Negentig db

De mens is een mooie uitvinding, maar zonder technische vooruitgang is hij een naakte aap. Eén deurbel per keer.

Werd vlak bij het station aangesproken door twee jongens. Achttien, zoiets.

‘Mijnheer, weet u waar de uschi’s zijn?’

‘De…’

‘DE USCHI’S.’

Ze keken elkaar aan met de blik die Engelsen elkaar toewerpen als blijkt dat de Franse bakker niet verstaat wat ze zeggen, terwijl ze het woord ‘bread’ toch heel luid en duidelijk hebben uitgesproken.

‘Wat zijn… uschi’s?’

‘Hoeren’, zegt de ene. ‘Waar zijn hier de hoeren?’

Een deel van mijn geest had zich al afgesplitst. Wat was in godsnaam de etymologie van dat woord? En is er niet een nummer van Stephan Sulke met die titel?

‘Hoeren’, zei ik. ‘Ik heb geen idee.’

Ik bedacht dat Rotterdam waarschijnlijk de enige grote stad is zonder raamprostitutie.

De verjaardag is de viering van het verval

‘Wij komen uit Den Haag en daar is alles anders’, zei een van de jongens.

‘Ik denk dat je het de verkeerde vraagt’, zei ik en ik vroeg me af waarom ze mij in godsnaam hadden aangesproken en of jongens van achttien tegenwoordig zoiets gewoon vinden. Zeg maar, net zoiets als Pokemons zoeken met je telefoon.

Ze liepen een beetje mistroostig naar het station. Ik zag het ze denken: kutstad, geeneens hoeren.

Ik dacht eerst dat ik ze verkeerd had verstaan. Mijn gehoor – 0 procent rechts, 40 procent links – neemt langzaam verder af en het gevolg is dat ik veel niet en nog meer verkeerd versta. Ik ben bezig te veranderen in professor Zonnebloem. Het is zorgelijk, maar omdat het langzaam gaat, besef ik niet altijd hoe ver de geluidsleegte al is opgerukt.

Een week nadat ik had geleerd wat ‘uschi’s’ waren liep ik naar beneden, omdat Albert Heijn met de boodschappen zou komen. Toen ik uit het raam keek stond de bezorger er al. Hij was er zelfs al drie kwartier. Te vroeg, weliswaar, maar hij had gebeld, en gebeld, en gebeld. Terwijl ik mij uitputte in excuses en hem voorging, was er het plotselinge zinkende gevoel dat ik richting ‘hulpmiddelen’ moest gaan. Mijn telefoon stond al op lichtsignalen, nu zou er ook een deurbel moeten komen die mee kan naar de werkkamer en flitst als er bezoek is. Mijn god. Wat hierna? Steunzolen en plaspillen?

Ik stam uit een familie waar de werkelijkheid krachtdadig wordt bestreden met ontkenning. Ik ben er zelf ook behoorlijk goed in. Het is een godgegeven eigenschap voor een schrijver. Dood, ongeluk, verhuizing, relatieperikelen, ik zit ’s ochtends om negen uur achter de tafel alsof er niets aan de hand is. Anders dan mijn leeftijdgenoten zeik ik ook niet over De Leeftijd. Ik weet niet wat het met ze is, maar mijn generatiegenoten praten over het vorderen der jaren alsof ze getroffen zijn door een aandoening waar ze helemaal geen rekening mee hadden gehouden.

Ontkenning, mensen! Geen ‘ik kan dit niet meer’ en ‘ik kan dat niet meer’! Denk aan Marcus Aurelius: klaag niet over wat je niet kunt veranderen. Ik ben, als het gaat om De Leeftijd, de zwarte ridder uit Monty Pythons Holy Grail. Arm afgehakt door koning Arthur, maar hij vertikt het om de tweestrijd op te geven. ‘It’s but a scratch!’

Bij Conrad, paradijs voor techno-nerds, bestel ik een draadloze deurbel. Geeft lichtsignalen, haalt negentig db, kan meegenomen worden door het huis en ziet eruit als iets uit Star Trek. In een half uur geïnstalleerd. Ik ben een happy puppy. Het verval is, zoals het hoort, bestreden met techniek. De mens is een mooie uitvinding, maar zonder technische vooruitgang is hij – inderdaad Desmond Morris! – een naakte aap.

De eerste drie seizoenen van Star Trek staan trouwens sinds kort op Netflix. Het is nu elke dag verjaardag, ook al heb ik de mijne sinds 1970 niet gevierd (want de verjaardag is de viering van het verval en verval, daar doen we niet aan).

Star Trek seizoen 1 is een orgie van piepschuim, gipsplaat en papier-maché. De consoles van de Enterprise bestaan uit fietslampjes, tuimelschakelaars en deurbellen. De besturing geschiedt door middel van een knoppenpaneel. Als Kirk en Spock neergestraald worden naar een vreemde planeet komen ze steeds in hetzelfde decor terecht, een landschap dat iemand uit snot heeft geboetseerd. Meestal loopt daar iemand rond in een schuimrubberen pak dat andere-levensvorm-die-wij-respecteren suggereert. Op de brug staan losse stoelen die telkens omvallen en de vrouwen dragen zulke korte jurkjes dat ze de helft van de tijd in hun onderbroek rondlopen. Vooruitgang in de jaren zestig, dat was vooral minder kleren (voor vrouwen) en meer knopjes.

Het geweldige aan Star Trek is de diepe overtuiging van bedenker Gene Roddenberry dat de mens, de wereld en de techniek alleen maar beter kunnen worden als we allemaal heel erg ons best doen. Ik mis die tijd. Ik mis die gedachte. Zeker nu we zelf een periode beleven waarin over de schouder wordt gekeken naar toen alles nog goed was en je de achterdeur open kon laten staan zonder angst voor het vreemde. Veel uit Star Trek is waar geworden – de mobiele telefoon, de iPad, praten tegen je computer, big data – maar betere mensen die niet aan xenofobie lijden zijn we niet geworden. ‘Wij zijn barbaren die ernaar streven om beschaafder te worden’, zegt captain Kirk regelmatig. Waarna Spock een wenkbrauw optrekt, want hij moet het nog zien. Maar gaat het ook niet om hoe het ís? De wil, het streven naar beschaving, dat is de crux. Om de wereld te veranderen, één deurbel per keer, en onverschrokken te gaan waar nog niemand is geweest.