de vertelster, Dinka (koosnaam ‘Dingetje’) en algauw meer dan dat: ze proberen hun naakte lichamen in elkaar te schuiven zoals ze zagen in een Kamasutra-achtig boekje, en Mier streelt daarbij vaak het litteken van Dinka. Dat zit op de plek waar ze bij haar geboorte vastzat aan haar tweelingzusje Dinksa, dat het niet overleefde, maar wel voortdurend als een schaduw in haar gedachten is.

Ook dit gegeven nodigt uit om Mijn leven als mens, de zesde roman van Joke van Leeuwen, als allegorie of parabel te lezen, zeker in combinatie met het vertelperspectief. Ik-verteller is Dinka zelf, vanuit het hiernamaals, nadat ze op haar achttiende door een ongelukkige val overleed. Herenigd met haar zusje kijkt ze terug op sleutelmomenten uit haar leven, dat duurde tot vlak na de millenniumwisseling.

De relatie met Mier is daarbij de stuwende kracht. Dinka is gefascineerd door haar leven, dat zo anders is dan dat in haar eigen milieu: vader die rijk geworden is in de financiële sector, moeder geeft ademhalingscursussen en gelooft ernstig in de komst van het ‘Watermantijdperk’ – de jaren negentig in twee haastige penseelstreken.

Mier, Dingetje: onbeduidende leventjes in het kosmische gewoel. Toch staan ze nadrukkelijk voor méér, al blijft het zoeken voor wat precies. ‘Ik ben kapot’, zegt Mier tegen het einde, waarop Dinka reageert: ‘Geeft niet, we worden wel weer heel.’ Aha, Plato’s Symposium misschien? Geboren als bolletjesmens, van elkaar gescheiden en daarna op zoek naar een wederhelft? Of moeten we het eerder in de richting van Castor en Pollux zoeken, de tweelingbroers van wie er eentje stierf waarna de ander bij Zeus de deal afdwong toch bij elkaar te zijn, maar dan wel afwisselend op de Olympus en in de Hades?

Mier, Dingetje: ze staan nadrukkelijk voor méér, al blijft het zoeken voor wat

Is dat waarom koffiekringen op Miers salontafeltje ‘aan de Olympische Spelen doen denken’, als zij en Dinka elkaar op hun zeventiende weer terugvinden? En welke betekenis heeft die tegelvloer waar Dinka haar doodsmak op maakt en waarvan minstens drie keer wordt verteld dat die ‘een optische illusie vormt van kubussen’?

Dat de zonsverduistering van augustus 1999 en de millenniumwisseling zo’n nadrukkelijke rol spelen, moet dan ook meer zijn dan alleen een (scenario-)stijlmiddel om de handelingen van een achtergrond te voorzien. En dat Mier negen tenen heeft en een beker met ‘leeg!’ op de bodem zullen ook geen mussen zijn die zomaar van het dak af dwarrelen.

Zo opgesomd kan het lijken of dit een cryptische, topzware roman is, maar – en dit is een van de sterkere kanten – de toon is juist vrij luchthartig. Vertelster Dinka geeft geregeld, met een tienerachtige bravoure, gewiekst commentaar op wat ze allemaal ziet, al blijft er ook veel wat ze niet doorziet, waardoor ze de naïeve speelbal kan worden van allerlei foute krachten in Miers omgeving. Dat komt allemaal overtuigend en invoelend tot leven. Soms is het een tikje zoetgevooisd, net als de sprookjesachtige voorstelling die Van Leeuwen hier van het hiernamaals schildert, vol paleizen en bloemen.

‘Jij hebt niets geprobeerd wat fout kon gaan’, zegt Dinka hier ergens tegen haar zusje. Toen begreep ik wat me zo dwarszat: ook Dinka zelf wáágt niet werkelijk iets, en raakt nooit echt in conflict, niet met haar ouders, en ook niet met Mier, wier leven ze vooral vanaf de zijlijn observeert.

Mier is als personage veel intrigerender. Zij loopt weg, doolt rond in louche milieus, zoals een rechts-radicaal netwerk, komt dan in dienst bij het bedrijf van Dinka’s vader, die ook een oogje op haar heeft, en die haar een twijfelachtig financieel product laat verkopen, het ‘warme winstplan’. Haar veelkantigheid heeft een enorm dramatisch potentieel, dat niet voluit is benut, doordat we haar als bij-figuur vooral indirect en van buitenaf mee-maken.

En is zij, met haar negen tenen, een soort duivelin? Faust? Of degene die de beker tot de bodem moet leegdrinken? Ach, die symbolische laag leidt eerder af dan dat hij de reikwijdte van dit verhaal vergroot. Als de energie die is gaan zitten in het verstoppen van aanwijzingen en het optuigen van optische illusies nu eens was uitgegaan naar het versterken van de karakters en het uitdiepen van hun emotionele drijfveren, dan had dit boek méér kunnen zijn dan een prima roman.

Zo is er één sterke passage waarin Dinka de teruggevonden Mier aan haar ouders voorstelt, en zij onverwacht perfect de codes van het maatschappelijk spel blijkt te kunnen spelen. (‘“Aangenaam”, zegt Mier. Ik heb haar dat aangeklede woord niet eerder horen gebruiken’). Intussen is Dinka’s vader met haar aan het flirten, zit Dinka zelf in angst dat ze te veel verraadt en oppert haar moeder dat ze ‘misschien wel een nieuwetijdskind’ kan zijn. Humor, subtiliteiten, botsingen, onderhuidse spanning: in zo’n tafereel zit alles en vraag je je geen moment af wat het betekent.