Cody Gakpo scoort in de 84ste minuut de 1-0 tegen Senegal © Maurice van Steen / ANP

Voetbal is escapisme. Voor mij althans. Als ik na een dag lezen en schrijven over de naderende ondergang van de menselijke beschaving op de fiets naar huis stap zet ik steevast een voetbalpodcast aan. Op die momenten wil ik luisteren naar discussies over het beste spelsysteem, diepte-analyses van de persco’s van Van Gaal en ongegronde meningen over de prestaties van Daley Blind.

Ik weet wel dat Messi schimmige sponsordeals heeft en zich in bedenkelijke bochten wringt om zo min mogelijk belasting te betalen. Ik weet wel dat Neymar een aanhanger is van een president die de Amazone plat brandt, een hekel heeft aan homo’s en flirt met een militaire coup omdat de verkiezingsuitslag hem niet zint. En ik weet ook dat Mbappé zo’n honderd miljoen euro salaris opstrijkt bij een club die in handen is van Qatarese oliesjeiks.

Maar ik wil het niet horen. Laat me mijn kop negentig minuten lang in het zand steken en me verlekkeren aan de magische voetbewegingen van de Argentijnse semi-god die één finale verwijderd is van de status als Grootste Aller Tijden. Ik kan me opwinden over de gênante schwalbes van de Braziliaanse sterspeler, zonder zijn stemgedrag erbij te halen. Ik lees Willem Vissers voor zijn lyrische metaforen, niet voor zijn maatschappelijke analyses.

Ik wil mezelf voor de gek houden en geloven in de scheiding tussen politiek en sport.

Dat was tijdens dit WK moeilijk vol te houden, natuurlijk. De absurditeit lag er zo dik bovenop dat historici over honderd jaar vermoedelijk zullen terugkijken op ‘Qatar 2022’ als ultieme illustratie van het ontspoorde laatkapitalisme. Voetballen in een woestijnstaat, waar geairconditionde stadions uit de grond moesten worden gestampt door uitgebuite gastarbeiders die bezweken onder ondraaglijke temperaturen.

Nee, ik heb niet getwijfeld of ik dit toernooi moest boycotten. Tegen vrienden zei ik dat zelfs Amnesty vond dat we moesten kijken: al die aandacht voor de misstanden in Qatar zou uiteindelijk een helende werking hebben. Eigenlijk was dat de reden niet. Ik ken mezelf: na de eerste gesprekken bij de koffieautomaat over de waan-zin-ni-ge ontknoping zou ik voor het blok gaan en met een vies gevoel de tv aanzetten. En er is weinig triester dan een halfslachtige boycot.

Dus zat ik bij de eerste groepswedstrijd tegen Senegal klaar voor de tv. In mijn eentje, met een laptop op schoot, dat wel. Ik keek met een half oog terwijl ik wat mailtjes beantwoordde, het spel was toch niet om aan te zien. Wat maakt het ook uit, zei ik tegen mezelf, misschien is het maar goed als we er uitvliegen, het is belachelijk, zo’n WK in de winter.

En toch dat gebalde vuistje als Cody Gakpo in de 84ste minuut raak kopt.

Tussen alle voor- en nabeschouwingen door werd er in de eerste weken volop schande gesproken. We wilden wel genieten van het voetbal, maar niet zonder de wrange bijsmaak te benoemen. Of het nu ging om het Iraanse elftal dat bij de openingswedstrijd weigerde het volkslied mee te zingen of over de Europese volksvertegenwoordigers die op de tribune statements maakten met een One Love-band en na het laatste fluitsignaal verder onderhandelden over mogelijke gasdeals − politiek was dwars door de fictieve barricade heen gebroken.

Pas richting de kwartfinales verstomde het stemmetje dat moest doorgaan voor ons collectieve geweten. Wie wilde ook de zuurpruim zijn die de glans van het Marokkaanse feestje zou halen? Wie dacht er aan de Nepalese bouwvakkers toen Wout Weghorst de ingestudeerde vrije trap in de 110e minuut tot doelpunt promoveerde? (Was Andries Noppert een penaltykiller geweest, dan was dit moment net zo legendarisch geworden als de goal van Dennis Bergkamp tegen Argentinië.) Zo’n half uur nadat het echt begon te leven zat het WK er voor Oranje alweer op. Maar de politiek was van de sportpagina’s verdreven. De orde leek hersteld.

NIEUWS: er was een koffertje geld gevonden, niet in de hotelkamer van een Fifa-bons, maar in de woning van een sociaal-democratische Europarlementariër. In ruil voor wat oliedollars zou Eva Kaili in Brussel laaiend enthousiaste verhalen hebben verteld over het gastland van het WK. Zonder een spoortje ironie noemde ze Qatar een ‘koploper op het vlak van arbeidsrechten’. Gianni Infantino had haar speechschrijver kunnen zijn, maar waar Kaili binnenkort voor de rechter moet verschijnen, mag de voetbalbaas zondag schitteren tijdens de slotceremonie.

Het is een schande, zeker, maar ik scroll weer in mijn podcastapp voor een portie afleiding, want ook na de finale blijft de bal rollen. En laten we eerlijk zijn: het is toch onbegrijpelijk dat Alfred Schreuder nog niet ontslagen is?

In dit blog doet De Groene komende weken verslag van het WK in Qatar – verslag van mensenrechten, misstanden, het mediacircus en misschien soms voetbal.