Negers van de anderen

‘Helden der zee, nobel volk/ Dappere en onsterfelijke natie/ Verheft thans wederom/ De glans en pracht van Portugal!’ - de oproep waarmee het Portugese volkslied begint, moet in de oren van de Portugezen in Angola, zoals António Lobo Antunes (1942) ze in zijn roman presenteert, geklonken hebben als pure hoon. In de drie delen van Antunes’ nieuwe boek, dat volgt op de indrukwekkende roman uit 1996, Het handboek van de inquisiteurs, spreken achtereenvolgens drie kinderen uit één gezin - een halfbloed, een epilepticus en een del - die in 1975, toen Angola voor lange tijd het strijdtoneel werd van diverse bevrijdingsbewegingen, door hun moeder op de boot naar Portugal zijn gezet. Daar leven ze als ontheemden, van elkaar vervreemd zo er al ooit contact tussen hen was; het enige wat ze met elkaar gemeen hebben is een lamentabele jeugd in Angola.

Hun verhaal over vroeger wordt afgewisseld door flarden uit het leven van de daar achtergebleven moeder, staties op een lijdensweg van 1978 tot 1995; van kwaad tot erger is de kortst mogelijke beschrijving van achttien jaar postkoloniale verwarring (de burgeroorlog waaraan na twintig jaar in 1974 een einde kwam, is vorig jaar weer voortgezet). De moeder stuurde haar kinderen indertijd weg om in oorlogstijd haar handen vrij te hebben in het beheer van de familiale plantage. Als het niet de guerrillero’s van de Unita of Zuid-Afrikanen of Cubanen waren die moordend en stropend langskwamen, waren het wel huurlingen die al helemaal niet wisten tegen wie en voor wie ze vochten, of namen soldaten van het regeringsleger bezit van het huis. Dat ze de eigenares met ‘kameraad’ aanspraken, maakte geen verschil: 'Jouw huis is van het volk kameraad.’ Inmiddels - dit vertelt ze in 1982 - leeft ze in een varkensstal met twee zwarte dienstmeiden 'die hetzelfde blikvoer eten en dezelfde drab drinken, met de verplichting of bescheidenheid of gedoemdheid een heden te verzinnen dat al jaren niet meer bestaat’. In de brieven die ze al die jaren aan haar kinderen schrijft, is alles pais en vree; antwoord krijgt ze toch nooit, om de simpele reden dat haar oudste zoon in Portugal van meet af aan geen brief opent. Het eigengemaakte beeld van de werkelijkheid dekt ze in de rug door almaar scènes uit het verleden af te spelen. Haar verhaal eindigt in 1995 met een rooskleurige heropvoering van een vroegere picknick: haar vader in crèmekleurig pak, haar moeder met parasol, zij met een strohoed. Maar midden in dat idyllische tafereel duikt de zin op: 'De vogels boven ons waren dezelfde als die boven de massagraven van Corimba.’ En zo rooskleurig zijn haar wanen niet; menige episode uit het verleden eindigt ermee dat ze iemand uit haar vroegere leven gruwelijk aan z'n einde laat komen. Het is inderdaad opvallend dat de vrouwen in de roman, de bedienden misschien wat minder, wreed, zelfzuchtig en nietsontziend zijn. Je mag aannemen dat de moeder toen ze haar kinderen wegstuurde besefte dat mensen zoals zij in Angola niets (meer) te zoeken hadden. Haar vader zei al dat zijn tijd om was; hem hoorde ze zeggen dat Angola door Portugal aan de Amerikanen of de Russen verkocht was en wij, zei hij, 'wij waren van Afrika gaan houden met de liefde van de zieke voor de ziekte die hem kapotmaakt of van de bedelaar voor het opvanghuis dat hem vernedert, wij waren gaan houden van het feit dat we de negers van de anderen waren en negers bezaten die onze negers waren’. Hij wist dat ze in Lissabon niet meer welkom waren, 'en dus moet je niet gaan, ga niet weg uit Angola, stuur je kinderen het land uit maar ga zelf niet weg uit Angola, wees een Kaffer van de Amerikanen en de Russen, een Kaffer van de Kaffers, maar ga niet weg uit Angola’. Opnieuw weet Lobo Antunes een ingewikkelde geschiedenis van tientallen jaren - in de vorige roman was dat de laatste periode van de dictatuur in Portugal, in deze de stuiptrekkingen van het kolonialisme in Angola - samen te vatten in de convexe spiegel van één plantersfamilie die haar koloniale plunderstatus verloren ziet gaan en door Portugal in de steek wordt gelaten. De moeder ervaart deze verscheurdheid in de roman direct aan den lijve. Er is een hufterige politiecommissaris, de schrik van alle planters voor wie hij het koloniale gezag vertegenwoordigt; van hem heeft ze een kind, een epileptische zoon. De oudste zoon heeft zij gekocht van een zwart meisje, bij wie haar man het kind had verwekt. Als iemand in de familie geen racist is, is dat uitzonderlijk; en liefdeloosheid is een kenmerk van allen, ook van de familieleden onderling. Dat er in twee generaties tussen vaders en dochters een zekere affectie bestaat is eerder uit wanhopige solidariteit tegen de wrede botheid van de anderen, vooral van de vrouwen des huizes tegenover hun gekleineerde echtgenoten. Ik vermoed dat de schrijver, als hij leden van de ene generatie alles van de vorige laat herhalen, dat ook als kenmerk van het kolonialisme heeft bedoeld. Misschien is die herhalingsdwang zelfs het belangrijkste thema van het boek; die dwang beheerst ook de stijl en het ritme van de roman. Wie er ook aan het woord is, een van de drie kinderen of de moeder, ze breken hun zinnen af om herinneringen of associaties te volgen, nemen de loop van hun woorden en gedachten bij gelegenheid weer op, worden onderbroken door cursieve passages waarin ze iets hernemen of herhalen of anderen horen spreken. Het voordeel van deze stijl, die aan Faulkner, Claude Simon en zelfs Schierbeek doet denken, stuk voor stuk auteurs die een mengeling van vertellen en herinneren in de vrije indirecte rede toepassen, is dat Antunes niet gebonden is aan de realistische regels van een kroniek. Met de data van de hoofdstukken geeft hij de lezer voldoende houvast. Kerstmis 1995 is het moment waarop Carlos, de oudste zoon, in zijn gammele Portugese flat onder een boom zit te wachten op de komst van zijn broer en zus, die hij na vijftien jaar weer eens heeft uitgenodigd. De twee anderen vertellen in hún monoloog waarom ze niet zullen komen. De laatste keer dat de moeder spreekt is eveneens kerstmis 1995: 'Soms denk ik (…) dat het heel makkelijk was geweest een ander leven te leiden, zelfs in Afrika waar wij/ zei mijn vader altijd/ geen geld en macht waren komen zoeken maar negers zonder geld en macht die ons de illusie van geld en macht gaven, geld en macht die we, zelfs al hadden we ze, in feite toch niet hadden omdat we in Portugal alleen maar getolereerd werden, bekeken zoals wij degenen bekeken die voor ons werkten, en dus waren wij in zekere zin de negers van de anderen, net zoals de negers hun negers hadden en die weer hun negers…’ Lobo Antunes laat verschillende stemmen aan het woord die tezamen één klaagzang vormen. Hijzelf spreekt namens niemand. Hij laat alleen zien hoe bedrieglijk Portugals glans en pracht overzee waren.